Uit ‘Levend Geloof’ mei/juni-juli/aug-sept/okt - nov/dec 2005
Job en
het lijden van de mens
Het
boek Job in het licht van het evangelie
Door
Hessel Hoefnagel
Deel-1
Voorwoord:
Met dit artikel begint een serie artikelen
over het boek Job. Het is het product van de invulling van een verzoek om een
aantal bijbelstudies te geven over de persoon Job en het belang voor het
geestelijke leven nu.
Ik ben op dit verzoek ingegaan en heb deze
studies weergegeven in een aantal artikelen. Naast eigen interpretatie heb ik
mede gebruik gemaakt van informatie uit de reeds
uitgegeven studies over Job, onder andere van br. Klaas Goverts.
Mogen deze lessen tot zegen wezen voor de
lezers van "Levend Geloof".
(Hessel Hoefnagel)
Inleiding
Het bijbelboek Job is één van de oudste
geschriften van de bijbel. Het boek is door de bijbelonderzoekers gerangschikt
onder de zogenoemde Ketobïm. De Hebreeuwse aanduiding voor Geschriften.
Het Hebreeuwse Oude Testament volgt namelijk
een andere indeling van de bijbel dan die wij kennen. De Hebreeuwse indeling
weerspiegelt het ontstaan van de oudtestamentische canon:
1. De Thora:
(Wet, de boeken Genesis t/m Deutoronomium).
2. De Nebi'im:
(De eerste profeten (Jozua, Richteren, 1 en 2
Samuël, 1 en 2 Koningen) en de [latere profeten (Jesaja, Jeremia, Ezechiël en
de 12 kleine profeten)].
3. De Ketobïm:
(Geschriften: Psalmen, Spreuken, Job, de vijf
zogenoemde Feestrollen (Hooglied voor het Paasfeest, Ruth voor het feest der
weken, Klaagliederen voor het vasten vanwege de inneming van Jeruzalem,
Prediker voor het Loofhuttenfeest en Esther voor het Poerimfeest), Daniël (!),
Ezra, Nehemia, 1 en 2 Kronieken).
Wij kennen in de Nederlandse vertalingen van
het Oude Testament van de bijbel de volgende indeling:
-historische boeken
-dichterlijke boeken
-profetische boeken
De plaats van het lijden
Het boek Job behoort dus tot de Geschriften.
In dit boek wordt met name het lijden van de mens met betrekking tot God naar
voren gebracht.
We kunnen dan al bijvoorbaat de vraag
stellen: Welke (zinnige) plaats heeft (een ogenschijnlijk zinloos) lijden van
de mens in diens ontwikkeling naar het doel van God?
En direct daaraan gekoppeld de vraag: Wat is
de plaats van God in het lijden van de (gelovige) mens?
En dan met name de mens, die vroom en oprecht
is en naar de wil van God leeft, zoals Job. En dan nemen we het begrip lijden
in de breedste zin van het woord, dus op velerlei manier, geestelijk, fysiek en/of
lichamelijk.
Moeten we als christenen bij het lijden van
de (gelovige) mens er wellicht van uitgaan, dat God dit lijden zelf bewerkt of
op zijn minst toestaat om ons op één of andere wijze daardoor te vormen?
Of moeten we wellicht het standpunt van de
Heidelbergsche Catechismus als geldend uitgangspunt nemen?
Daarin staat onder andere der vraag: Wat
verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
En het antwoord is dan: 'De Almachtige en
alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle
schepselen, als met Zijn hand nog onderhoudt en alzo regeert, dat loof en gras,
regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid
en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij geval (toevallig),
maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen'.
Zoiets van: 'God doet Zijn eigen wil en legt
daarvoor geen verantwoording af aan de mens'. En omdat het van God komt, hebben
wij als mens dat maar te accepteren en moeten we hem daarvoor zelfs nog
bedanken. Of moeten we trachten met behulp van de gegevens in de bijbel een
goed gefundeerd antwoord zien te krijgen op bepaalde vragen over het lijden van
de mens, zonder daarbij af te doen aan de realiteit daarvan, hoe dit zich ook
aandient.
Job en het lijden
Wanneer we enkele hoofdpunten uit het boek
Job als leidraad nemen voor een paar bijbelstudies, dan willen we vooral de
lessen daaruit leren, die ons meer inzicht geven in het plan van God met de
mens in het algemeen, maar vooral ook met de mens in het bijzonder, dus u en ik
als afzonderlijke gelovigen.
Ik realiseer mij daarbij heel goed, dat er
ook aan het eind van deze lessen nog vragen over zullen blijven. Maar dat
prikkelt ons temeer om hier biddend mee bezig te zijn en ook op deze dingen een
duidelijk zicht te krijgen,
Wie was Job? We kennen Job vanuit het Oude
Testament van de bijbel. De naam Job betekent vanuit het Hebreeuws: 'Hij, die
vijandig bejegend wordt' of ' Hij, die een vijand heeft'! Die naam wordt dus
wel heel duidelijk bewaarheid in zijn leven, zo blijkt uit de inhoud van het
bijbelboek. In het Syrische kan Job echter ook betekenen: 'Geliefde!' En ook
dat komt in het boek Job duidelijk naar voren: Job is een geliefde van God! Een
door God beminde!
Geestelijke status
Vier kernwoorden typeren de geestelijke
status, die van Job wordt vermeld (1:): Vroom! Oprecht! Godvrezend! En wijkende
van het kwaad!
- Vroom betekent gewoon: eenvoudig.
Onverdeeld, enkelvoudig!
- Oprecht duidt aan: Een man uit één stuk! In
zijn oprechtheid en geloof in God een 'leesbare brief' voor alle mensen om hem
heen. Zoals ook wij vanwege het evangelie dat wij kennen een 'leesbare brief'
van Christus behoren te zijn (2 Cor.3: 1-2).
- Godvrezend! Job houdt rekening met de
uitgangspunten van God met betrekking tot de mens. Hij leeft niet alleen zelf
heilig voor God, maar omdat hij hijzelf heiligt, is hij ook in staat om anderen
te heiligen, die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Zoals zijn kinderen.
Als Job vermoedt, dat ze zich mogelijk besmet
hebben met dingen van het aardse leven, die hen wellicht van God hebben
afgetrokken, dan brengt hij voor ieder van hen een brandoffer om zo verzoening
over hen te doen (1:5).
Een vraag: Hoe doen wij dat ten opzichte van
onze (wellicht ongelovige) huisgenoten (man, vrouw, broers, zusters, kinderen)?
Paulus zegt immers, dat zolang de ongelovige huisgenoot zich schikt onder het
gezag van de gelovige, deze in hem/haar geheiligd is (vgl. 1Cor. 7:14).
Job is ook
- wijkende van het kwaad!
Dat is dus een bewuste eigen genomen
beslissing om dingen niet te doen en zelfs consequent uit de weg te gaan, als
daar het vermoeden bestaat, dat ze schadelijk zijn voor de innerlijke mens in
diens ontwikkeling tot het doel van God. HEILIGEN IS AFZONDEREN VAN HET KWAAD.
Aandacht van de duivel
Deze man Job trekt (uiteraard) in de hemelse
gewesten de specifieke aandacht van de duivel. Deze trekt immers voortdurend
rond in de wereld van de mensen, zoekende wie hij zal kunnen verslinden, dus
uit de sfeer van God wegtrekken door 'van alles en nog wat', dat (kerkelijke)
traditie, media en moderne theologie te bieden hebben of zelfs voorschrijven.
Petrus schrijft in zijn brieven aan de gelovigen: 'Uw tegenpartij, de duivel,
gaat rond als een brullende leeuw, zoeken wie hij zal (kunnen) verslinden (1
Petrus 5:8). Die instelling ten opzichte van de mens heeft de duivel al vanaf
de schepping van de mens. Daarbij vermomt hij zich maar al te vaak om zich niet
te doen ontdekken en onopgemerkt zijn werk te kunnen doen.
Zelfs kan hij zich vertonen alsof hij een
'engel des lichts' is. Dus als het ware met een positieve instelling ten
opzichte van de mens. Net als mensen zich kunnen voordoen als schijnapostelen,
zo kan ook de satan zich voordoen als een engel van het licht, al is hij een
wezenlijke macht van de duisternis (2Cor. 11:12-15).
Tot zover ons eerste artikel over het boek
Job. In deel 2 gaan we echt beginnen met het naar voren halen van aspecten uit
het boek Job, die wij ook mee kunnen maken. We willen dan gaan zien, hoe ook
wij in bepaalde situaties ons op kunnen en mogen stellen als kinderen Gods
temidden van de strijd en moeite die de duivel op onze weg brengt.
Verhouding
tussen mens en engelen
Het boek
Job in het licht van het evangelie
Deel-2
terug naar begin mei/juni
Uit de context van de bijbel leren we, dat er
drie afzonderlijke wezens zijn: God, mens en engel. Dat komt ook in Job 1 vers
6 tot 12 naar voren.
Zowel het wezen mens als engel hebben elk een
duidelijk door de Schepper afgebakende taak en bestemming.
Het wezen mens is bestemd om in verbinding
met God te heersen over de werken van God 's scheppende hand (Gen.1: 26-28;
Joh.6: 27-29;9:4; 1Cor.12). Het wezen engel echter is bestemd om de mens te
dienen in die opdracht.
DE WERKEN GOD 'S WORDEN GEREALISEERD DOOR HET
'LICHAAM VAN CHRISTUS'.
Engelen worden in het Oude Testament van de
bijbel wel aangeduid als 'morgensterren' en als 'zonen God 's' (Job 38:7).
De val van Lucifer
In Jesaja 14 vers 12 (Septuaginta) wordt
volgens veel bijbel uitleggers de val van de engelenvorst Lucifer weergegeven.
Deze vooraanstaande engel wordt algemeen als de latere duivel en satan gezien.
Zo worden er in de bijbel drie aartsengelen
genoemd: Lucifer, Gabriël en Michaël. Lucifer (lichtdrager) is dan door zijn
opstand tegen God tot duivel en satan (tegenstander) geworden. Zijn val vanaf
zijn hoge engelenpositie in de eeuwigheid vóór de schepping van de mens werd
mogelijk veroorzaakt, doordat hij zich als wezen engel niet ondergeschikt wilde
maken aan de door de Schepper beoogde positie van de mens.
Ik stel me de val van Lucifer daarom als
volgt voor: Toen de Schepper in de eeuwigheid de positie van de aarde bepaalde
als woonplaats voor het toekomstige wezen mens, waren de engelen vol
verwondering en jubel aanwezig; ook Lucifer als vooraanstaande en wellicht
hoogst geplaatste engelenvorst.
In Job 38 vers 4 tot 7 antwoordt de Schepper
Job vanuit een storm. De tekst luidt letterlijk vanuit de Septuaginta (Griekse
vertaling van het Oude Testament in circa de derde eeuw vóór Chr.): " Waar
waart gij toen Ik de aarde fundeerde? Vertel het Mij, als gij de kennis daartoe
hebt. Wie bepaalde de afmetingen daarvan, als gij het weet. Wie strekte over
haar een meetsnoer uit? Waarop zijn haar grondvesten neergelaten en wie was
het, die de hoeksteen heeft gelegd? Toen de sterren werden gemaakt, prezen al
mijn engelen Mij met een luide stem"... Dus ook Lucifer als ' beschuttende
cherub' temidden van de 'vlammende stenen' op de 'berg der goden', zoals hij in
Ezechiël 28 vers 16 wordt voorgesteld.
De engelen zouden weliswaar tot 'winden' en
tot een 'vuurvlam' zijn, maar de Zoon des ménsen zou de 'koninklijke scepter'
ontvangen en de plaats aan God 's rechterhand innemen. De plaats notabene, die
Lucifer zich eigen wilde maken door zich 'boven de sterren Gods' te willen
verhogen en zich aan de Allerhoogste gelijk te stellen. (Jes.14:13,14).
De hoge status van de mens
Naarmate de schepping van de 'aarde' vorderde
als 'woonplaats' voor hert wezen mens en deze namens de Schepper daarover als
wettige beheerder zou gaan functioneren, werd steeds meer duidelijk, dat het
wezen mens uiteindelijk zou uitgroeien van een status 'kind van God' tot een
veel hogere status 'zoon van God', dus aan de Allerhoogste gelijkvormig. Het
wezen mens zou ook 'erfgenaam van God' zijn, een 'afdruk en afstraling' van
Diens wezen en heerlijkheid (vgl. Hebr. 1:3). Dus naar God 's beeld en
gelijkenis, zoals de Schepper van oorsprong bedoelde (Gen. 1:26).
Alle engelen (ook dus Lucifer als
engelenvorst) zouden daarom de mens moeten huldigen vanwege diens hogere
positie. Het wezen engel zou in de verhouding tot de Schepper en als éérdere
schepping toch ondergeschikt zijn aan het later geschapen wezen mens. De
engelen zouden de mens in diens ontwikkeling tot zoonschap moeten beschutten en
dienen. De mens zou tot 'zoon van God' worden en zich in die positie mogen
stellen aan de rechterhand van de majesteit in de hoge, wat voor de engelen
niet is weggelegd (Hebr. 1:1-14).
Lucifer dacht zich als engel het hoogst
denkbare wezen in God 's schepping, maar hij bleek niet alleen ondergeschikt te
moeten zijn aan het ná de engelen geschapen wezen mens, maar dit ook nog tot een
'slechts beschuttende cherub' te moeten zijn temidden van de andere 'vlammende
stenen'.
Door deze ontwikkeling in de schepping stokte
de jubelzang van deze 'morgenster' en 'zoon van de dageraad'. Er kwam jaloezie
in het hart van Lucifer. Hij werd als het ware 'op de proef gesteld' en kwam
daar niet goed doorheen. Zijn vermeende eer en trots werden gekrenkt. Er kwam
onrecht in zijn hart en hij raakte vervuld van geweldenarij ten opzichte van de
mens. Hij kwam tot zonde en afval van God (Ez.28:15 e.v.).
Hij verloor daardoor zijn positie en werd
verbannen vanaf de 'berg der goden'. Zijn bestemming is sindsdien om te worden
'neergeworpen' tot in het 'diepst der groeve' ( de poel des vuurs) (Jes.14:15;
Openb. 20:10,14). (Lees met betrekking tot de val van Lucifer voor uzelf de
profetieën van Jesaja 14 en Ezechiël 28 over de 'koning van Babel' en de 'vorst
van Tyrus').
De mens in de hof van Eden
Niet alleen het wezen engel werd 'op de proef
gesteld', toen bleek dat de Schepper een hoger staand wezen ging scheppen, dat
door de engelen 'gediend' moest worden. Later gebeurde dit ook met het wezen
mens in diens ontwikkeling tot zijn goddelijke bestemming. Toen de tijd
daarvoor door de Schepper rijp werd geacht, werd het wezen mens namelijk in de
zogenoemde 'hof van Eden' geplaatst. Daar zou hij geconfronteerd worden met de
bestaande geestenwereld, zowel in het positieve als in het negatieve.
De 'hof van Eden' is de stoffelijke
voorstelling van geestelijke zaken en wordt ten onrechte ook wel paradijs
genoemd, maar was dat bij lange na niet. De aanduiding 'paradijs' komt slechts
drie keer in de bijbel voor:
- De eerste keer, toen de Heer Jezus aan het
kruis hing en aan de gelovige moordenaar naast Hem beloofde, dat deze 'heden
met Hem in het paradijs zou zijn' (Luk.23:43).
- Vervolgens sprak de apostel Paulus over het
'paradijs' waarin hij in de geest was weggevoerd en 'onuitsprekelijke dingen'
hoorde (2Cor.12:4).
- Ten slotte wordt in Openbaring 2 vers 7 de
aanduiding paradijs genoemd: "Wie overwint, hem zal ik geven te eten van de
boom des levens die in het paradijs Gods is".
In de 'hof van Eden' komt weliswaar de 'Boom
des levens' voor, maar ook nog de 'boom van kennis van goed en kwaad', waarvan
de mens volstrekt niet mag 'eten'. En ook kan in de 'hof' de duivel nog actief
zijn om de mens te misleiden en van God af te trekken. Dit is in het 'paradijs
Gods' onmogelijk. De 'hof van Eden' is daarom een schaduwbeeld van de 'hemelse
gewesten' te noemen.
We kennen het trieste gevolg van de
zogenoemde 'zondeval' van Adam en Mannin, welke later de naam Eva kreeg. De zonde kwam de wereld van de mens binnen en door de zonde de dood
en deze kon doorgaan tot alle mensen, omdat niemand de zondemacht (duivel) kon
weerstaan en de claim van (de) Dood kon ontgaan (Rom. 5:12 e.v.)
Ook in de tijd van Job was de duivel als
vijand van de mens actief om hem zover te brengen, dat hij God zou
verloochenen. Zelfs misbruikte de duivel daarvoor de vrouw van Job, die als
gevolg van alle ellende, die over haar gezin werd uitgestort, vertwijfeld en
verbitterd uitriep: 'Hoe kun je nog in die God geloven, die zoveel ellende
bewerkt. Zeg Hem vaarwel en sterf maar, want dat is beter dan dit' (naar Job
2:9).
Job geeft God niet de schuld
Net als menige gelovige in onze dagen schreef
de vrouw van Job de oorzaak van alle ellende aan God toe. Immers uit Zijn hand
zou men zowel het kwade als het goede moeten aanvaarden. Maar hoewel ook Job
zelf geen helder zicht had op de dingen, die hem overkwamen, weigerde hij God
de schuld te geven. 'Hij zondigde met zijn lippen niet', staat er (2:9,10).
Ook in de tijd van de apostel Petrus blijkt
de instelling van de duivel nog precies hetzelfde als in de tijd van Job, want
deze apostel waarschuwt de gelovigen: 'Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als
een brullende leeuw, zoekende wie hij zal (kunnen) verslinden. Wederstaat hem echter, vast in het geloof (net als Job), wetende,
dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten (niet
door God, maar door de duivel)' (1Petr.5:9).
Ook wij als gelovigen in de Heer ervaren nog
steeds het briesende geweld van de duivel. Wellicht is hij in onze tijd nog
meer actief dan voorheen, want hij weet dat zijn dagen geteld zijn en zijn
einde nadert in de 'poel des vuurs' als eeuwige afgrendeling van enige vorm van
licht en leven.
Daarom wil hij nog zoveel mogelijk mensen van
God aftrekken en met zichzelf meesleuren de diepte in. Hij weet namelijk, dat
hij door middel van de mens, welke hij eigenlijk zou moeten dienen, zal worden
uitgeworpen tot in deze 'buitenste duisternis', waar slechts 'geween is en
knersing der tanden'.
In de 'volheid van de tijd', die God al
direct na de zondeval in de 'hof van Eden' aangaf, werd de duivel dan ook
geconfronteerd met de 'Zoon des mensen', die ook tot 'Zoon van God' werd door
de vervulling met de Geest van God. Dus wel aan de Allerhoogste gelijkvormig.
De haat van de duivel
Zijn verlies in deze confrontatie heeft de
duivel geleerd, dat zijn uiteindelijke verwerping in de komende 'volheid van de
tijden' ook door de mens zal plaatsvinden. Daarom haat hij de mens in het algemeen, maar zeker de mens, zoals Job en het
'nageslacht' van onze Heer Jezus, die Godvrezend zijn en wijken van het kwaad
dat door hem in de wereld is gebracht.
De duivel siddert voor de éénheid en
onverdeeldheid van de levende God (Jak.2:19). En waar deze door Zijn Geest zich
verbindt met de mens, siddert hij ook voor dit 'zaad van de eerste mens' (vgl.
'zoon des mensen'), dat hem door de kracht van de Geest van God ' de kop zal
vermorzelen' (Gen.3:15).
En vanuit deze angst zal hij de gelovige
mens(heid) benauwen en zolang hij daartoe in staat is, 'de hiel vermorzelen',
dus in het voortgaan tot het doel van God belemmeren en mogelijk geheel daarvan
afhouden. Hij is temeer actief naarmate zijn tijd nadert. Op alle mogelijke
manieren, zelfs vermomd als 'engel van het licht', is hij bezig mensen gevangen
te nemen in zijn netten. En hij slaat zijn oog specifiek op mensen, net als
Job:
a. zichzelf heiligen, dus afzonderen van
alles, wat tegen de bedoeling van God ingaat.
b. zuiver willen leven naar de bedoeling van
God.
c. ook voor anderen op de bres staan en hen
daardoor ook heiligen en trachten te redden van de ondergang, zodat ze niet
meegesleurd worden door de machten der duisternis.
Het boek Job schildert als aanloop enkele
taferelen, zowel in de hemel als op de aarde. In deze taferelen worden de
dingen achter de dingen duidelijk. We lezen dan in dit boek over 'zonen Gods',
in dit geval engelen, die zich voor de troon van God moeten verantwoorden over
hun bezigheden op aarde, het domein van de mens.
De
veroorzaker van het lijden
Het
boek Job in het licht van het evangelie
Door
Hessel Hoefnagel
Deel-3
Op ‘zekere dag’ komen in het verhaal over
Job de zonen Gods (engelen in dit verband) om zich voor de Here te stellen (Job
1:6). Zoiets als van de baas, die een het eind van de werkdag zijn personeel
bij elkaar roept en ieders bevindingen navraagt en weer nieuwe instructies
geeft.
Afzonderlijk wordt dan gesteld, dat ook satan
zich onder hen mengt. Hij is een engel tussen de anderen, maar hij valt direct
op, zeker bij de Here God. Duidelijk is dat waar
zonen Gods zich openbaren, ook satan tracht zich te manifesteren.
En dan wordt satan naar voren geroepen om
verantwoording af te leggen aan de ‘grote Baas’. “Wat heb jij gedaan vandaag?
Waar ben je geweest? Heb je ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand
op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het
kwaad”.
De vraag komt naar boven: waarom attendeert
de Here God de satan op Job? Het is echter niet de Here God, die satan moet
attenderen op Job, want uit het antwoord van satan blijkt, dat deze zeer goed
weet, wie Job is, hoe godvrezend hij is, hoe oprecht en welk een afstand hij
neemt van alles wat tegen de wil van de ware God in gaat. Gewoon als mens
tussen de mensen en niet omdat Job het bestaan van een duivel achter de
verleidingen tot zonde ziet.
De
overste van de wereld
Toen de Here God de schepping van hemel en
aarde voltooid had en alles daarin en daarop functioneerde, zoals Hij het
bedoelde, stelde Hij de mens aan als beheerser van de aarde en alles wat daarop
was. De mens was dus de wettige overste van de wereld´.
Sinds de zondeval van de mens echter is deze
zijn heerserspositie kwijtgeraakt en is hij tot een slaaf van de zondemacht (satan)
geworden. De aarde is sindsdien omwille van deze ongehoorzaamheid van de mens
aan de bedoeling van de Schepper ´vervloekt´, dat wil zeggen onder de claim van
de zondemacht gekomen. Satan is sindsdien de wederrechtelijke ´overste der
wereld´ in plaats van de mens. De mens is ondergeschikt geworden aan de duivel
en daardoor gedoemd te sterven. Sterven
is komen onder de claim van de dood(smacht)!
Als de mens zondigt, treedt er namelijk een
geestelijke wetmatigheid in werking. Dat is de ´wet van de zonde en de Dood´.
Deze brengt de mens onder de claim van de Dood. In tegenovergestelde zin geldt:
Als de mens zich tot God bekeert, treedt de wet van ´de geest van het leven´ in
werking op basis van het volbrachte werk van Jezus Christus (Rom.8:2).
De Dood is de ‘laatste vijand’, die teniet
gedaan wordt, dus geworpen wordt in de ‘poel des vuurs’. Als er sprake is van
een ‘laatste’ vijand, moet er ook een ‘eerste’ vijand van God en mens zijn. En
dat is de zonde(macht), die de wereld is binnengekomen als gevolg van de
ongehoorzaamheid van de eerste (nog niet wederom geboren) mens. En de
zondemacht zette de poort open voor de Dood(smacht), zodat deze kon gaan
heersen in de wereld van de mens (Rom.5:12-14, 17-21; 1 Cor.15:21; Openb.
20:13).
Maar zowel de zonde(macht)
als de Dood(smacht) worden door de overwinning van onze Heer Jezus teniet
gedaan, dus uitgeworpen in de eeuwige afgrendeling, de ‘poel des vuurs’ (1 Cor.
15:26; Jes. 25:7,8).
De rechtvaardige Schepper erkent de nederlaag
van ‘de mens in het algemeen’ en de consequenties, die
dit heeft voor de hele schepping. Hij trekt zich als het ware tijdelijk terug
op ‘de mens in het bijzonder’, die in Hem blijft geloven. Daaronder dus ook de
gevallen Adam met zijn vrouw Mannin. Hij geeft ze de zogenoemde ‘moederbelofte’ , die ze in geloof aanvaarden (Gen. 3:15) en
Mannin krijgt van haar man de profetische benaming Eva, dat wil zeggen ‘moeder
van alle levenden’ (Gen.3:20).
De
claim van de Dood
Ook de Heer Jezus erkent de satan als
‘overste van de wereld’, die immers sinds de zondeval van de éérste mens ‘in
het boze’ ligt, dus onder de claim van de Dood. Lees: Joh. 12:31; 14:30 en
16:11). N.B.: een diepere studie over dit onderwerp geeft mij persoonlijk de
indruk, dat ook de satan een ondergeschikte is van de Dood in plaats van
andersom. (De) Dood wordt immers de ‘laatste vijand’ genoemd, die teniet moet
worden gedaan (1Cor.15:26).
En als satan met AL zijn engelen al in de
‘poel des vuurs’ is geworpen, dan moet (de) Dood als ‘gevangenbewaarder’ nog
zijn ‘gevangenen’ loslaten, zodat deze rechtvaardig geoordeeld kunnen worden.
Pas daarna wordt (de) Dood in de poel des vuurs geworpen (Openb. 20:7-15). In
Romeinen 5 wordt door de apostel Paulus gesteld: ‘de Dood heeft als koning
geheerst’, ook al voordat er een wet was, die de zonde benadrukte. Daardoor kon
de Dood al vanaf Adam gaan heersen over de mens als gevolg van diens
overtreding. Zijn claim lag als een sluier over de schepping en de zonde(macht),
(satan) kon
eveneens heersen over de mens vanwege die claim van de Dood.
De vertaling van Romeinen 5 vers 21 luidt dan
ook bij sommige bijbelvertalingen: ‘… opdat, gelijk de zonde(macht)
heerschappij voerde in het rijk van de Dood …’. En in Hebreeën 2 vers 14 (Statenvert. en Luthervert.) wordt
van satan gezegd: ‘… die het geweld van de Dood had’, dus werkte met het geweld
van de Dood en niet, zoals de NBG-vertaling stelt:
‘…die de macht over de Dood had’.
Na de opstanding van de Heer Jezus komt de
uitdrukking ‘overste van de wereld’ voor satan in de bijbel niet meer voor. Wel
wordt hij de ‘overste van de macht der lucht’ (hemelse gewesten) genoemd, tegen
wie wij te strijden hebben (Ef.2:2). Sinds Zijn
opstanding en plaats op de troon van God is onze Heer Jezus de ware ‘Overste
van de wereld’ en namens Hem de ‘zonen Gods’, naar wiens openbaring de
schepping als in barensnood zuchtend verlangt (Rom. 8:18-21).
Wat de éérste Adam (mens) verzaakte,
volbracht de láátste Adam (MENS!). Hem is vanwege Zijn overwinning over satan
en Dood immers gegeven ‘alle macht in hemel en op aarde’, zoals Hij ook zelf
tegen Zijn discipelen zei: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op
aarde’(Matth. 28:18).
De
koningen van de aarde
En in Openbaring 2 vers 5 wordt Hij de ‘Overste
van de koningen der aarde’ genoemd, aan wie ‘engelen, machten en krachten’ (dus
ook duivelen) onderworpen zijn (1 Petr.3:22). De ‘Koningen van de aarde zijn de
‘zonen Gods’, die met het Hoofd samen het totale
‘lichaam van Christus’ vormen.
Ook de Dood werd van zijn
‘kracht’ of geweld beroofd, waardoor weer het oorspronkelijke, onvergankelijke
leven aan het licht kwam (komt) als gevolg van de prediking van het ware
(volle) evangelie van licht en leven (2Tim.1:10).
Zo komen we weer bij die vraag: Waarom wordt
satan opmerkzaam gemaakt op Job?
We hebben al gezien, dat er geen sprake is
van een specifiek ‘aandacht vestigen op’, maar veel meer van een ‘tot
verantwoording roepen van’! God wil aandacht voor Zijn knecht Job in de hemelse
gewesten. Zoals Hij dat ook wil voor u en mij, die Hem dienen. Satan is dus
sinds zijn nederlaag aan het kruis van Golgotha niet meer de ‘overste van de
wereld’, al doet hij nog wel alsof. Integendeel, hij wordt door God bewust
geconfronteerd met de opgroeiende ‘zonen Gods’, want door middel van hen en met
behulp van de ware engelen Gods zal hij worden uitgeworpen in de ‘buitenste
duisternis’.
Om deze reden moeten wij ons niet verbazen,
als wij ook net als de eerste en de laatste Adam in velerlei verzoekingen
vallen. Daardoor wordt ons geloof namelijk een beproefd geloof en we leren
daardoor te volharden in ons geloof.
Daarin hebben wij het voorbeeld van Job, die
bleef vasthouden aan zijn rechtvaardigheid (Jak. 1:2).
Job is
voorbeeld voor ons
Het is goed om ook Jacobus 5 vers 7 tot 11 te
lezen. Hier wordt het geduld van Job ons ten voorbeeld gesteld, evenals de
gelatenheid en het geduld van de profeten, die in de
naam des Heren gesproken hebben. In het boek Job wordt in profetische zin
duidelijk gemaakt dat de mens Gods centraal staat in de hemelse gewesten en
daar in zijn ontwikkeling tot het doel van God wordt tegengestaan en gehinderd
door de satan.
Job is dan ook een typering, niet alleen van
onze Heer Jezus als ´zoon des mensen´ , maar ook van
ieder die naar het beeld van het zoonschap Góds streeft.
Satan wordt bewust geconfronteerd met de
kinderen Gods. Deze hebben daardoor enerzijds lijden te
verduren, maar anderzijds worden zij geoefend in het onderscheiden van goed (de
sfeer in het Koninkrijk van God’) en kwaad [ de sfeer van de (wederrechtelijke)
beheersgebieden van satan en Dood]. Je zou misschien geneigd zijn te
denken, dat God in de situatie, die geschilderd wordt in het eerste hoofdstuk
van Job, een soort overeenkomst aangaat met de duivel. Maar dat is geenszins het geval, want dat zou in tegenspraak zijn met
het karakter van God. Onze God namelijk:
-bewoont een ontoegankelijk licht,
-kent geen zweem van verandering of ommekeer
-brengt zelf ook niemand
in verzoeking (Jak. 1:13-17).
Proces van ontmaskering
Onze God werkt van uit
een bepaald uitgangspunt en met een bepaald doel. En de mens staat daarin
centraal. Het gegeven in het boek Job duidt veeleer op een proces van
ontmaskering van satan.
Satan probeert zich te
verbergen en vanuit een duistere omhulling zijn werk te doen. Maar onze God
haalt hem voor het voetlicht! ‘Vertel maar eens openlijk, waar je mee bezig
bent’.
Onze God is één!
Ongedeeld, heilig en zuiver. Daarvoor sidderen de duivelen, want zij zijn enkel
haat en verdeeldheid, leugen en bedrog. En ze sidderen ook voor mensen als Job,
die daarbij ook nog vervuld zijn met de Geest van de levende God. De duivelen
ervaren God in zulke mensen en daarom sidderen ze voor deze heiligen Gods, die hen met
behulp van de heilige engelen doen belanden in de eeuwige afgrendeling, de
´poel des vuurs´.
De duivel weet, dat zijn
einde nabij is en hij kan niet anders dan het ´vlees´aantasten, zoals
létterlijk bij Job gebeurde. Maar de aanduiding ´vlees´ is méér dan alleen maar
het aardse lichaam. Het duidt een gezindheid aan, die in plaats van naar bóven
(naar de dingen van God) naar benéden (naar de begeer-lijkheden
op aarde) gericht zijn. Ook wij moeten daarom leren om ons in ons geloof niet
te richten op ‘het vlees met zijn begeerten’, maar dit integendeel ‘kruisigen’,
zodat onze nieuw geboren innerlijke mens kan uitgroeien tot geestelijke
volwassenheid en geschiktheid voor het Koninkrijk Gods. (Lees Jakobus vers 13
tot 16).
Wie was Job?
Nu iets over de persoon
en de gezindheid van Job. De naam Job betekent ‘gehate, vijandig bejegende,
vervolgde, aangevochtene’. Job woonde in Uz, dat betekent: ‘EEN vruchtbaar
land’, in het oosten. Hij was de rijkste mens van al de bewoners van het
oosten. En hij diende God onberispelijk. God zelf getuigde van hem: ‘Niemand op
aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad’
(Job2:3). We zien hier vergelijkingen met de begintijd. Toen deed de Here God
de éérste mens (Adam) ook wonen in EEN vruchtbaar land in het oosten. We kennen
dat uit de bijbel als de ‘hof van Eden’ (Gen.2).
We zien ook
vergelijkingen als we naar onze Heer Jezus kijken. Hij is de láátste Adam en
Hij leefde in het vruchtbaarste land, wat in de hemelen maar te bedenken is,
namelijk: het Koninkrijk van God.
Jezus was van jongs af
aan onophoudelijk bezig met de dingen van de Vader in de hemelen. Hij was
daarom geheel ‘van boven’, niet van deze aarde. Dat is ook onze roeping
vandaag: ‘… bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want
gij zijt gestorven en uw leven is met (in) Christus verborgen in God’ (Kol. 3:
1-3).
De ‘hof van Eden’en het
land Uz zijn schaduwbeelden van de ‘hemelse gewesten’ (Efezebrief).
Adam en Job zijn dan ook schaduwbeelden van DE MENS NAAR GODS OORSPRONKELIJKE
BEDOELING, die bewust in deze geestelijke wereld geplaatst wordt. Daar ervaart
de mens, die op de ware God gericht is, enerzijds de vrede, gerechtigheid en
blijdschap van het Koninkrijk van God. Anderzijds ervaart hij daar de
verleiding en subtiele invloed vanuit het rijk der duisternis.
De mens – in - Christus
wordt immers gezegend met ‘allerlei geestelijke zegeningen’in de hemelse
gewesten (Efez.1:3). Hij moet echter net als de eerste Adam ook zijn / haar
‘hof’ ‘bewerken en bewaren’, dus
- op de juiste wijze
beheren,
- afstand nemen
tot de ‘boom van kennis van goed en kwaad en
- vooral niet éten’van de
vrucht van deze boom (Gen.2:5-17).
De mens in Christus
De mens
– in – Christus wordt net als de éérste Adam in de hof, bewust in die hemelse
gewesten geplaatst om daar in de komende eeuwen (dat is de tijd, waarin wij nu
leven) ‘DE OVERWELDIGENDE RIJKDOM VAN Gods genade’te tonen, dus naar buiten te
laten zien in overeenstemming met Zijn goedertierenheid over ons in Christus
Jezus (Efez. 2:7)
De mens – in – Christus is in totaliteit de
gemeente van Jezus Christus en door middel van dit ‘lichaam van Christus’ wordt
de bediening van het ‘geheim van God’ openbaar. Dat geheim is van eeuwen her
verborgen gebleven in de Schepper van alle dingen, maar het wordt door middel
van de gemeente van Jezus Christus als een ‘veelkleurige wijsheid’ bekend
gemaakt (geproclameerd) aan de ‘overheden en machten’ in de hemelse gewesten
(Efez. 3:9-11).
Jezus zelf is het hoofd van dit lichaam. En deze ware
gemeente wordt in de hemelse gewesten bewust geconfronteerd met de (vaak
subtiele) invloed van het rijk der duisternis en de invloed van het rijk van de
Dood.
Het ‘geheim van God’ betreft de invulling van
het ‘eeuwig voornemen’van onze God. In dat geheim had ook Job een plaats als
schaduwbeeld. Maar dit geheim wordt ‘in onze Heer Christus Jezus’ in WERKELIJKHEID uitgevoerd
(Efez. 3:10).
De Heer Jezus was na Zijn vervulling met de
Geest van de Vader in de ‘gestalte Gods’ ( de mens, zoals de schepper die zich
van oorsprong in gedachten heeft) en kon zich daarom aan God gelijk stellen.
Ter wille van de realisatie van het ‘eeuwig voornemen’ van de Vader heeft onze
Heer echter vrijwillig deze heerlijkheid afgelegd. Hij heeft zichzelf
‘ontledigd’en is vrijwillig ‘neergedaald naar het
‘aardse niveau’ van de (gelovige) mens. Deze lag vanwege de zondeval van de
éérste Adam immers nog onder de verderfelijke claim van de Dood. Hij nam ter
wille van ons de ‘gestalte van een dienstknecht’ aan
(Filip. 2:5-11)
In de
hemelse gewesten
Onze Heer ging ter wille van het eeuwige doel
van de Vader alle ‘hemelen’ door. Hij begon Zijn strijd tegen de duivel en de
Dood in de ‘eerste hemel’, de door Paulus genoemde
‘HEMELSE GEWESTEN. Hij bood weerstand tegen de ‘smaad en verschrikking’ van de
boze geesten, die Hem daar voortdurend omringden. Denk maar aan de climax
daarvan toen hij aan het kruis hing tot een spot en smaad voor de mensen. Toen
benauwden Hem de ‘stieren’en ‘buffels’van Basan en omringden Hem de ‘honden’en
een ‘verscheurende brullende leeuw’(Ps. 22) Daarna daalde Hij neer in de ‘hemel
van de Dood’, dat is HET DODENRIJK. Terwijl zijn lichaam nog aan het kruis hing
en in een graf werd gelegd, werd Hij echter weer verbonden met de Geest van de
Vader en proclameerde Hij de overwinning van het Koninkrijk van God aan de
‘geesten in de gevangenis’.
De óngehoorzame geesten moesten Hem als Heer
erkennen en werden beschaamd; vele lichamen echter van de géhoorzame geesten
werden opgewekt door deze proclamatie en vertoonden
zich in de ‘heilige stad’(pas op! Dat duidt niet op het aardse Jeruzalem, dat
net de Heer gekruisigd had). (Vergelijk 1 Petr. 3:18b-19 eens met Matth.
27:52-53).
De Heer Jezus verbrak de ‘weeën van de Dood’
(Hand. 2:24), dus de claim, welke de Dood sinds de ‘zondeval’ van de éérste
Adam had over de hele schepping, inclusief de mens als de door God bedoelde
wettige heerser daarover.
Hij kwam in majesteit door Zijn glorieuze
opstanding weer tevoorschijn en zette zich tenslotte
aan de Rechterhand van de ‘Majesteit – in – de hoge’. Dat is de ‘troon van
God’, waar Hij ‘gezeten is’om het rechtvaardig oordeel
over alle mensen te voltrekken. Onze Heer kreeg uit de hand van de Vader ‘alle
macht in hemel en op aarde’. Hij is ‘opgevaren, ver boven alle hemelen’, om
alles tot volheid te brengen (Efez. 4:9-10).
Als ook wij ín Christus’ willen zijn, zullen
ook wij allereerst bewust worden geplaatst in de hemelse gewesten. Daar begint
ook onze glorietocht, het Lam achterna, de hemelen door. Daartoe moeten wij
allereerst de ‘wapenrusting Gods’ aandoen om evenals onze Heer te kunnen
standhouden tegen de (listige -SV) ‘verleidingen des duivels’. Ook wij worden
geconfronteerd met en hebben te worstelen tegen de ‘overheden, machten,
wereldbeheersers der duisternis’, kortom tegen de ‘boze geesten in de hemelse
gewesten’.
Gods
wapenrusting
We moeten bewust deze ‘wapenrusting Gods’
hanteren om weerstand te kunnen bieden ‘in de boze dag’. Ieder van ons ervaart
op één of andere manier deze ‘boze dag’, dat is het moment of periode, waarin
je persoonlijk wordt aangevallen, hetzij fysiek (lichamelijk) of psychisch (in
je geestelijk en/of je
zielsleven).
-
we moeten onze
‘lendenen omgorden met de waarheid’;
-
ons bekleden met
‘het pantser der gerechtigheid’;
-
onze voeten
schoeien ‘met bereidvaardigheid van het evangelie van de vrede’;
-
het ‘schild van
geloof’ hanteren om de ‘brandende pijlen’ van de boze
te kunnen doven’;
-
de ‘helm des
heils opzetten, zodat ons denken helder blijft en niet wordt verdoofd door de
vele informatie, waarmee we worden benaderd’;
-
het ‘zwaard des
Geestes (het Woord van God)’ ter hand nemen en vooral bij dit alles
-
‘aanhoudend
bidden’ in onze geest en daarbij voortdurend
-
waakzaam zijn en
blijven volharden (Efez. 6:10-20).
·
Adam was de mens,
die namens God optimaal kon heersen over het ‘vruchtbare land’ in de ‘hof van
Eden’. Daartoe had hij alle vermogens van de schepper ontvangen. Hij was de
mens die de Here God kende ‘aan de wind des daags’, de ‘avondkoelte’ (Gen.
3:8).
·
Job was de
‘rijkste man van het oosten’ en woonde net als Adam in het ‘vruchtbare land’ in
het land Uz.
·
Jezus leefde
innerlijk in de ‘heerlijkheid van het Koninkrijk van God’ door de vervulling
met de Geest van de Vader.
·
De ‘mens in
Christus’ leeft innerlijk ook in dit zeer ‘vruchtbare land’, namelijk in de
vrede, de waarheid en de gerechtigheid van het Koninkrijk van God.
Beeld van de hemelse mens
Dat ‘vruchtbare
land’ ligt dus in het oosten! Daar waar de zon opgaat! Waar de mens God
ontmoet! En dat is ‘in Christus’, dus in het ‘lichaam’ waarvan de Heer Jezus
het Hoofd is. Vanuit het ‘oosten’ komt voor de rechtvaardigen de ‘zon’ op en
straalt, eerst als het ‘glanzende morgenlicht’, maar dan doorgaand totdat de
‘volle dag’ aanbreekt (Spr. 4:18). En in deze volle dag zal de ‘blinkende
Morgenster’ onze harten vervullen ( 2 Petr. 1:19b; Openb. 2:28). Een
onvoorstelbare rijkdom!
Job is dus een
beeld van de hemelse mens, die nog verkeert in het
aardse lichaam (‘aan dat der zonde gelijk’ Rom. 6:6;8:3). Ook Jezus verkeerde
in zo’n lichaam en ondervond daarin de vernedering en
verdrukking als gevolg van de zonde der wereld. En ook de hemelse mens nu
ervaart nog steeds de verdrukking van het verblijf in het ‘lichaam der zonde’,
ook de ‘oude mens’ genoemd.
Job typeert het
belang van het nemen van de juiste keuzes in het leven. Hij koos het goede: de
waarheid van God, ondanks alle blijken van tegen-strijdigheid
daaraan. Hoewel Job niet alles begreep, wat hem overkwam, maakte hij wel de
juiste keus. Hij schreef zelfs in zijn grootste ellende God niets ongerijmds
toe en zondigde met zijn lippen niet. Hij bleef volharden in zijn geloof in God
en kwam na een toetsingsproces ‘als goud’ (goddelijk) te voorschijn (Job 23:10).
Wie net als Job
wil leven, zal evenals hij gehaat worden omwille van de naam van Jezus
(Job=gehate). Maar door ‘volharding tot het einde’ zal hij net als Job het
(eeuwige) leven verkrijgen.
Slot volgt in
Levend Geloof van november/december
Wat we van
Job kunnen leren
Het boek Job
in het licht van het evangelie
Door Hessel
Hoefnagel
Deel 4
(slot)
We hebben in de
vorige artikelen gezien, dat satan de veroorzaker is van al het lijden, dat Job
overkwam, maar ook ons overkomt. Net als in de ‘Hof van Eden’ was bij Job ook
satan aanwezig tussen de ‘zonen Gods, die zich voor de Here stellen’ om op een
subtiele manier Job te beschuldigen en hem daarna binnen de hem toegestane
grenzen waar mogelijk aan te vallen en te beschadigen ( Job 1:6 e.v. ).
Satan is
onophoudelijk de ‘aanklager der broederen’.’Dag en
nacht’staat hij voor de troon van God om Hem te wijzen op alles wat zij (wij)
verkeerd doen. Dat ervaren wij in ons gedachte leven. Belangrijk is hoe je daar
persoonlijk mee omgaat. Want zijn aanklacht is te weerstaan door daar het eigen
getuigenis van het geloof tegenover te stellen:
-
pleiten op het
volbrachte werk van Jezus Christus (het ‘bloed van het Lam’),
-
geloof in de
totale vergeving van zonden en
-
volharden tot ‘de
dood’(Openb. 12: 10b-11).
Als bewuste
christenen, dus gedoopt in de heilige Geest, zijn wij in staat te zien, hoe
vaak de duivel aanwezig is in het lijden, dat mensen (ook christenen) te
verduren hebben. Zijn ‘listen en lagen’zijn ons immers niet onbekend? De massa
mens echter, die God niet kent, houdt geen rekening met de duivel en houdt
zelfs onze goede God maar al te vaak verantwoordelijk voor wat er aan leed in
de wereld plaatsvindt.
Door onwetendheid
wordt zelfs door ‘gelovigen’ het werk van de duivel maar al te vaak
toegeschreven aan de (vermeende) ware God, die op één of andere willekeurige
manier straf oefent, of het nu Zijn kinderen betreft of niet. Uit Zijn hand
denkt men zowel het goede als het kwade te ontvangen, hetgeen
men zelfs in de fundamentele uitgangspunten van menige geloofsgemeenschap heeft
vastgelegd.
Mede uit het boek
Job dienen we echter te leren, dat niet onze God, maar de satan (de ‘leugenaar
van de beginne’) de veroorzaker is het kwade niet verzoekenvan
alle ellende, welke zich in persoonlijke of gemeenschappelijke zin voltrekt in
deze wereld.
Satan is de
tegenstander van de mens! Hij haat de mens en doet er alles aan om te
verhinderen, dat deze het doel van de Schepper bereikt: het openbaar worden als
mens-in-Christus. Hij krijgt weliswaar tot een door onze God bepaalde tijd de
mogelijkheid om deze mens aan te vallen, maar onze God zal nooit toestaan, dat
Zijn kinderen boven vermogen door hem verzocht worden (1 Cor. 10:13). Dat gold
ook Job, hoewel deze nog niet in staat was om áchter de schermen’te kijken! De
duivel probeerde de Here God zover te krijgen om Job aan te tasten en dat
probeert hij nog ten opzichte van de mens door middel van zijn voortdurende
aanklacht. Maar God laat zich door het kwade niet verzoeken en Hij brengt ook
niemand in verzoeking (lees Jak. 1:12-13).
Wel kreeg satan
toestemming Job aan te tasten en zijn bezit af te nemen, maar met de duidelijke
begrenzing, dat hij het leven van Job niet mocht nemen. Daaruit zou God
namelijk een nieuwe Job tevoorschijn doen komen.
Het leven van Job
was dus in bescherming van God tot een bepaald doel (Job 2:6). Datzelfde geldt
ook voor de gelovige nu! Dat moet steeds in ‘het woord van ons persoonlijk
getuigenis’ doorklinken. De duivel kan het voornemen van onze God met
betrekking tot de mens dwarsbomen, maar niet verhinderen. We zien dit onder
andere
-
bij Adam in de
‘hof van Eden’
-
bij Abraham, toen deze werd beproefd in zijn
geloof, maar gelijktijdig door satan verzocht werd om Izak te slachten;
-
bij de ‘verzoekingen van het volk Israël in de
woestijn’ en
-
in vele andere bijbelse voorbeelden.
De duivel moet
zelfs vaak ongewild meewerken aan de voltooiing van het éeuwig
voornemen’van de Schepper met betrekking tot de mens. Om daarna tot zijn eigen
bestemming te komen in de ‘poel des vuurs’ (Matth. 25:41b, Openb. 20:10).
Het
vuur van beproeving
In het geval van
Job kunnen wij als achtergrond de invloed van de duivel lezen, maar de (in God
gelovende!) mensen uit diens omgeving zagen in Job niet anders dan een mens, die wel tegen God gezondigd zou moeten hebben en daarom
door Hem gestraft werd.
Naast het lichamelijk lijden was het in twijfel trekken van zijn
rechtvaardig -heid door zijn vrienden voor Job een veel zwaardere beproeving.
Hij kwam immers helemaal alleen te staan in zijn strijd. Hij is daarmee een
typering van onze Heiland. Hoe kwam immers ook onze Heer Jezus alleen te staan
in Zijn bediening om de ‘zonden van de wereld’ te dragen en de mens weer met
God te verzoenen. Hoe werd Hij al aan het begin van zijn bediening door de
heilige Geest bewust in de ‘hemelse gewesten’ geconfronteerd met de duivel,
welke Hem gedurende vele dagen verzocht in deze ‘woestijn’ (Matth. 4:1-11).
Hij wist echter
door de Geest van God weerstand te bieden in deze ‘boze dag’ door de duivel
steeds weer het Woord van God voor te houden en zich alleen aan Hem dienstbaar
te stellen.
De persoonlijke
vervulling met de heilige Geest, zoals Jezus die ervoer, moest Job nog missen.
Dat feit doet hem in onze waardering alleen nog maar sterker staan in zijn
vasthouden aan zijn rechtvaardigheid voor God.
Ook wij als ‘kinderen
Gods’, die ook de heilige Geest ontvangen hebben, kunnen concluderen, dat wij
onder de toelating van God beproevingen ondergaan en dat daarin onze vijand, de
duivel, maar al te graag ons tracht te verzoeken om onze God en Vader als
‘tegenstander’ te gaan zien. Om Hem de oorzaak van ons lijden aan te wrijven,
in plaats van de boze geesten te ontmaskeren en hen te weerstaan, zo dat zij
van ons moeten aflaten, net als bij Jezus (Matth. 4:11; Jak. 4:7).
Het ‘vuur van
beproeving’ maakt kinderen Gods sterk en bekwaam tot hun hoge roeping. Onze God
heeft alles in de hand en Hij zorgt ervoor, dat we niet boven vermogen verzocht
worden. Hij zorgt met de verzoeking ook voor de uitkomst zodat we er tegen
bestand zijn (1 Cor.10±12/13’
Dat leren wij ook uit de geschiedenis van Job.
Satan kan geen ‘ haar van ons hoofd’ doen vallen zonder de wil van onze
hemelse Vader. Wat er ook gebeurt, het ‘ eeuwige leven’ van onze innerlijke mens is het
eigendom van onze God en daar blijft de duivel met al zijn ‘ geweld’ vanaf.
De vrienden van Job
Er worden vier
vrienden van Job genoemd, maar er is onderscheid tussen de eerste drie vrienden
en de laatstgenoemde vriend.
De eerste drie
vrienden zijn nakomelingen van Ezau (Edom). Hun namen zijn :
Elifaz, Bildad en Zofar. Zij typeren godsdienstige, vrome geesten, die elkaar
aanvullen om de oorzaken van alle menselijke ellende in het leven van Gods
kinderen ergens in verband te brengen met de wil van God en/of de schuld van de
mens ten opzichte van God (lees Job 2:11-13)
Deze ‘ vrienden’
stellen in feite de mens tegenover God en ze trachten de mens zover te brengen,
dat deze zichzelf schuldig gaat voelen om wat hij meemaakt of zich met
verwijten tegenover God stelt. God en mens worden dan elkaars tegenspeler en de
werkelijke vijand van de mens blijft mooi buiten schot.
‘ Alle dingen
ontvang je uit de vaderhand van God’ zeggen deze geesten door de mond van ‘
vrome vrienden’ . Dus ook nare dingen. God zegent wie Hij wil en Hij straft wie
Hij wil en de mens moet dat maar accepteren.
Zeven dagen lang
zwijgen deze ‘ vrome ‘vrienden’ als zij bij Job arriveren. Ze strooien
as op hun hoofd. Ze kunnen geen woord van begrip en troost over hun lippen
krijgen. En als ze gaan spreken, stromen ze over van verwijten en het in
twijfel trekken van de oprechtheid en godvrezendheid van Job. Ze gaan van puur
menselijke standpunten uit en redeneren vanuit menselijke ervaringen en
tradities. Ze geloven in Gods bemoeienis met mensen, maar de wegen, die God
gaat met Zijn kinderen is hun volkomen duister.
Wat nog erger is
voor Job: ook zijn vrouw is zwaar aangeslagen. Ook zij heeft geen inzicht in de
geestelijke achtergronden. Ze heeft de rijkdom van Job ervaren als een zegen,
maar ze ziet ook het verlies van haar kinderen en de felle aantasting van de
gezondheid van haar man als van God afkomstig en dit maakt haar opstandig.
Haar bittere
klacht is: ‘Job, wat heeft jou vroomheid je opgebracht? Toch alleen maar
ellende? Houd je nog vast aan je vroomheid? Zegen toch God en sterf’! (Job
2:9).
Uiteindelijk
moeten deze eerste drie ‘vrienden’ van Job zwijgen. Hun redeneringen ketsen af
op het vasthouden aan zijn gerechtigheid door Job, hoewel dat in hun ogen niet
anders is dan halsstarrig vasthouden aan een verborgen zondig leven. Zij hebben
niets anders te bieden dan de ‘bediening naar het vlees’, de ‘bediening naar de
letter’, de ‘bediening des doods’, de ‘ bediening der veroordeling’, later
geschreven op ‘ stenen tafelen’ (2 Cor.3).
Tegenover de
‘bediening naar het vlees’ staat echter de ‘bediening
naar de Geest. Deze is niet op stenen tafelen geschreven, ook niet met inkt,
maar door de Geest van de levende God geschreven op de ‘tafelen van vlees in
het hart’. De bediening van de Geest, die levend maakt. De ‘bediening van het
nieuwe verbond’, de ‘bediening die rechtvaardigheid bewerkt’. En de
heerlijkheid van deze bediening is overvloedig in heerlijkheid (2 Cor.3).
De vierde vriend
De laatstgenoemde
vriend van Job is een typering van deze bediening naar de Geest. Hij is geheel
anders dan de andere drie. Hij is een nakomeling van Nahor, de broer van
Abraham. Hij komt pas in Job hoofdstuk 32 naar voren. Zijn naam is Elihu (Hij
is mijn God).
De andere drie
‘vrienden’ zijn oud en bezadigd, evenals hun bediening. Elihu echter is nog
jong en hanteert de nieuwe, jonge uitgangspunten van de Geest van het leven.
Elihu redeneert niet vanuit menselijke traditie, ervaring of verdienste. Hij
spreekt door de Geest van God. Hij staat niet op één lijn met de andere drie.
Hij brengt het denken van Job in de richting van God.
Johannes de doper
was ook een dergelijk Elihu. Hij ging uit in de geest en de kracht van Elia
(Elihu) (Matth. 11:10-14; Lucas 1:17). Hij wees op degene die na hem komen zou,
Jezus.
Zo spreekt ook in
ons hart de ‘Elihu’ (Geest van God) en leidt ons in alle waarheid, daar waar
menselijke redeneringen het moeten laten afweten. De ‘stem van Elihu’ wijst
altijd omhoog. Het is wel belangrijk deze stem ruimte te geven en niet te laten
onderdrukken door de vele stemmen van de ‘bediening naar het vlees’.
Het ‘einde’ van Job
In het Nieuwe
Testament van de bijbel is het de apostel Jakobus, die in zijn brief relateert
aan Job. In het gedeelte, waar deze schrijft over geduld in het lijden haalt
hij onder andere Job aan: ‘Gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij
hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien dat de Here rijk is aan
barmhartigheid en ontferming’ (Jakobus 5:11).
Hoewel
Job in zijn bittere omstandigheden en smaad, die hij had te verduren, de
invloed van God niet ervoer, was Deze steeds heel dichtbij om hem te
beschermen. Hij is altijd nabij hen, die Hem vrezen en Hij let op hun
hulpgeroep:
‘De Here is nabij
allen die Hem aanroepen in waarheid. Hij vervult de wens van wie Hem vrezen,
Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen’ (Ps.145:18-19) .
God staat geheel
aan de kant van Job, al ervaart deze dat niet in zijn lijdensperiode. Hij legt
Job geen juk op, maar Hij helpt hem om het juk dat de duivel hem doet ondergaan
te dragen. Tegelijk wordt Job liefdevol door God gecorrigeerd, als hij in zijn
moeiten en beperkte inzicht in wat hem overkomt, zijn bittere smart naar buiten
brengt.
De geestelijke realiteit
God bepaalt Job
aan de hand van voorbeelden uit de schepping bij zijn gebrek aan inzicht. Hij
noemt licht en duisternis, hemel, zee en aarde, winden, wolken en sterren,
leven en dood, allerlei wilde dieren en het onvermogen van de mens om deze
dingen maar het minste aan te kunnen sturen.
De Here God opent
aan de hand van deze voorbeelden de ogen van Job en ook van ons voor de
realiteit in de geestelijke wereld. De specifiek genoemde monsterdieren: het
behemoth (groot dier SV 40:10) en de leviathan (watermonster SV 40:20) typeren
geestelijke werkelijkheden uit het rijk der duisternis, waar de mens mee
geconfronteerd wordt, vaak zonder het zich bewust te zijn.
Het behemoth (NBG
nijlpaard) duidt dan op het ‘beest uit de aarde’ en de leviathan het ‘beest uit
de zee’, welke in de profetie van het boek Openbaring van Jezus Christus
genoemd worden. Ze typeren respectievelijk de antichrist (het ‘beest uit de
aarde’) en de ‘geest van de antichrist’( het ‘beest uit de zee’), de geest
waaraan de antichrist zijn macht ontleent. Deze antigoddelijke geest is de
tegenhanger van de heilige Geest van God, welke de ware christenen vervult
(Openbaring 13).
De geest van de antichrist
is het monster dat zich roert in de diepte der zee, welke het rijk van de
doodsmacht aanduidt. Van daaruit worden de occulte krachten door de antichrist
ontbonden, welke de wereld van de mens overspoelen. Door deze krachten, gepaard
met tekenen en wonderen, vestigt de antichrist zijn heerschappij op aarde. En
zoals het evangelie van Jezus (de) Christus de boodschap is, welke de mens naar
de ware God toe voert, zo voert het ‘evangelie’van de antichrist de mens (vaak
op subtiele wijze) naar de antigod toe, wiens naam is de Dood.
De Dood(smacht) is
als gevolg van de zondeval van de éérste mens in de wereld gaan heersen en zijn
claim ligt sindsdien op alle mensen, die nog niet innerlijk wederomgeboren zijn
door geloof in Jezus Christus. Dus nog niet zijn ‘ontwaakt uit de slaap en
opgestaan van tussen de doden uit’(Rom.5:12-14; Efeze 5:14 letterlijk).
De aardse mens is
door de claim van de Dood gevangen in ‘stof’. Elementen waaruit de zichtbare
dingen zijn samengesteld, en wanneer diens lichaam na het sterven tot stof zal
wederkeren, blijft zijn innerlijke mens gevangen in de claim van de Dood. De
hemelse mens echter is door de wedergeboorte als gevolg van persoonlijke
bekering en geloof vrijgekomen ‘uit de macht der duisternis en overgezet in het
Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde´ (Col.1:13).
Voor deze
innerlijke mens geldt dat hij de dood in eeuwigheid niet zal zien of smaken
(Joh. 8:51-52). Aan deze mens verbindt God zich door Zijn Geest, waardoor ´de
mens-in-Christus´ ontstaat. Hij vestigt door middel van deze ´mens-in-Christus´
Zijn recht in de hemel, de wereld der geesten, en van daaruit op de aarde, de
wereld van de éérste, natuurlijk georiënteerde, mens. Zoals de uiterlijke mens
´stof´ is, dat tot ´stof´zal wederkeren, zo is de hemelse (innerlijke) mens
´geest uit God´. Wederomgeboren uit het woord van God, welke tot God
terugkeert, nadat het Woord heeft bewerkt, waartoe Hij het heeft uitgezonden
(Rom.11:36).
Prototype van de hemelse mens
God toonde aan Job
in beelden de achtergrond van de geestelijke wereld, van waaruit de dingen in
de zichtbare wereld worden bestuurd. Job was een prototype van de hemelse mens,
zonder zelf kennis te hebben van de werkelijke achtergrond van de dingen. Hij
troost zich met de correctie, die God hem geeft en Die hem een nieuw
perspectief laat zien. Hij belijdt:
“Ik zag de dingen
verkeerd.Ik sprak zonder inzicht over dingen, die ik niet begreep. Ik vraag U:
Onderricht U mij. Ik sprak en dacht over U zonder U echt te kennen, maar nu
heeft mijn oog U aanschouwd” (Job. 42:3-5).
Wij mogen het
gegeven van Job hanteren om ook zelf inzicht te verwerven in de dingen achter
de dingen, als we ons maar openstellen voor de waarheid. De duivel bespeelt zo
mogelijke de gezindheid van ons ‘vlees’ en verduistert en omsluiert wat onze
God bedoelt, zodat we dat maar niet zullen verstaan en daardoor vrij worden in
ons denken. De Geest van onze God echter ontsluiert door het levende Woord het
raadsbesluit (‘eeuwig voornemen’) van God en de hemelse realiteiten worden dan
aan de hemelse mens duidelijk.
Zo worden aan de
gemeente op aarde Elihu’s gegeven: apostelen, profeten, herders, leraars, evangelisten, om de heiligen toe te rusten tot
dienstbetoon. Dit is tot opbouw van het ‘lichaam van Christus’ (Efeze 4:11-12).
Het zijn de wegbereiders voor het Woord van God zelf, zodat dit zich kan
openbaren. Dit Woord, dat allereerst ‘vlees’ is geworden in onze Heer Jezus,
wordt ook ‘vlees’ in hen, die de goede Herder roept als Zijn eigen schapen. Zij
gaan naar buiten en volgen Hem, omdat zij Zijn stem kennen, dus Zijn evangelie
horen en aanvaarden in hun persoonlijk leven (Joh. 10:3-4).
De Geest der waarheid
Dit levende Woord
van God kan alleen door de Geest der waarheid worden geopenbaard.Menselijke
wijsheid kan nuttig en bruikbaar zijn, maar om de onnaspeurlijke rijkdom van
het Woord der waarheid te openbaren, is de Geest der waarheid nodig.
In alle druk en
narigheid riep Job uit: “Ik weet dat mijn Losser leeft en dat Hij ten laatste
(= in het laatste der dagen) op het stof (= op aarde) zal optreden. En al is
mijn huid geschonden, toch zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Mijn eigen
ogen zullen zien en mij nieren in mijn binnenste smachten van verlangen” (Job
19:25-27).
God leidde zijn
knecht naar deze ervaring toe, hoewel Job dit zelf nog niet besefte en dacht
aan een verre toekomst. Later zou hij echter uitroepen:
“Slechts van horen
zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” (Job 42:5).
Geestelijke ervaringen moeten wij niet naar later verschuiven. “Nú is het de
tijd van het welbehagen, nú is het de dag van het heil”, want “de genade Gods
is verschenen, heilbrengend voor álle mensen”, dus zeker voor ons (Titus 2:11;
2 Tim. 1: 9b-10).
Wij mogen van Job
leren om God te zien, ook als we in uiterlijk moeilijke omstandigheden verkeren.
Als we hem nog niet zien, laten we dan ‘ogenzalf kopen om onze oogleden te
bestrijken’(Openb. 3:18).
Barmhartigheid en ontferming
Job wordt door God
geheel gerehabiliteerd ten opzichte van zijn vrienden. Jacobus zei: ‘Let op het
einde van Job’. De drie vrienden van Job worden echter niet door Gods toorn
verworpen, maar Hij stuurt ze naar Job toe, zodat deze voor ze kan bidden, in
plaats van op één of andere manier wraak op hen te nemen. Ook daarin zit een
diepe les, ook voor ons.
En aan het gebed
van Job als rechtvaardige wordt kracht verleend. Niet alleen aan Job wordt een ‘dubbel
deel’ vergoed: een nieuw lichaam, een nieuw bezit, een nieuw gezin, een nieuwe
bediening, een dubbele rijkdom, enz. (vgl.1:2-3 met 42:12-13). Ook aan zijn
menselijke ‘tegenstanders’ wordt barmhartigheid bewezen. Zijn hele familie en
alle vroegere vrienden en bekenden delen in zijn herstel en komen hem troosten.
“De Here bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden
gebeden had” (42:10). Zo typeert Job de grote barmhartigheid van onze God, die
geldt voor alle mensen. Hij is immers een God van verzoening voor allen die tot
Hem komen. Hij gaf Job de bediening van de verzoening en Hij heeft ook ons deze
bediening gegeven (2 Cor. 5:18-19).
Ook als wij als
christen te lijden hebben, mogen we dus troost putten uit het boek Job. We
mogen hem als voorbeeld nemen, evenals de gelatenheid en geduld van alle
profeten, die in de naam des Heren gesproken hebben. Die volhard hebben, net
als Job. We hebben uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien dat Hij rijk
is aan barmhartigheid en ontferming.
Uit de
geschiedenis van Job leren wij geduld te hebben, juist in moeilijke perioden.
De ‘kostelijke vrucht van het land’groeit en rijpt, ook in de perioden van
geestelijke droogte. En ‘vroeg en laat’zal de regen er weer op vallen om de
vrucht te doen rijpen. Laten we daarom niet zuchten tegen elkaar om alles wat
negatief is, zodat we niet verkeerd beoordeeld moeten worden. Laten we onze
harten versterken. Onze Rechter staat voor de deur. De komst des Heren is nabij!.
Moge de God van de
vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen en mogen uw geest, ziel en
lichaam zuiver bewaard blijken te zijn bij de komst van onze Here Jezus
Christus. Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand (1 Thess.5:23-24).