KvO 36e jaargang nummer 10, 30 juni 1972
J.E. van den
Brink
SPREKEN IN TONGEN
Bijbels en belangrijk
In de bijbel wordt
ons meegedeeld dat de eerste christenen met de Heilige Geest gedoopt werden en
daarna in tongen begonnen te spreken. Deze mensen hadden een geestelijke
ervaring die vanwege de merkwaardige tongentaal door een buitenstaander
geconstateerd kon worden. Zo werd op de Pinksterdag de Heilige Geest
uitgestort, waardoor alle volgelingen van Jezus werden vervuld. Op datzelfde
ogenblik hoorde men hen in tongen spreken. In de oude kerk bleef dit het
zichtbare teken dat de Heilige Geest bezit van een gelovige had genomen (Hand.
2:4. 10:46
en 19:6). Men
noemt deze tongentaal met een Grieks woord 'glossolalie', afgeleid van glossa,
dat is tong of taal, en van lalein, dat is spreken.
In Handelingen 2:4 staat
dat de discipelen op de Pinksterdag in tongen of in andere talen begonnen te
spreken. Wanneer een zendeling Portugees begint te spreken, betekent dit dat
hij een aanvang heeft gemaakt deze taal te gebruiken, welke begaafdheid hij
voortdurend zal trachten te ontwikkelen. Zo is ook de tongentaal geen gave
voor slechts één maal, maar een begaafdheid die de gelovige houdt, geregeld kan
gebruiken en verder kan ontwikkelen. De glossolalie is een blijvend charisma en
deze gave staat in verband met de doop in de Heilige Geest. In 1 Corinthiërs 14:23 deelt Paulus mee dat in een
gemeentesamenkomst alle leden zonder uitzondering in tongen konden spreken. Er
staat: 'Indien dan de gehele gemeente bijeengekomen is en allen in tongen
spreken'.
Voor vele
christenen in onze tijd is de begaafdheid om in tongen te spreken zonderling en
dwaas. Zij zien er geen enkel nut in en waarschuwen er zelfs tegen. Hoewel zij
zeggen in de bijbel te geloven, keren zij zich toch tegen de uitspraak van
Jezus zelf, dat 'de gelovigen in nieuwe tongen zullen spreken' (Marc. 16:17). Hoe komt dit
toch? De oorzaak hiervan ligt in het feit dat in de loop der geschiedenis de
doop in de Heilige Geest uit de kerk verdwenen is en daarmee ook het spreken in
tongen. In plaats van geestelijke christenen kwamen er ongeestelijke mensen,
die alleen nog maar aanvaardden hetgeen vanuit het natuurlijke denken begrepen
kon worden. De onzienlijke wereld verschoven zij in gedachten tot het stadium
na de dood.
Door
onverschilligheid, onkunde, ongeestelijk denken en liefde tot de tegenwoordige
wereld, zijn de geestelijke begaafdheden verloren geraakt en verdwenen. Het
treurige ervan is dat men dit niet meer als een verlies beschouwt, maar als een vanzelfsprekende ontwikkeling.
Men zegt dat de gaven welke Jezus aan zijn gemeente wil schenken niet meer
nodig zijn. Charismatische gaven als die van genezing, van wijsheid en kennis
aangaande de geestelijke wereld, van onderscheiding van geesten, ontbreken nu
allerwegen. Toch heeft de apostel Paulus gezegd: 'IJvert naar de gaven des
Geestes' (1 Cor. 14:1), maar
men heeft het bijbelse patroon losgelaten, en de methode die Jezus en de
apostelen gebruikten om het rijk der duisternis te bestrijden acht men
verouderd, onbruikbaar en zelfs gevaarlijk. Zo wierp Jezus dagelijks duivelen
uit (Luc. 13:32) en Hij sprak dat de gelovigen ook zo zouden moeten handelen, maar
men veracht dit bevel, hoewel men toch beweert de gehele Schrift te aanvaarden.
Waar staat in de
bijbel dat de geestelijke gaven niet meer nodig of niet meer van essentieel
voor de gemeente zouden zijn? Waarom moesten de eerste christenen wel demonen uitdrijven
volgens Marcus 16:17 en
zouden wij dit niet meer behoeven te doen? De boze geesten zijn immers niet
uitgestorven; integendeel, wij leven in een demonische tijd, waarin de duivelen
meer dan ooit de mensen trachten te beïnvloeden en te binden.
Waar leest men ook
dat de gave der tongen opgehouden heeft of niet noodzakelijk meer is? Neen, de
begaafdheden van de Heilige Geest zijn altijd nog nodig om de boze te
overwinnen en als volwaardige christenen te leven in de hemelse gewesten, want
daar is immers onze wandel, onze strijd en onze overwinning. Alleen geestelijk
onderontwikkelde christenen verachten de hemelse gaven.
De eerste
openbaring na de doop met de Heilige Geest is het spreken in tongen. Dit is een
zeer belangrijke gave. Waarom? Omdat de Heer zelf sprak dat wij als gelovigen in nieuwe tongen zouden
spreken, en Hij schenkt niet iets dat onbetekenend zou zijn. Ook al achten de
meeste christenen deze gave onbeduidend, op grond van de Schriften is zij dit
zeker niet. In Jacobus 1:17 staat: 'Iedere gave die goed is en elk
geschenk dat volmaakt is, daalt van boven (uit de onzienlijke wereld) neder van
de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer'. De
glossolalie is zo'n goede gave, en wat God goed noemt, zullen we niet verachten.
Paulus sprak ontzaglijk veel in tongen. Hij beroemt zich erop, want hij
schreef: 'Ik dank God dat ik meer dan gij allen in tongen spreek' (1 Cor. 14:18).
De apostel wist wat hij deed en dat het spreken in tongen
goed voor hem was. Hij wist dat hij zichzelf
daarmee opbouwde in zijn gemeenschap met God (1 Cor. 14:4). En wat
goed voor Paulus was, is ook goed voor ons! Geloof daarom niet wat
verschillende dwaalleraars aangaande dit onderwerp vertellen, maar aanvaard
hetgeen Paulus sprak. Tracht een navolger van deze apostel te worden, zoals hij
dit was van Christus.
Op de Pinksterdag spotten sommigen met de in tongen
sprekende gelovigen. Zij lachten en zeiden: 'Zij hebben te veel zoete wijn
gehad!' Petrus reageerde op deze minachtende uitlating met de woorden: 'Deze
mensen zijn niet dronken, zoals gij onderstelt, want het is het derde uur van
de dag; maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: 'En
het zal zijn in de laatste dagen zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest
op alle vlees' (Hand. 2:13-17). De
apostel wist dat de uitingen van deze eerste christenen op de Pinksterdag
overeenkwamen met wat in de laatste dagen gebeuren zou. Uit alle natiën en volken zullen mannen en vrouwen,
jongelingen, jonge dochters en ouden, dienstknechten en dienstmaagden opnieuw
vervuld worden met de Geest van God en dan zal het Pinksterteken zich herhalen.
Petrus citeerde Joël 2:28 naar de Griekse vertaling
van het Oude Testament, de septuagint. In de Hebreeuwse bijbel, waaruit onze
vertaling is overgezet, staat in plaats van 'alle vlees' de uitdrukking ‘al wat
leeft’, dit wil dus zeggen op alle kinderen Gods. Indien iemand niet
wedergeboren is, leeft hij immers niet voor God, maar is hij dood in zonden en
misdaden. Slechts op de wedergeboren mensheid zou Gods Geest nederdalen. Wij
zien dus reeds in de Joëlsprofetie deze regel: eerst wedergeboorte en daarna de
doop met de Heilige Geest!
Bekering
Het is van groot belang dat wij als christenen het verschil
leren zien tussen bekering en wedergeboorte enerzijds, en de doop met de
Heilige Geest anderzijds. Het is immers bekend dat velen menen dat men bij de
wedergeboorte de doop met de Heilige Geest ontvangt. Toch wijst de Schrift
duidelijk de weg, wanneer er staat: 'Bekeert u en een ieder late zich dopen op
de naam van Jezus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des
Heiligen Geestes ontvangen' (Hand. 2:38). In dit
geval gesproken tot godvruchtige mensen die de Here oprecht wilden dienen, maar
die breken moesten met hun zonden en ook met hun oude inzichten en gedachten.
Zij moesten behouden worden uit een verkeerd geslacht, dat geen enkele kennis
had van geestelijke wereld (Hand. 2:5,40).
Ook in Handelingen 8 zien wij duidelijk de gang van zaken.
De Samaritanen geloofden het evangelie dat Filippus bracht, zij lieten zich
als gelovigen dopen en ontvingen daarna de Heilige Geest onder oplegging van
handen.
In Handelingen 19:1-7 zien wij eveneens deze
volgorde. De discipelen van Johannes aanvaardden het evangelie dat Paulus
predikte, toen werden zij gedoopt en daarna ontvingen zij de Heilige Geest. Er
is geen enkele reden om aan te
nemen dat de Heer Zich verder niet aan deze volgorde zou houden.
Bij het optreden van onze Heiland klinkt uit zijn mond:
'Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen' (Matth. 3:17). Deze
woorden wijzen erop dat de mens niet alleen geschapen is om op de aarde te
!even, maar ook bestemd is in de hemelse gewesten te functioneren. De geest van
de mens is zodanig geschapen dat hij hiertoe bij volledige ontplooiing ook in
staat is. De oproep van Jezus: 'Bekeert u' blijft ook nu nog van kracht voor
ieder mens, en Jezus zelf opende de weg dat ieder mens die wil, dit Koninkrijk kan binnengaan.
Onder de mensen die naar de woorden van Jezus luisteren,
zijn hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid. Zij vernemen dat er een
weg tot ontkoming is uit de duisternis waarin zij zich bevinden. Zij beginnen
daarom de naam des Heren aan te roepen en te breken met iedere vorm van
ongerechtigheid (Hand. 2:21 en 2 Tim. 2:19). Hun belaste en vermoeide
geest richt zich op God, dat wil zeggen op zijn woord. Hun geest is gewillig om
voortaan het goede te doen, hoewel hun vlees, dat gewend is de machten der
duisternis te gehoorzamen, nog zwak is. Maar met hun verstand en hun wil
dienen zij God (Rom. 7:26). Zij erkennen dat Gods geboden goed zijn, hebben de
Here Jezus lief en nemen zijn woord gaarne aan. In Hebreeën 6:1 worden deze
bekering en dit geloof in God genoemd als de twee eerste pijlers van het
fundament waarop de Heer zijn gemeente bouwt. Het allereerste wat de bekeerde
mens moet geloven, is dat Jezus zijn zondeschuld betaald Heeft, door zijn leven
op Golgotha te offeren. Hij is 'het lam Gods, dat de zonde der wereld
wegneemt'. Ieder mens heeft immers gezondigd en hierdoor zijn in de onzienlijke
wereld 'schatten des toorns' verzameld. Het is deze last van zonde-schuld die
bij de bekering door Jezus wordt weggenomen. Door zijn geloof in het verzoenend
bloed van Jezus wordt iedere zondaar die zich
bekeert, een rechtvaardige.
KvO 36e jaargang nummer 11, 21
juli 1972
(2)
Wedergeboorte
Na de bekering moet een verandering van leven komen. In
Marcus 1:15 zegt Johannes de Doper: 'De tijd is vervuld en het Koninkrijk
Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie'. Bij zijn bekering
breekt de mens met zijn oude leven, maar ook met zijn oude inzichten, en door
het geloof in het evangelie wordt hij innerlijk vernieuwd. Deze hervorming of
verandering van gedachten noemt de bijbel wedergeboorte. Zij is niet een
geheimzinnige zaak die buiten de mens omgaat waarvan hij dus niet geheel zeker
is, zij is niet een uitdrukking voor het begin van een nieuw leven waarvan
oorsprong in nevelen gehuld is, maar zij is de overgang van de menselijke geest
in een nieuwe levensfase. De kracht die deze overzetting bewerkt, is het woord van
God.
Voor de bekering functioneerde de menselijke geest alleen in de natuurlijke wereld en in het rijk der
duisternis. Jezus sprak: 'Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de
geest geboren is, is geest' (Joh. 3:6). De onwedergeboren mens leeft vanuit
zijn natuurlijke overwegingen en wordt geleid door gedachten die uit het vlees
zijn, dus die geboren worden vanuit de zintuiglijke waarneming. Hij rekent
alleen met de situatie, met hetgeen hij ziet en hoort of met hetgeen hij op
enigerlei andere natuurlijke manier kan waarnemen. Wie evenwel uit de Geest
geboren is, rekent met de onzienlijke wereld, met God, met zijn woord, met de
kracht van de Heilige Geest, met de bescherming van de heilige engelen, maar
ook met de realiteit van de machten der duisternis. Hij heeft de mogelijkheid
ontvangen om met de innerlijke mens ook in deze wereld te leven en zijn positie
aldaar in te nemen.
De uitdrukking 'wedergeboorte' is een beeld of een vergelijking
ontleend aan de natuurlijke geboorte. Het ongeboren kind leeft en ontwikkelt
zich in de schoot van zijn moeder. Het heeft ogen, maar ziet niet en oren, maar
hoort niet. Het leeft dus in het duister. Dan komt het ogenblik dat het de
moederschoot verlaat en het levenslicht aanschouwt. Moeder zegt: 'Ik heb een
kindje gekregen’ terwijl zij er juist van 'verlost' is! Zij rekent dus niet
met de periode dat het kind onzichtbaar was; maar alleen met de tijd dat het
kind een eigen plaats in de wereld inneemt. Deze entree of overstap is een
beeld van de wedergeboorte van de menselijke geest, die zich eerst heeft
ontwikkeld in de natuurlijke wereld die in de duisternis verkeert. De wereld is
immers het terrein waar de overste dezer wereld, de boze zijn macht uitoefent.
De mens had 'ogen' maar zag niets van de heerlijkheid Gods. Hij hield zich
slechts bezig met de dingen van deze aarde die verworden zijn door de
beïnvloeding van de demonen. Voor de natuurlijke mens geldt: 'De god dezer eeuw
heeft hem met blindheid geslagen' (2 Cor. 4:4).
Met de wedergeboorte is het ogenblik aangebroken dat de
mens onttrokken wordt aan de macht der duisternis en overgebracht of
overgeplaatst wordt in het Koninkrijk van God (Col. 1:13). Dan ziet zo'n mens
'het licht des levens' (Joh. 8:12). Hij
begint aan een nieuwe levensperiode. In het Koninkrijk Gods wordt zijn geest
eerst met melk gevoed en daarna met vaste spijze, want de melk (de eenvoudige,
fundamentele waarheid) is voor de zuigelingen, 'maar de vaste spijs is voor de
volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het
onderscheiden van goed en kwaad' (Hebr. 5:13,14). De wedergeboren mens komt in
het huisgezin Gods en daar is vreugde, niet alleen bij de engelen vanwege zijn
bekering, maar ook bij al de huisgenoten des geloofs. Hij is nu een kind van
God en hij leeft waar zijn Vader is, namelijk in de hemelse gewesten, in
Christus Jezus (Ef. 2:6).
Wij schreven reeds dat het woord van God de bewerker is
van de wedergeboorte. De bijbel leert niet dat wij door de Heilige Geest zijn
wedergeboren, maar door het levende woord van God. Door de werking van de
gedachten Gods wordt een mens vernieuwd en daardoor wederomgeboren. Er staat:
'Wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door
het levende en blijvende woord van God' (1 Petr.1:23). 'Doch allen die Hem (het
Woord) aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te
worden' (Joh. 1:12). De wedergeboorte is dus een vernieuwingsproces want er is
sprake van kinderen Gods wórden. Jacobus 1:18 luidt: 'Naar zijn raadsbesluit
heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid'. Ook voor de herschepping
geldt: 'Alle dingen zijn door het woord geworden en zonder dit is geen ding
geworden, dat geworden is' (Joh. 1:3).
Door het aanvaarden van de prediking van het evangelie
wordt de menselijke geest toebereid om het duister te verlaten en zijn intrede
te doen in het Koninkrijk Gods. Zo sprak de Heer aangaande de kracht van het
woord: 'De ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God
zullen horen, en die haar horen, zullen leven' (Joh. 5: 25). Kunnen doden dan
horen? Jazeker, want hier wordt niet gesproken van mensen die biologisch dood
zijn, maar van geestelijk doden, die in staat zijn met hun oren het woord van
God op te vangen en met hun inwendige mens de gedachten Gods die erin vervat
zijn, te verwerken.
Na de wedergeboorte kan de mens zich zowel in de natuurlijke
als in de geestelijke wereld bewegen. Hij kan zich bezighouden met de aardse
dingen, hoewel op een andere wijze als
hij dit vroeger deed, maar hij kan zijn hart ook verheffen in de geestelijke
wereld en wandelen op 'de hoge weg'. Wie uit vlees geboren is, richt de
aandacht slechts op het uiterlijk waarneembare, maar wie uit de geest geboren
is, richt de aandacht op God en zijn Zoon Jezus Christus. Zulk een mens houdt
de woorden Gods vast en beoordeelt de situatie in zijn leven vanuit het woord
van God, want 'het zaad Gods (het woord) blijft in hem' (1 Joh. 3:9). Dit woord
is de vaste spijs die hem ook doet groeien naar de mannelijke rijpheid zoals er
staat: 'Dan groeien wij, ons aan de waarheid (het woord) houdende, in liefde in
elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus' (Ef. 4: 15).
De wedergeboorte heeft dus betrekking op de geest van de
mens en het woord van God. Door de wedergeboorte komt iemand in het Koninkrijk
van God, de lichtzijde van het Koninkrijk der hemelen. De voorwaarde tot
wedergeboorte is rechtvaardigheid of schuld-loosheid. In het oude verbond kende
men geen wedergeboorte, doordat de gelovige zijn gehele leven bezig moest
blijven zijn rechtvaardigheid naar de wet te bewerken. Alleen in het nieuwe
verbond is sprake van wedergeboorte, doordat het bloed van Jezus die volkomen
rechtvaardiging en schuldloosheid bewerkt, zodat aan de voorwaarde voldaan is
om tot het nieuwe leven in de geestelijke wereld te komen. Allen die
gerechtvaardigd zijn door het geloof in het bloed van Christus, hebben vrede
met God en kunnen wandelen in zijn Koninkrijk. In de wedergeboren mens heeft
God een welbehagen.
In Johannes 14:23 zegt de Heer: 'Indien iemand Mij
liefheeft, zal hij mijn woord bewaren'. Hier zien wij dus de verbinding
(liefde) tot stand komen tussen de geest van de mens en het woord van Jezus,
die het vleesgeworden Woord genoemd wordt. Daarop volgt dan: 'Mijn Vader zal
hem liefhebben', omdat zo'n mens zich richt naar de gedachten van God. Ten
slotte volgen dan deze woorden: 'Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen’.
Dit laatste wijst erop dat de Geest die van de Vader en van de Zoon uitgaat,
Zich verbindt met de wedergeboren geest van de mens en zó zijn lichaam maakt
tot een tempel Gods in de geest.
Het plan van God
Voordat wij ons nu bezighouden met de doop in de Heilige
Geest en het spreken in tongen, is het nuttig ons een voorstelling te vormen
van de onzienlijke wereld, waarin wij ons dan gaan bewegen.
Allereerst weten wij dat God geest is, die van eeuwigheid
bestaat en tot in eeuwigheid zijn zal (Joh. 4:14).
Een geest is niet aan een plaats of tijd gebonden. Hij heeft kracht en
gedachten die in woorden geopenbaard kunnen worden. Van eeuwigheid is het de
gedachte of het plan van God geweest de onzienlijke wereld te bevolken met
geestelijke wezens, die los van Hem stonden en gehoorzame dienaren zouden zijn.
Maar ook was het zijn plan, door zijn kracht de stof te scheppen en deze te
verbinden met leven. Als hoogtepunt van het goddelijke denken zou de mens
geschapen worden naar Gods beeld en naar zijn gelijkenis. De Schepper zou deze
formeren uit dezelfde aardse elementen waaruit ook de andere levende wezens
waren geschapen, maar Hij deed een geest in hem wonen die alle levensgeesten en
alle hemelgeesten te boven ging.
Wij merken op, dat er hemelgeesten of engelen zijn en wereldgeesten of menselijke geesten. De engelen
komen uit God voort, die immers geest is. Zij hebben een zelfstandig bestaan,
kennen evenwel geen ontwikkeling en ook geen voortplanting. Toen zij geschapen
werden, waren zij geheel toebereid. Doordat zij zelfstandig waren, was het
mogelijk dat een deel van de engelen ontrouw werd aan het plan en de bedoeling
van God. Dit deel verbrak de band der gehoorzaamheid en werd door God
verworpen. Ook dit geschiedde ineens en geheel. Vanaf dit ogenblik waren de
gevallen engelen vijanden van God; dezen gebruikten hun krachten en
begaafdheden nu tegen Hem.
Geheel anders verliep de geschiedenis van de mens. Het was
Gods bedoeling deze door ontwikkeling te verheffen tot zijn niveau, hem deel te
doen hebben aan de goddelijke natuur en Zich met de geest van de mens te
verbinden tot een liefdesgemeenschap als vrouw van God en tot een
arbeidsgemeenschap, door hem te stellen over al de werken zijner handen.
In Psalm 8:6 staat, dat de mens bijna goddelijk gemaakt
is. Dit betekent ondermeer dat de mensen zich kunnen vermenigvuldigen, niet
alleen naar de stoffelijke zijde, maar ook naar de geest. Eenmaal blies God de
levensgeest in Adam en deze geest heeft met het lichaam de mogelijkheid zich te
vermenigvuldigen. Op deze wijze is de mens uitgebroken in menigte en zijn de
wereldgeesten ontstaan. Met het ontplooien van de levensgeest groeit ook het
lichaam, maar het is niet de bedoeling van God dat bij de volwassenheid van het
lichaam, de geest zich niet verder ontwikkelt. De geest van de mens
moet heerschappij gaan voeren over het lichaam en bewust zijn plaats gaan
innemen in de hemelse gewesten in het Koninkrijk Gods.
Door verleiding van buitenaf kwam de geestelijk onvolwassen
mens tot ongehoorzaam-heid. Maar God verwierp
hem niet. Wel stond voortaan de aarde en dus ook de mens onder de heerschappij
van de boze, die met
zijn engelen als een bezettende macht hier opereert, maar de mens werd evenmin
als de schepping op aarde, geheel verdorven. Zijn zondeschuld hield hem evenwel
verwijderd van de tegenwoordigheid des Heren en ver van diens Koninkrijk. De
mogelijkheid om het doel van God te bereiken, was op deze wijze afgesneden. Er
ontbrandde een felle strijd tussen God en de boze om het bezit van de mens. De
overste dezer wereld tracht iedere nieuwe wereldburger door verleiding en
pressie onder zijn heerschappij te brengen en door diens schuld almaar
zwaarder te maken, de afstand tussen God en de mens op deze wijze steeds te
vergroten.
In het eeuwige plan van God was evenwel ook met deze gang
van zaken rekening gehouden. Het lam van God dat de schuld van het menselijke
geslacht zou wegnemen,
was geslacht vanaf de grondlegging der wereld. In de volheid des tijds werd het
grote woord tot herstel gesproken.
Dit woord werd vlees, en geboren als de Zoon des mensen uit een vrouw. Hij is
het die de barrière van de schuld wegnam en die de toegang tot het hemelse
Koninkrijk voor een ieder die in Hem gelooft, geopend heeft. Jezus nam niet
alleen de schuld der wereld weg, maar als eerste mens bereikte Hij het doel dat
de Vader voor het menselijke geslacht bereid had. Reeds hier op aarde maakte
God, toen Zijn Zoon volwassen was, woning in Hem, door Hem te dopen in de
Heilige Geest. Toen de Heer de plaats op de troon van God ontvangen had, schonk
de Vader Hem alle macht in hemel en op aarde. Hij kreeg ook de beschikking om
de Heilige Geest te geven aan alle wedergeborenen die zich hiernaar uitstrekten
en zich ervoor openstelden. Op deze wijze ontvangt de mens de mogelijkheid tot
bevrijding, tot herstel, tot overwinning en tot groei naar de volwassenheid. De
Heilige Geest is niet zelfstandig, zoals de hemelgeesten en de menselijke
geesten, maar Hij is onlosmakelijk en eeuwig met God zelf verbonden, zoals een
hand of een arm met het lichaam één geheel vormt.
KvO 36e jaargang nummer 12, 11 augustus
1972
(3)
De doop in
de Heilige Geest
Wanneer iemand zich in water laat dopen, is dit een getuigenis
van het feit dat hij als christen het oude leven heeft afgelegd en een nieuw
leven is begonnen. Door het woord van God weet hij gereinigd te zijn van de
zondeschuld vanwege het bloed van Jezus. Dit geloof in het woord van God werkt
dus reinigend op de innerlijke mens. De doop is hiervan dus een goed beeld,
want water werkt reinigend op de uitwendige mens. Er is dus bij de doop sprake
van 'een bad der wedergeboorte' (Tit. 3:5). Door zijn waterdoop openbaart de
christen in de zienlijke wereld hetgeen in de geestelijke wereld bij hem
gebeurd is, namelijk de reiniging van de zondeschuld. Na zijn bekering werd tot
Paulus gezegd: 'Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping
van zijn naam' (Hand. 22:16). Door de waterdoop bevestigt de dopeling dus zijn
wedergeboorte. Hij is nu door de vernieuwing van zijn denken in de geestelijke
wereld gekomen. Hij weet dat hij daar moet leven, wandelen, werken, strijden en
overwinnen.
Om als geestelijk mens goed te kunnen functioneren in deze
onzienlijke wereld die de Heer openbaarde, is de doop in de Heilige Geest
nodig. Daarom is de waterdoop ook tegelijkertijd 'een bede van een goed
geweten (dus van een rechtvaardige) tot God' om deze doop in de Heilige Geest (1 Petr. 3:21).
Het is het gebed om aangedaan re worden 'met kracht uit de hoge', ofwel
kracht uit de onzienlijke wereld (Luc. 24:49). De gelovige wil ook deel
krijgen aan de begaafdheden van de Geest Gods. Hij heeft in de geestelijke
wereld leiding en onderwijzing nodig.
Gebed om de
Heilige Geest
Het is van groot belang te weten dat na de wedergeboorte
de doop in de Heilige Geest volgen moet. Wie deze elementaire kennis van het
Koninkrijk der hemelen mist, zal bemerken dat hij geestelijk niet vordert. Geen
wonder dat vele christenen met hun wedergeboorte hun geestelijk plafond bereikt
hebben. Zij weten dat zij een kind van God zijn en dat hun zonden vergeven
zijn, maar zij weten niet hoe zij van al hun vijanden verlost kunnen worden
(Luc. 1:74), genezing kunnen ontvangen en evenmin hoe ze kunnen opgroeien tot krachtige,
geestelijke mensen voor wie satan bevreesd is, omdat hij te doen heeft met
medearbeiders van God, wiens goddelijke kracht hun heeft begiftigd met alles
wat tot leven en godsvrucht strekt' (2 Petr. 1:3). Zij kunnen daardoor niet
gebruikt worden tot herstel, tot genezing, tot bevrijding en tot verlossing van
anderen die door de duivel overweldigd zijn. Hun geestelijk niveau komt niet
hoger dan dat van de rechtvaardigen uit het Oude Testament.
Wij wijzen er dan ook op, dat Jezus dezelfde doop met de
Heilige Geest nodig had, ten einde zijn werk op aarde te kunnen doen. Petrus
getuigde van Hem hoe God Hem met de Heilige Geest en met kracht had gezalfd en
hoe Hij was rondgegaan, weldoende en genezende allen die door de duivel
overweldigd waren (Hand. 10:38). Door
de doop in de Heilige Geest begonnen de krachten van het Koninkrijk Gods in Hem
te werken, zodat Hij met kennis van zaken het evangelie van het Koninkrijk kon
verkondigen, demonen uitwerpen, zieken genezen en bezetenen bevrijden, teneinde
de obstakels weg te nemen, die de mens belemmeren het Koninkrijk Gods binnen te
gaan.
Hoe ontving Jezus de Heilige Geest? Toen Hij volwassen
geworden was en tot de arbeid geroepen werd, bad Hij erom en ontving Hem. In Lucas 3:21
staat dat Jezus allereerst in water gedoopt werd. Hij stond daar met
Johannes de Doper in de Jordaan. Het water droop nog van zijn hoofd en handen.
Toen sloeg de Zoon des mensen de ogen naar de hemel en bad. Bidden is: bezig
zijn in de hemelse gewesten. De geest van Jezus richtte zich geheel op de
hemelse Vader en op de belofte die deze aan Hem geschonken had. Hij begeerde
'de kracht uit de hoge', de gave van de Heilige Geest. 'En het geschiedde,
terwijl al het volk gedoopt werd dat, toen Jezus gedoopt werd en in gebed was, de hemel zich opende, en de
Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neder-daalde'. Op
zijn waterdoop volgde ogenblikkelijk de Geestesdoop. Zowel Johannes als Jezus blikten in de onzichtbare wereld en beiden
zagen hoe dit heilsfeit zich voltrok. Gods Geest vertoonde Zich aan hen in de
vorm van een duif. Deze behoorde niet tot de zichtbare wereld, maar tot de
visionaire, want er staat 'als een duif’. Deze duif was het teken voor Jezus en
bovenal voor Johannes dat op dat ogenblik de menselijke geest van Jezus met de
Heilige Geest verbonden werd.
Ook wij als christenen ontvangen op het gebed de Heilige
Geest. Ook wij zullen bezig moeten zijn in de hemelse gewesten, want er staat:
'Gij zult de hemel geopend zien' (Joh. 1:52). Ook wij zullen na onze wedergeboorte
tot God moeten naderen met onze innerlijke, geestelijke mens des harten. Wij
zullen dan ons vertrouwen niet moeten stellen op iets hoorbaars of iets zichtbaars
van deze aarde, niet op onze gevoelens of emoties, maar alleen op Jezus, ten
einde op dezelfde wijze als Hij de Heilige Geest te ontvangen. Hij sprak
immers: 'Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan
uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader
uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?' (Luc. 11:13). Deze belofte is gegeven aan allen die
reeds kinderen Gods zijn, want er is sprake van 'uw Vader'. Ieder kind van God
kan dus de Heilige Geest ontvangen, indien hij erom bidt. Er is geen andere
voorwaarde, maar deze weg is dan ook exclusief. Indien u daarom nog niet
gedoopt bent met de Heilige Geest, bid er dan om, dat wil zeggen treed ook met
uw 'hart' of innerlijke mens deze geestelijke wereld binnen. Bid om deze Geest
en geloof dan dat gij Hem ontvangen hebt, en het zal u geschieden (Marc.
11:24). 'En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om
niet' (Openb. 22:17).
Merk op, dat Jezus ook hierin ons een voorbeeld nagelaten
heeft, opdat wij in zijn voetstappen zouden treden (1 Petr. 2:21). Van deze
doop behoeft u in de natuurlijke wereld niets te voelen en niets te ervaren. U
moet alleen de hand des geloofs gebruiken. Men ontvangt de Heilige Geest alleen
ten gevolge van de prediking des geloofs (Gal. 3:2). Deze doop brengt wel
ervaringen mee: hij wordt gevolgd door blijdschap, vrede en gerechtigheid, het
klimaat van het Koninkrijk Gods.
Het
ontvangen van de Heilige Geest
Wanneer een christen in water gedoopt wordt, kunnen wij
daarbij drie dingen onderscheiden: de broeder die doopt of de doper, het
element waarin gedoopt wordt, het water, en degene die gedoopt wordt, de
dopeling. Deze doop voltrekt zich geheel in de zichtbare wereld. Bij de doop in
de Heilige Geest onderscheiden wij ook drie dingen: Jezus de Doper, de Heilige
Geest waarin of waarmee gedoopt wordt, en de dopeling. Deze doop voltrekt zich
in de onzienlijke of geestelijke wereld.
Jezus de Doper. Eenmaal
sprak Johannes de Doper: 'Ik doop u met water tot bekering, maar Hij, die na
mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen;
die zal u dopen met de Heilige Geest (Matth. 3:11). De voorloper voelde zich
ten opzichte van Jezus onwaardig, omdat deze een evangelie bracht van een
andere dimensie, namelijk van de geestelijke wereld. Dezelfde distantie kende
de hoofdman van Kapernaüm die beleed: 'Here, ik ben niet waard dat Gij onder
mijn dak komt' (Matth. 8:8). Deze
centurio werd slechts door aardse knechten gehoorzaamd, maar Jezus had gezag
over de geestenwereld in het Koninkrijk der hemelen.
Jezus is de Sterkere, omdat Hij als lam van God in de
hemelse gewesten de schuld der wereld wegnam. Jezus is de Sterkere, want door
Hem kwam de lichtzijde van de onzien-lijke wereld, het Koninkrijk Gods, over
ons. Wij zijn immers overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Jezus
is de Sterkere. omdat Hij de Doper is in de Heilige Geest. De wedergeboren mens
ontvangt door de doop in de Heilige Geest levenskraçht uit de onzienlijke wereld, die sterker is dan de kracht van de boze, zodat deze erdoor
overwonnen kan worden. Jezus is de Sterkere, omdat Hij met de Heilige Geest ook
diens begaafdheden toedeelt. Alleen toegerust met de gaven van de Heilige Geest
kan de mens rijpe en gave vruchten voortbrengen, die als een schat in de onzienlijke
wereld ten eeuwigen leven bewaard worden. Vreugde en vrede dalen neer in het
hart van degene, die de doop van de Sterkere heeft ondergaan.
Jezus is de Doper in de Heilige Geest en Hij leeft nu in
de onzichtbare, geestelijke wereld, want er staat: 'Nu Hij dan door de
rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des Heiligen Geestes van de Vader
ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort wat gij en ziet en hoort' (Hand.
2:33). Jezus sprak tot zijn discipelen, maar ook tot ons: 'Doch Ik zeg u de
waarheid: het is beter voor u, dat Ik
heenga. Want indien Ik niet heenga kan de Trooster niet tot u komen, maar
indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden' (Joh. 16:7).
De Heilige Geest waarin gedoopt wordt. Wij
schreven reeds dat de Heilige Geest onafscheidelijk met God verbonden is en
blijft. Hij opereert niet zelfstandig zoals de wereldgeesten en de
hemelgeesten. Door middel van de Heilige Geest zoekt God met de menselijke
geest contact. Hij ziet om naar zijn volk (Luc. 1:68) met als doel het zijn
liefde, barmhartigheid en ontferming te bewijzen en het deel te geven aan de
goddelijke natuur. Door de verbondenheid met de Heilige Geest en het bewaren van de woorden Gods, worden de
wereldgeesten of menselijke geesten één, zoals de Heer in zijn gebed sprak:
‘Opdat zij één zijn, gelijk Wij
één zijn; Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één’ (Joh. 17:22). Op deze wijze wordt de mens
gelijkvormig aan Jezus Christus,
die de afdruk van God is.
Een beeld van deze gemeenschap is het huwelijk tussen man
en vrouw. Er staat: 'En de Here God zei: Het is niet goed dat de mens alleen
zij, Ik zal hem een hulpe maken die bij hem past' (Gen. 2:18). Ook God wil niet
alleen zijn. Hij zocht een geest die bij Hem paste, die dus van hetzelfde
niveau was en Hij verkoos de menselijke geest. Jezus was de eerste mens met wie
God zijn doel bereikte, en door Hem
zullen vele zonen tot dezelfde heerlijkheid gebracht worden.
Wij lezen reeds op welke wijze deze eenheid met God tot
stand komt, want Jezus sprak: 'Ik in hen en Gij in Mij’. In de zienlijke wereld is langs deze weg de christen dan een
tempel Gods geworden, want ‘De Here nu is de Geest’ (2 Cor. 3:17). God nam zijn intrek bij Jezus en de Héér doet dit in
de gelovige. Zo maken Vader en Zoon woning
in de mens door de Heilige Geest. Met elkander vormen de tempeltjes één grote
tempel, zoals de (levende) stenen te samen het gebouw vormen, of de levende
stenen het lichaam.
Bij de doop in de Heilige Geest wordt vervuld: 'Wij (de
Vader en de Zoon) zullen tot hem komen en hij hem wonen' (Joh. 14:23). Zo zoekt
God een liefdesgemeenschap, maar ook een arbeidsgemeenschap met de mens. De
liefdesgemeenschap wordt uitgedrukt door de woorden: 'Maar die zich aan de Here
hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor. 6:17) en de arbeidsgemeenschap door de
woorden: 'Gods medearbeiders zijn wij’ (1 Cor. 3:9).
Bij de doop in de Heilige Geest wordt de mens ook met deze
Geest vervuld, evenals hij vervuld is met zijn menselijke geest. Er is geen
plaats in ons lichaam, waarin de menselijke geest zich niet bevindt, want
zonder geest is het lichaam, maar ook elk lichaamsdeel dood (Jac. 2:21). Wie
met de Heilige Geest gedoopt is, mag dus weten dat hij ook geheel met deze
geest doortrokken of doordrenkt is. Deze Geest versterkt de begaafdheden van de
menselijke geest en helpt ze ontplooien, want de gaven van de Heilige Geest
komen overeen met die van de menselijke geest, want de mens is immers naar beeld van God geschapen.
Onze geest is capabel om het lichaam in stand te houden
en hij kan ook de ziel goed laten functioneren. Ook is hij in staat contacten
te leggen in de geestenwereld en
kan zelfs gemeenschap zoeken met God. Hij is evenwel zwak
en vaak krachteloos geworden door de pressie van de boze geesten, die hem
aanvallen en verdrukken. Wie nu gedoopt is met de Heilige Geest, bezit een
geest die oneindig sterker en rijker begaafd is dan de menselijke geest. De apostel verweet de Galaten dat zij hun vertrouwen weer gesteld
hadden op de ‘zwakke en armelijke wereldgeesten’ in plaats van op de Geest
Gods, die zij in hun inwendige mens ontvangen hadden (Gal. 4:6,9). ‘God heeft ons immers niet gegeven een
geest van lafhartigheid, maar van kracht’ (2 Tim. 1:7).
Het verschil tussen het oude verbond en het nieuwe is, dat
de rechtvaardige eertijds de wet moest volbrengen met de zwakke menselijke
geest, terwijl hij nu Gods Geest bezit, die hem ondersteunt, 'opdat de eis der
wet vervuld zou worden in ons' (Rom. 8:4). Zonde en ziektemachten die ook de
gelovige trachtten te verleiden, te beïnvloeden en te bedreigen, worden nu met
behulp van de Heilige Geest overwonnen. Zo is er de belofte voor het lichaam:
'Indien de Geest van Hem die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, dan zal Hij die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook
Uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest die in u woont' (Rom. 8:11).
Door de geest kan ons vernedert lichaam niet alleen biologisch goed
functioneren, maar wij mogen ook door
onze handel en wandel 'God verheerlijken met ons lichaam'. De Heilige Geest is
het ook die onze ziel troost en leidt, zodat haar smarten geheeld worden en zij
de ontplooiing bereikt die past hij de mens Gods.
In de bijbel lezen wij dat kinderen Gods die gedoopt waren met de Heilige Geest, opnieuw werden
vervuld (Hand. 4:31). Deze Geest existeert op dezelfde wijze als de menselijke
geest. Deze werkt ook niet altijd op volle capaciteit. Hij kan inzinken en mat
worden, maar hij kan zich ook verheffen tot grote, scheppende prestaties. Zo
zijn er tijden dat de Heilige
Geest in de mens wel aanwezig is, maar niet in sterke mate functioneert. Het
kan zelfs gebeuren dat de christen zo bezig is met dingen die God niet behagen,
dat hij de Geest uitblust (1 Thess. 5:19). Maar de gelovige kan ook vervuld
worden met Gods Geest. Dan komen er sterke en krachtige impulsen rechtstreeks
van God door de mens heen, want deze is immers door de Heilige Geest met God
verbonden. Daarom schreef de apostel dat wij onze geest niet moeten stimuleren
door wijn of sterke drank, maar dat wij vervuld moeten worden met de Geest (Ef. 5:18).
KvO 36e jaargang nummer 13, 1 september
1972
(4)
De dopeling.
Wij zeiden dat de doop in de Heilige Geest geheel in de
onzienlijke wereld plaatsvindt. Jezus, de Doper bevindt Zich in de hemelse
gewesten en de Heilige
Geest waarin gedoopt wordt, is onzichtbaar, maar ook de dopeling vertoeft naar
de inwendige mens in de geestelijke wereld. Bij de doop in water wordt de
uitwendige mens ondergedompeld, maar bij de doop in de Heilige Geest, de
inwendige. Ziel en geest komen dus in aanraking met de Heilige Geest en worden
met Hem doordrenkt. Zo wordt de geest van de mens bij deze doop verenigd met de Geest van God, die de eigenschappen
en begaafdheden van God zelf bezit. De Heilige Geest is de krachtigste geest
die bestaat. Jezus sprak dat zijn discipelen aangedaan, bekleed of toegerust
zouden worden met kracht uit de hoge, dus met kracht uit de geestelijke wereld
(Luc. 24:49). Bij zijn afscheid herhaalde Hij de belofte; 'Gij zult kracht
ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt' (Hand. 1:8).
De kracht die in de inwendige mens komt, is de energiebron
waardoor de beloften van God in hem realiteit worden, want 'zijn goddelijke
kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt,
begiftigd door de kennis van Hem' (2 Petr. 1:3). Wie in de Heilige Geest
gedoopt wordt, mag zeggen dat 'God hem met de Heilige Geest en met kracht
gezalfd heeft', evenals dit voor onze Heer gold (Hand. 10:38).
Door de wedergeboorte gaat iemand in door de enge poort en
komt hij op de hoge weg. Door de doop in de Heilige Geest wordt hij toegerust
om erop te wandelen, want deze Geest geeft hem niet alleen innerlijke kracht,
maar ook kennis, wijsheid, onderscheiding, herstel, kortom alles wat hij nodig
heeft om waardig zijn plaats in het Koninkrijk Gods in te nemen en daar ook
dienstbaar te kunnen zijn. Wanneer hij aangedaan wordt met deze kracht uit de
hoge, wordt de koninklijke mantel om hem heengeslagen en krijgt hij autoriteit
in de geestelijke wereld. De doop met de Geest verheft de mens, maakt hem krachtig
en sterk en geeft hem zekerheid dat hij het voorgestelde doel van de
volkomenheid bereiken zal. Hij opent de weg tot een geheel ander leven, waarbij
de christen zich telkens realiseert dat de Geest van de Allerhoogste woning in
hem gemaakt heeft en dat deze Geest zijn geest leidt, opricht, sterkt en inspireert.
Een dwaling die onder een groot deel van de christenheid
aangehangen wordt, leert, dat een mens bij zijn wedergeboorte de Heilige Geest
ontvangt. Toch is het wonderlijk dat deze overgrote meerderheid nimmer zeggen
zal: 'Ik ben aangedaan met kracht van omhoog, of ik ben gedoopt in de Heilige
Geest, of mijn lichaam is een kostbare tempel van de Heilige Geest'. Liever
belijdt men zijn krachteloosheid en zijn onmacht. Men noemt zichzelf een arme
zondaar en men zegt: 'Wij blijven allemaal maar mensen en in ons vlees woont
... geen goed!' Wat men aangaande de doop in de Heilige Geest theoretiseert,
loochent men, zo belijdende, metterdaad. Wij willen ook nog wijzen op een
andere dwaling die tegenwoordig gebracht wordt, namelijk dat er een onderscheid
zou zijn tussen het ontvangen van de Heilige Geest en de doop in de Heilige
Geest. Men zegt dan dat de mens de Heilige Geest bij zijn wedergeboorte ontvangt,
maar dat bij de doop in de Heilige Geest een geestelijke kracht over hem komt,
die van buiten af op hem werkt. Dopen, beweert men dan, heeft alleen betrekking
op de buitenkant. Bij de doop in water wordt men immers ook alleen aan de
buitenkant nat, terwijl men neus en oren sluit, opdat het water niet zal binnendringen.
In Johannes 7:38 en 39 wordt evenwel gezegd: 'Wie in Mij gelooft, gelijk de
Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit
zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen
zouden'. Men redeneert dan: 'Deze stroom die van binnen uit de mens komt, kan
nooit veroorzaakt worden door de doop in de Heilige Geest, want deze ziet op
een bekleed worden aan de buitenkant. Dit ontvangen van de Geest moet dus
geschied zijn bij de wedergeboorte'.
Op deze wijze tracht een verwaterd pinksteren de kerkelijke
wereld in het gevlij te komen en spaart het de kool en de geit. Wij wijzen deze
dwaling met beslistheid van de hand, want zij vindt geen grond in de Schrift.
Wanneer iemand de Heilige Geest in zich heeft als een sproeiende fontein, wat
heeft deze uitwendige bekleding dan nog voor zin?
Wij zagen reeds dat de doop in de Heilige Geest niet de
uitwendige mens geldt, maar de inwendige. Wie in de Heilige Geest gedoopt
wordt, is in de geestelijke wereld bekleed met kracht uit de hoge. Hierdoor
wordt de mens van binnen uit vernieuwd en deze kracht wordt door hem ook
gebruikt om anderen tot zegen te zijn.
De geestelijke begaafdheden die de Heilige Geest meedeelt,
zijn tot opbouw van de gemeente. Men kan er zijn broeder en zijn zuster in de
Heer, mee dienen en verkwikken. Daarom wordt deze doop in de Heilige Geest
vergeleken met een bronwel of fontein, waaruit voortdurend stromen van water
vloeien. Om een ander beeld te gebruiken: 'De bladeren van het geboomte des
levens zijn tot genezing der volken' (Openb. 22:2). Zoals er onder het
bladerdak van een boom beschutting en verkwikking zijn tegen de brandende en
verzengende zonnestralen, zo is er heil en herstel voor allen die tegen de
beïnvloeding en beschadiging van de boze beschut worden door een gemeente,
waarin de geestelijke gaven krachtig werken.
Petrus sprak tot de verlamde aan de Schone Poort te
Jeruzalem: 'Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb (in de onzienlijke
wereld) geef ik u'. Van deze geestelijke kracht konden de apostelen zeggen, dat
het niet 'hun eigen kracht' was (Hand. 3:6 en 12).
In Handeling 8:1-18 lezen wij dat Filippus aan de Samaritanen
'de Christus predikte'. Zowel mannen als vrouwen schonken geloof aan deze prediker,
die het evangelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus
verkondigde. Daarna lieten zij zich dopen. Hadden deze mensen, die aan alle
voorwaarden van de waterdoop voldeden, nu de Heilige Geest ontvangen? Neen,
want enige tijd later baden Petrus en Johannes voor hen, ‘dat zij de Heilige
Geest mochten ontvangen'. Zij hadden dus als christenen weken en weken lang
geleefd zonder de Heilige Geest. Dit was dus mogelijk, hoewel de Heilige Geest
op Pinksteren uitgestort was. Maar evenmin als een onbekeerde automatisch de
vergeving der zonden ontvangt, doordat Jezus de schuld der wereld verzoende,
zomin ontvangt een wedergeboren mens vanzelf de Heilige Geest. Hij zal erom
moeten bidden en dan moeten geloven dat hij Hem ontvangen heeft. De apostelen
zeiden niet tot de Samaritanen: 'De Heilige Geest is uitgestort en jullie
hebben deze bij de wedergeboorte gekregen. Jullie, of ook wij, behoeven daar
niet meer om te bidden, want dan beledig je God', maar 'daar aangekomen, baden
zij voor hen, dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen, want deze was nog
over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in de naam van de
Here Jezus. Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige
Geest'. Deze Samaritanen functioneerden dus niet in het nieuwe verbond, hoewel
zij in Jezus geloofden en ook op bijbelse wijze in water gedoopt waren. Omdat
zij niet in de Heilige Geest gedoopt waren, behoorden zij niet tot het lichaam
van Christus. Hun geest was immers nog niet verbonden met de Geest die van
Christus uitgaat. Aan de Corinthiërs, die wel in de Heilige Geest gedoopt waren,
schreef de apostel evenwel: 'Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam
gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen
zijn wij met één Geest gedrenkt' (1 Cor. 12:13).
Wie de Geest niet ontvangen heeft, is niet één geest met de Heer, behoort dus
niet tot de vrouw des Lams (vergelijk 1 Col. 6:17).
Paulus schreef in Romeinen 8:9: 'Indien iemand echter de Geest van Christus
niet heeft, die behoort Hem niet toe'.
Apollos was een man Gods. Hij was ervaren in de Schriften
en in de weg des Heren onderwezen. Hij leerde nauwkeurig al wat Jezus betrof,
maar toch kende hij alleen de doop van Johannes en dus niet de doop in de
Heilige Geest. Evenals vele evangelisten in onze tijd bracht hij een boodschap
van bekering en vergeving van zonden. Priscilla en Aquila moesten hem echter de
weg Gods nauwkeuriger uitleggen (Hand. 18:24-28). Hieruit blijkt dat hij een
zeer belangrijk onderdeel van het heilsplan niet kende. De twaalf discipelen in
Efeze, die ook de doop van Johannes hadden ondergaan en in Jezus geloofden als lam van God dat hun zonden
weggenomen had, waren van dezelfde geestelijke statuur als Apollos, want zij
hadden zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest was. Niemand had dus met hen
gesproken over het ontvangen van de Heilige Geest. Paulus legde deze mannen
de handen op en toen kwam de Heilige Geest over hen (Hand. 19:1-7).
Op het niveau van deze discipelen in Efeze en van de
Samaritanen na hun waterdoop leven ook nu nog vele gelovigen; we zouden hen oudtestamentische
christenen willen noemen. Zij zijn misschien 'doorkneed in de Schriften', maar
blind voor de pinksterdoop en voor het eerste teken van het nieuwe verbond, het
spreken in tongen. Hoewel hun bijbel op vele plaatsen Jezus de Doper in de
Heilige Geest noemt, gebruiken zij deze uitdrukking nimmer. Zij loochenen deze
concrete ervaring. Zij hebben nimmer het ogenblik gekend dat zij konden zeggen:
'Ik herinnerde mij het
woord des Heren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gij zult
met de Heilige Geest gedoopt worden' (Hand. 10:16). Op de
vraag: 'Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, toen gij tot het geloof kwaamt?',
kunnen zij alleen theoretisch antwoord geven, daar zij zich nimmer uitgestrekt
hebben om enige begaafdheid van die Geest in hen werkzaam te doen zijn, hoewel
toch ook voor hen geldt: ‘Streeft dan naar de Geestesgaven' (1 Cor. 14:1).
Tenslotte nog een opmerking. In Mattheüs 3:11 staat: 'Ik
doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik
ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die zal u dopen met de Heilige
Geest'. De kanttekenaren van de Statenvertaling merken bij het voorzetsel 'met'
op: 'In het Grieks staat er 'in'. Waarom zij dan geen 'in' vertaalden, laat
zich wel verstaan. In hun strijd tegen de dopers vonden zij het voorzetsel
'in' niet goed bruikbaar. Omdat het hetzelfde voorzetsel betreft, kunnen wij
dus spreken over de doop 'in' water maar ook over de doop 'in' de Heilige
Geest.
KvO 36e jaargang nummer 14, 22
september 1972
(5)
Wat is spreken in tongen?
Een van de heerlijkste gaven die God aan de menselijke
geest geschonken heeft, is het vermogen om met andere menselijke geesten en
zelfs met God te communiceren en te converseren, dit wil zeggen gemeenschap te
hebben en gedachten uit te wisselen.
Onze geest creëert gedachten en kan deze doorgeven door
middel van de taal. De gedachten worden door het verstand via de hersenen tot
woorden en zinnen gemaakt en dan in
de natuurlijke wereld gebracht, waar ze kunnen worden opgetekend of op een band
vastgelegd. De mens gebruikt daarbij klanken die op zichzelf geen betekenis
hebben, maar die systematisch geordend de gedachten vertolken. Zoals de regels
bij het schaken een oneindig aantal mogelijkheden bieden aan het spel der
deelnemers, zo zijn deze klanken een soort code om in telkens nieuwe
combinaties over nieuwe onderwerpen bij andere mensen voorstellingen op te
roepen.
Het taalgebruik is dus een functie van de hogere geestenwereld,
evenals bijvoorbeeld het geloof. Daarom kunnen ook engelen met elkander
spreken, maar dieren en planten niet. Dieren kunnen slechts klanken voortbrengen
om aan hun gevoelsleven uitdrukking te geven. Dit komt bij de mens ook voor,
bijvoorbeeld wanneer hij schrikt, pijn heeft of blij is.
De engelen die alleen tot de onzienlijke wereld behoren,
kunnen zich natuurlijk niet hoorbaar uitdrukken, maar zij brengen hun gedachten
rechtstreeks over. Wij laten hier de mogelijkheid buiten beschouwing dat zij
zich zichtbaar manifesteren, zoals bijvoorbeeld bij Abraham, Gideon, Manoah of
op de velden van Efratha. Zo kunnen leugengeesten of dwaalgeesten de mens beïnvloeden.
Wie hier geen inzicht in heeft, meent, dat deze gedachten door hem zelf zijn
voortgebracht, maar Johannes schreef waarschuwend: 'Beproeft de geesten, of zij
uit God zijn' (1 Joh. 4:1). Ook de Heilige Geest wil onze menselijke geest en
daarmee ons gedachteleven inspireren, zodat wij in staat zijn de woorden Gods
uit te spreken (1 Petr. 4:11).
Er staat: 'Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest
en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te
spreken' (Hand. 2:4). Bij de
doop in de Heilige Geest wordt in geloof en vertrouwen de menselijke geest met
de goddelijke Geest verbonden. Deze neemt bij de mens zijn intrek Onze geest is
niet door en door verdorven, maar gereinigd zijnde, is hij een waardige partner
van de Heilige Geest, zoals er staat: 'Die Geest getuigt met onze geest' (Rom.
8:16), Vanaf dat ogenblik zal de christen zich moeten leren bewegen in de
geestelijke wereld van het Koninkrijk der
hemelen. Er gaat een nieuwe wereld voor hem open en dit vereist dat zijn geestelijk
oor en zijn geestelijk oog beginnen te functioneren en zich verder ontwikkelen.
De natuurlijke mens moet een geestelijk mens worden.
Nu leert de natuur dat de ontwikkeling van de menselijke
geest begint bij het gebruik van de taal. De baby neemt de woorden van zijn
moeder over en reproduceert deze al pratende, hoewel hij van de inhoud niets
begrijpt. Op gelijksoortige wijze vangt de ontplooiing van het geestelijke kind
van God aan, doordat het in de onzienlijke wereld het spreken van God in een vreemde
taal hoort en reproduceert. Na de ontplooiing van de natuurlijke mens behoort
die van de geestelijke mens te volgen, want 'het geestelijke komt niet eerst,
maar het natuurlijke en daarna het geestelijke' (1 Cor. 15:46), De
gelovige neemt dus de klanken en woorden in gehoorzaamheid
over, en door ze uit te spreken, brengt de menselijke geest ze in de
natuurlijke wereld, hoewel hijzelf niets verstaat van de zin, van de inhoud en
van de bedoeling ervan, 'want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen,
maar tot God, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij
verborgenheden' (1 Cor. 14:2).
Doordat tussen de onontwikkelde geest van het kleine kind
en zijn moeder een verbinding gelegd wordt. kan de laatste bouwen aan de
geestelijke ontwikkeling van haar kleine. Indien zij niet het kind praat, kan
zij de ontplooiing van zijn geestje niet stimuleren. De peuter begrijpt in
aanvang niets van wat zijn moeder vertelt, maar deze tracht toch contact met
haar kind te krijgen. Hoe heerlijk is het dan voor haar, wanneer zij bij de
kleine de eerste spontane reacties waarneemt. Zij bemerkt dan dat haar kind
zich op haar afgestemd heeft, haar hoort en haar gaat napraten. Hierdoor bouwt
de
kleine
zichzelf op!
Wanneer de Geest van God in zijn tempel komt, wil Hij ook
voortdurend in gemeenschap zijn met de menselijke geest. Hij wil met hem
spreken en hem beïnvloeden. Hij wil ook
de menselijke geest leren luisteren. Om deze
bedoeling en het wezen van het spreken in tongen duidelijk te maken, leerde
Paulus: 'In de wet staat geschreven:
Door lieden van een andere taal en door lippen van vreemden zal Ik tot dit
volk spreken, en toch zullen zij naar Mij niet luisteren, zegt de Here' (1 Cor. 14:21). Door de invasie van de
Assyriërs die met een barbaarse tongval spraken, wilde God eenmaal iets tot
zijn volk zeggen, maar het weigerde te luisteren en het reageerde niet naar
Gods wil (Jes. 28:11 en 12).
Zo spreekt de Heilige Geest in de onzienlijke wereld van het hart, tot de geest
van de mens. De gelovige die dit 'hoort', spreekt deze klanken en woorden in
gehoorzaamheid na.
Het spreken in tongen is de eerste reactie van de met de
Heilige Geest gedoopte christen. Deze zegt dan 'geheimenissen' vanuit dit
contact. Geen wonder dat dit spreken in tongen een opbouwende begaafdheid is
voor het persoonlijke, geestelijke leven, want ‘wie in een tong spreekt, sticht
zichzelf' (1 Cor. 14:4).
Het kind dat zijn moeder napraat, leert luisteren, horen
en weergeven. Het ontwikkelt zich op deze wijze. Het leert zijn moeder naspreken
in de beslotenheid van eigen huis en het herkent haar stem. De Heilige Geest
woont in ons 'huis' en er is zelfs sprake van zijn tempel; daarom spreken wij
Hem ook na.
Soms zijn ouders tweetalig en dan leert het kind twee talen spreken. De
Heilige Geest heeft kennis van alle dingen en kent alle talen, zowel van de
mensen als van de engelen. Daarom is het mogelijk dat de christen de 'tongen
der mensen en der engelen' van de Heilige Geest als het ware opvangt en
overneemt. Paulus schrijft over de gave van 'allerlei tongen' (1 Cor. 12:10). Vóór dit spreken in
tongen moet het kind van God leren zich op de Heer te oriënteren, naar Hem te
luisteren en te reageren door Zijn woorden weer te geven.
Wanneer een kind naar zijn moeder luistert en haar naspreekt,
leert het ook het klimaat te onderscheiden dat van zijn moeder uitgaat. De
liefdevolle sfeer maakt de kleine blij. Op deze wijze leert het kind van God,
in tongen sprekende, het klimaat van de Heilige Geest kennen en zich daarin
verblijden. Paulus schreef niet voor niets:
'Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek' (1 Cor.14:18). Ook hier geldt bij het
luisteren naar de stem van de Heilige Geest: 'Wie een oor heeft, die hore'. Wij
merken op, dat degene die zich in tongen gaat uiten, geen broeder of zuster
mag naspreken, maar zich in geloof moet richten op de Geest die woning in hem
gemaakt heeft. Wanneer de menselijke geest zich op deze wijze aan de Heilige
Geest hecht en met Hem verbonden is, zal hij zich ook koesteren in het klimaat
van het Koninkrijk Gods en daardoor vertroost en opgebouwd worden. Het
spreken in tongen voert ons in de gemeenschap en in de nabijheid van God.
Zoals een kind rustig speelt en intussen zijn moeder nababbelt,
zo kan de gelovige steeds in tongen spreken, ook al moet hij zijn natuurlijke
bezigheden verrichten. Men kan al sprekende in tongen de auto besturen, de vaat
wassen, de kamer stoffen, de akker ploegen en de koeien melken, maar men kan
niet in tongen spreken en tegelijkertijd geestelijk werk doen, zoals onderwijs
geven of creatieve arbeid verrichten.
Men heeft vaak beweerd dat het spreken in tongen bij de
kinderleeftijd van de kerk behoorde. Men schrijft daarom: 'Nu de kerk
volwassen geworden is, hebben wij dit spreken in tongen niet meer nodig'. Onder
deze volwassenheid verstaat men dan de ouderdom der kerk van bijna twintig
eeuwen en haar uitbreiding over haast alle landen der wereld. Het christendom
is een groot lichaam geworden, maar dit wil niet zeggen dat al haar leden nu
ook geestelijk volwassen zouden zijn. Al is de akker groot, dan zal toch iedere
aar afzonderlijk tot rijpheid moeten komen. In de natuurlijke wereld kan ook
een debiel een volwassen lichaam hebben, terwijl zijn geest is achtergebleven.
Het is evenwel noodzakelijk dat ieder lid de geestelijke volwassenheid bereikt
en zich ontplooit tot een man Gods, die tot alle goed werk volkomen toegerust
is (2 Tim. 3:17). Tot deze geestelijke
opbouw heeft ieder het spreken in tongen nodig ten einde niet te verachteren in
de genade, 'want wie in een tong spreekt, sticht zichzelf!' Hij keert door het
gebruik van dit charisma telkens weer terug tot God in de onzienlijke wereld.
Daarom kon de apostel in verband met deze opbouwende werking, schrijven: 'Ik
wens u allen toe dat gij in talen moogt spreken' (1Cor. 14:5 vert. Canisius).
KvO 36e jaargang nummer 15, 13
oktober 1972
(6)
De betekenis van het spreken in
tongen
Het spreken in tongen is de begaafdheid van de mens om
hetgeen zijn geest in de onzienlijke wereld verneemt, hoorbaar in de
natuurlijke wereld te brengen. Dit is dus geheel iets anders dan het vermogen
van de inwendige mens om zelf in de geestelijke wereld gedachten te produceren
en deze door middel van de taal door te geven, dus het gewone spreken. Er
staat: 'En begonnen met andere tongen te spreken, zoals Géést het hun gaf uit
te spreken' (Hand. 2:4). Bij het spreken in tongen richt de christen zich op
God en zijn Geest begint te luisteren naar wat de Heilige Geest tot hem spreekt.
Ook hier geldt: 'Wie een (geestelijk) oor heeft, die hore wat de Geest zegt'.
Door dit luisteren en spreken komt de christen in het klimaat van het Koninkrijk
Gods, dat resulteert in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap' (Rom. 14:17).
Deze bediening van de Geest is vanwege deze sfeer immers overvloedig in heerlijkheid
(2 Cor. 3:8 en 9).
Er zijn ontzaglijk veel dingen die de mens van God aftrekken,
maar door de begaafdheid van de glossolalie bezit hij een middel, dat bewust in
werking gesteld kan worden om de natuurlijke wereld enige tijd los te laten ten
einde zichzelf op te bouwen in de geestelijke wereld, want 'wie in een tong
spreekt, sticht zichzelf’ (1 Cor. 14:4). Dit betekent dus een innerlijke of
geestelijke versterking, een bekrachtiging van de inwendige mens, zoals er
staat: 'Opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht
gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens' (Ef. 3:16). Op deze
wijze heeft de Heilige Geest gemeenschap met de mens en kan Hij langs deze weg
in hem werken, zijn gaven aan hem meedelen, omdat de gelovige zich aan zijn leiding
toevertrouwt. Zo is de christen op weg zich te ontplooien tot de mens Gods die
tot alle goed werk volkomen is toegerust. Deze samenwerking van de menselijke geest
met de goddelijke Geest gaat van de mens uit.
Ten einde in tongen te spreken, nadert hij tot God en Deze
nadert tot hem (Jac. 4:8). Ook dan geldt: 'Wie tot God komt, moet geloven dat
Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken' (Hebr. 11:6).
Wanneer de apostel Paulus de gemeente te Corinthe vermaant
de liefde na te jagen en te streven naar de begaafdheden van de Heilige Geest,
is dit woord voor alle gemeenten van Jezus Christus en voor alle tijden bedoeld
(1 Cor. 14:1). De brieven van Paulus gaven richtlijnen aan voor de gelovigen in
Macedonië en voor de gehele antieke wereld, maar zij doen dit ook voor
hervormden, gereformeerden, evangelischen en volleevangeliechristenen in onze
tijd. De apostel brengt het bezit der geestelijke gaven in verband met het
uitzien naar de openbaring van de zonen Gods, want hij schrijft: 'Zodat gij ten
aanzien van geen enkele genadegave te kort komt, terwijl gij uitziet naar de
openbaring van onze Here Jezus Christus' (1 Cor. 1:7). Want de Heer zal met
verbazing aanschouwd worden in allen die geloven (2 Thess. 2:10). Zonder de
uitingen des Geestes wordt de weg der heiligmaking geblokkeerd. Paulus schrijft
dat het spreken in tongen de geestelijke opbouw van de christenen bevordert.
Daarom kon hijzelf God voor deze gave danken (1 Cor. 14:18).
De vrucht des Geestes en de gaven des Geestes zijn in de
bijbel onafscheidelijk verbonden. De begaafdheden van de Heilige Geest dienen
tot ontwikkeling van de gelovige en van de gehele gemeente. Wanneer deze gaven
door de liefde werken, vormen zij de 'weg, die nog veel verder omhoog voert',
dit wil zeggen de christen verder brengt in het Koninkrijk Gods (1 Çor. 12:31).
Daarom dankte de apostel dat hij meer dan allen in nieuwe tongen sprak. Hij
kende uit eigen leven het nut der
geestelijke begaafd-heden in het bijzonder de betekenis van het spreken in
tongen als begin van zijn geestelijke groei.
Wie de woorden van Paulus serieus neemt, zal dan ook
ongetwijfeld het advies opvolgen om naar de geestelijke gaven te ijveren. Wie
gedoopt is met de Heilige Geest, heeft de drager van alle gaven in zich. Hij
behoeft niet op te klimmen naar de hemel, maar hij moet de Geest slechts
gelegenheid geven door hem heen te werken.
Gods Woord is niet vaag of nevelachtig, wanneer het
spreekt over het verwerven van geestelijke zegeningen en over het ontvangen van
kracht in de hemelse gewesten. Maar men zal de wetten van het Koninkrijk der
hemelen in acht moeten nemen, de weg des geloofs moeten gaan en zich willen
toevertrouwen aan de leiding van de Heilige Geest. Daarom is de glossolalie de
basisgave van de geestelijke mens. Deze kan zeggen: 'Ik heb geloofd, daarom
heb ik in tongen gesproken'.
De glossolalie is het eerste zogenaamde charisma om zich
in de hemelse gewesten te bewegen. Ieder kind van God moet daarom dit
Pinksteren beleven, want voor alle gelovigen geldt: 'In nieuwe tongen zullen
zij spreken'. Dit spreken is niet zinloos, maar heeft een bedoeling. Wij willen
enkele punten noemen om aan te tonen. hoe belangrijk de glossolalie is:
Men verheerlijkt God. In
Handelingen 2:11 wordt
aangaande het spreken in tongen met betrekking tot de discipelen opgemerkt:
'Wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken'. In
Handelingen 4:46 staat: 'Zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken'.
Hoe is dit mogelijk? Omdat de christen door deze begaafdheid zich los kan maken
van de zuigkracht van het natuurlijke leven; zó kan hij zijn hart of de
inwendige mens tot God verheffen. Hij bouwt zichzelf op in deze gemeenschap en
erkent God als zijn God, dat wil zeggen als zijn Inspirator en Voorwerp van verering.
Dan komt het klimaat van het Koninkrijk Gods over hem; dit verschaft hem de
vreugde om God te loven en te prijzen voor alles wat Hij voor de mens gedaan
heeft en nog doet. In 'tongentaal' kan de geest nu zeggen: 'Ik laat een loflied
horen en vertel uw wonderen' (Ps. 26:7). Dan wordt waarheid: 'De tong der
stamelaars zal in staat zijn tot duidelijk spreken' (Jes. 32:4).
De christen mag dus in de geestelijke wereld voor de troon
van God zijn getuigenis uitspreken en 'wie lof offert. eert Mij en baant de weg
dat Ik hem Gods heil doe zien' (Ps. 50:23). Hier geldt: 'Zie, Ik leg mijn
woorden in uw mond' (Jer. 1:9). De
tongenspreker kan zeggen: 'Ik wil de Here te allen tijde prijzen, bestendig
zij zijn lof in mijn mond' (Ps. 34:2).
'Wie talen spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor
God, want niemand verstaat het, maar in geestverrukking spreekt hij
geheimzinnige woorden uit' (1 Cor. 14:2 vert.
Canisius). Wanneer een zuigeling met onverstaanbare, zelf geproduceerde,
onverstaanbare klanken God kan loven, omdat hij in de natuurlijke wereld aan
het doel van zijn Schepper beantwoordt (Ps. 8:3), dan mag het kind van God door
vreemde talen zijn Herschepper grootmaken, omdat het rijk Gods in hem
existeert.
Men baant de weg tot profetie.
Profeteren is het doorgeven van de gedachten Gods in de eigen taal van de
hoorders hoewel het niet zeker is dat dezen de inhoud van de profetie direct
goed begrijpen. Vaak geldt in dit geval: gij zult het na dezen verstaan. Het is
dan zaak de geprofeteerde woorden in het hart te bewaren, ten einde er later
winst mee te doen. Ook degene die de profetie uitspreekt, begrijpt niet altijd
direct de dingen waarover hij het heeft. Evenals bij het spreken in tongen is
zijn verstand op dat ogenblik vruchteloos. Later zal hij kunnen naspeuren op
wie en voor welke tijd de Geest van Christus in hem doelde (1 Petr. 1:10). Zulk een profetie wordt
dikwijls voorafgegaan door het spreken in tongen en kan beginnen met de
woorden: 'Zo spreekt de Heer'.
Door middel van de glossolalie stelt de profeet zich volkomen
af op de Heilige Geest, die Zich door Hem wil openbaren en aan de hoorders, een
vermaning, een vertroosting of een bemoediging wil geven. De profetie is dus,
in tegenstelling met de glossolalie, opbouwend voor de gemeente. opdat de
luisteraars Gods gedachten kunnen vernemen.
Opmerkelijk is dat het spreken in tongen van de discipelen
op de Pinksterdag voor de Parthen, Meden, Elamieten. enzovoort overkwam als profetie, want dezen hoorden hen in hun
eigen taal de grote werken Gods verkondigen. Bij de profetie waarover wij hier
spreken. geldt - evenals bij het spreken in tongen - dat de menselijke geest
wel bezig is om de gedachten van God over te nemen, maar dat het verstand niet
werkzaam is.
Het spreken in tongen vóór de profetie is een introductie;
want hierdoor wordt de geest in bijzondere mate op God gericht en begint de
profeet te luisteren. De weg tot profeteren wordt dus geëffend, want de geest
raakt los van zijn omgeving en van de natuurlijke situatie en gaat zich geheel
afstemmen op de Heilige Geest. In deze sfeer is het mogelijk zonder vermenging
met eigen gedachten of inspiratie van boze geesten, rechtstreeks de gedachten
van God te vertolken, want de schapen kennen de stem van de goede Herder en zij
zullen de stem van de vreemde zeker niet volgen.
Wij merken in dit verband op,
dat wanneer in Handelingen 19:6 gezegd wordt: 'Zij spraken in tongen en
profeteerden' bij vele profeten de glossolalie de springplank is tot
profeteren. Beide gaven functioneren dus op dezelfde wijze, maar bij de
glossolalie wordt alleen de spreker opgebouwd, terwijl de profetie door de gehele gemeente wordt verstaan en
haar leden sticht. Profeteren is het spreken van de woorden Gods. Dit kan
bijvoorbeeld ook geschieden in een toespraak, waarin de Geest tot de gemeente
spreekt. Hierbij is evenwel het verstand niet onvruchtbaar. God sprak dan door
zijn Woord en door zijn Geest tot de voorganger en deze verwerkte de goddelijke
gedachten met zijn verstand, begreep ze en bracht ze al sprekende over aan
zijn hoorders. De spreker zelf is volledig bij het gesprokene geïntegreerd.
Voor hem in het bijzonder geldt dan: 'Spreekt iemand, laten het woorden zijn
als van God' (1 Petr. 4:11). Zulk een 'profetie' kan in de binnenkamer wel
voorafgegaan zijn door tongentaal. maar in het openbaar wordt zij niet aldus
geuit.
KvO 37e jaargang nummer 16, 3
november 1973
(7)
De betekenis van het spreken in tongen
Men kan onder
verdrukkingen tot de Heer roepen. Als men in moeilijkheden
verkeert. of wanneer men de noden van anderen voor de Heer brengt, kan men in
verstaanbare woorden zijn gedachten en gevoelens uitdrukken, maar men kan dit
ook al tongen sprekende doen.
In Romeinen 8 :26 en 27 schrijft Paulus: 'En evenzo komt
de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar
behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.
En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij
namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit'.
Uiteraard spreekt de Geest altijd in 'woordeloze' taal tot
ons. In zijn zuchten verlangt Hij evenals wijzelf. naar de volledige openbaring
van het zoonschap Gods in ons, hetgeen de boze tegenwerkt. Daarom 'komt Hij
onze zwakheid te hulp', dat is: Hij neemt deel aan onze zwakheid. of Hij tilt
ons op in onze zwakheid; in onze zwakheid openbaart zich immers eerst ten volle
zijn kracht (2 Cor. 12:9). De Geest zucht, omdat Hij in een aarden vat woont,
in een sterfelijk lichaam. Hij woont liever in een onverderfelijk en
onaantastbaar opstandingslichaam dan in een vergankelijk vlees, dat zwak en
verleidbaar is, dat aangevallen wordt en onder pressie van de demonen staat.
Bidden is bezig zijn in de onzienlijke wereld en de Geest
bidt daar voor ons. opdat wij stand zullen houden en het doel van God, de
volkomenheid, zullen bereiken. Door in tongen te spreken is het mogelijk deze
onhoorbare verzuchtingen van Gods Geest over te nemen met onze geest, en door
middel van de glossolalie in de natuurlijke wereld openbaar te maken, hoorbaar
maar niet verstaanbaar.
Een mens zucht ten einde ruimte te verkrijgen, omdat er
pressie op hem uitgeoefend wordt. Deze druk wil hij afwentelen en bovendien in
dit verband aan de hoop op de volkomenheid een grotere plaats geven. De Geest
ondersteunt onze geest in deze strijd. ten einde de
pressie van de machten te weerstaan. God ziet wat zich innerlijk in ons
afspeelt en Hij kent het verlangen van de Geest als pleitbezorger en trooster,
want het is zijn eigen begeerte. Het kind van God zucht immers naar het
zoonschap en de Geest zucht mee, omdat dit naar de wil van God is. De Geest
pleit, geeft dus bijstand. omdat de mens in nood verkeert en het de wil van
God is hem te helpen en uit te redden. De Geest kent immers 'het gemaakt
bestek' van God voor de mens en Hij kent óók de diepste gedachten van God. In
onze benauwdheden bidt Hij mee, opdat wij door zijn ondersteuning het doel
zullen bereiken. In deze worsteling tegen de boze geesten gebruikt de Heilige
Geest de taal als een wapen van Godswege en voor zijn aangezicht. Neemt de mens
haar als tongentaal over, dan geldt wel in het bijzonder: 'Wie in tongen
spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door
de Geest spreekt hij geheimenissen' (1 Cor. 14:2).
In Efeziërs 6:18 vermaant de apostel in verband met de
strijd in de hemelse gewesten: 'En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken
bij elke gelegenheid In de geest, daartoe wakende met alle volharding en
smekingen voor alle heiligen'. Men moet zich als christen nimmer laten
verleiden om op het natuurlijke terrein de strijd voort te zetten, hetzij door
lichaamskracht, hetzij door redeneringen of door gevoelsargumenten. Wanneer men
werkelijk de goede strijd des geloofs strijdt, moet men het natuurlijke leven
buiten de worsteling houden en zijn vrede en blijdschap onder geen beding laten
roven. Tijdens dit aanhoudend bidden moet in de inwendige mens de smeekbede
zijn: 'Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij, Here. toon wie Gij zijt
en dat uw woord met zijn beloften de waarheid is, waarvoor de vijand wijken
moet'. Voortdurend en onafgebroken moet men dus in de geestelijke wereld zijn verwachting
op God en zijn woord gericht houden. De mogelijkheid bestaat immers dat men de
geestelijke strijd opgeeft en staakt, en agressief in het vlees verder gaat met
het zoeken van de oplossing, of depressief en nalatig geworden, door matheid
van ziel verslapt.
Wij merken op, dat de strijd in de geest door de ondersteuning
van de Heilige Geest niet vermoeit, omdat de ziel in rust en in vrede blijft.
Een gelovige strijdt dan in de onzienlijke wereld met gezag en zekerheid. Om
deze kamp te kunnen winnen, moet men wakker zijn en de ogen en de oren open
hebben in de geestelijke wereld, ten einde het contact met God vast te houden
en een juiste visie op de vijand te hebben. Op deze wijze waken en strijden wij
niet alleen voor ons zelf, maar voor alle heiligen...en voor het gehele huisgezin
Gods.
Bij dit bidden of bezig zijn in de geestelijke wereld is
het spreken in tongen een aparte genadegave. Onze noden en zorgen vertrouwen
wij aan God toe en dan bidt de Heilige Geest voor ons en door ons op de juiste
wijze. Wij mogen deze goddelijke gebeden immers opvangen en door middel van de
glossolalie hoorbaar weergeven. Zonder deze gave gaat het bidden van de inwonende
Heilige Geest buiten ons om en wijzelf hebben daar geen deel aan. Wanneer wij
naar de woorden luisteren die wij door middel van de tongentaal uiten, hebben
wij de absolute zekerheid dat wij bidden naar de wil van God. Op deze wijze
kunnen wij ook voor anderen op de bres staan: voor onze kinderen. onze
zendelingen, onze zieken en onze gemeenteleden.
Enkele jaren geleden baden wij eens voor een Indonesische
vrouw die in nood was.
Opmerkelijk was het voor ons dat, toen wij vóór de bediening in tongen spraken,
wij overgingen in een waarschijnlijk oosterse taal, die wij voorheen nooit
tijdens het spreken in tongen gebruikten. Blijkbaar had de Heilige Geest in de
onzienlijke wereld reeds de strijd aangebonden tegen de machten uit haar
vaderland die deze vrouw gevangen hielden. De apostel sprak over 'de tongen der
mensen en der engelen' (1 Cor. 13:1). In deze verscheidenheid van talen ligt
een rijkdom van genade.
Neen, de glossolalie is niet voor de kinderkamer, en de
apostel die van zichzelf sprak: 'Nu ik een man geworden ben, heb ik afgelegd
wat kinderlijk was' (1 Cor. 13:12), getuigde ook: 'Gode zij dank, meer dan gij
allen spreek ik in geestestalen' (1 Cor. 14:19 vert. Brouwer). Ook noemt Paulus
het spreken in 'allerlei tongen' een apart charisma (1 Cor. 12:10).
Men kan onder het spreken in tongen
duivelen weerstaan of uitdrijven. Jezus sprak aangaande de
gelovigen: ‘In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen
zullen zij spreken' (Marc. 16:17). De bijbel leert, dat geen enkele
wetteloosheid van God komt. Van Hem zijn alleen goede gaven (Jac. 1:17). In
Jesaja 54:15 getuigt God van Zichzelf: 'Valt men heftig aan, dan gaat dat van
Mij niet uit!' Alle ziekte, verslaving, afwijking, gebondenheid,
gedeprimeerdheid, leugen en angst, komen voort uit de activiteiten van de boze
geesten. Ook hier geldt de waarheid uit Hebreeën 11:3, dat de dingen die men
ziet, niet ontstaan zijn uit het waarneembare, maar dat zij uit de onzienlijke
wereld tot ons komen.
Wie aangevallen wordt door boze geesten, onder pressie
komt van doodsmachten, overmeesterd wordt door angst, of wie de zonde moet doen
hoewel hij dit niet wil, moet zich allereerst van de gedachte bevrijden dat
deze wetteloosheden in zijn eigen geest, ziel of lichaam ontstaan zouden zijn.
Hij zal te allen tijde de boze verwekker de schuld moeten geven, ook al is hij
medeverantwoordelijk, doordat hij evenals Kaïn de deur voor de vijand opende.
Wie deze geestelijke realiteit inziet zal de strijd tegen de vijand van God en
van de mens aanbinden. Daarom moet men voor zulk een worsteling niet aan de
aarde gekluisterd zijn, maar men zal zijn geest moeten verheffen naar het
terrein van de strijd, namelijk naar de hemelse gewesten. Daar zijn ook de
helpers: de Vader in de hemel die groot van barmhartigheid is, Jezus Christus
die gezeten is op de troon, van de Vader en daar voor ons pleit, de Heilige
Geest die van de Vader en van de Zoon uitgezonden wordt om ons te versterken en
te troosten, en ten slotte de heilige engelen die uitgezonden worden ten
dienste van degenen die de zaligheid zullen beërven.
Door het bidden in tongen verplaatst men zich naar de
onzienlijke wereld, spreekt niet meer tot mensen maar richt zijn aandacht op
God. Men bouwt zich al sprekende in tongen, op in zijn geloof (1 Cor. 14:2 en 4). Veronderstel dat u op een
lange rit in de auto door onreine demonen aangevallen wordt. Als christen wilt
u dit niet, maar uw gedachten cirkelen steeds om dat ene punt. Wilt u hiervan
loskomen, dan moet u zich eerst bewust zijn dat u met de geestenwereld te maken
heeft, die uw gedachteleven wil infiltreren. Daarna zult u het wapen mogen gebruiken
dat God u geschonken heeft. U gaat bewust in tongen bidden. U neemt daarbij de
gedachten van de Heilige Geest over en dan zult u bemerken dat de boze nu op
moet houden langer uw aandacht in beslag te nemen. Doordat men zich bewust op
de inspiratie van de Heilige Geest afstemt, worden de ingevingen van de onreine
geest afgesneden. Niemand toch kan tegelijkertijd twee heren dienen. Wij willen
immers onze leden, maar ook ons gedachteleven, Gode ten dienste stellen tot
heiliging. Door middel van dit charisma kunt u de boze weerstaan en verdrijven
met woorden van kracht en gezag.
Wij schreven al dat wanneer wij geroepen worden om anderen
in de geestelijke strijd terzijde te staan, gebruik kan worden gemaakt van de
tongentaal. Door het overnemen van de gezaghebbende gedachten van de Heilige
Geest weten wij ons sterk tegenover de boze geesten en het krachtig gebed van
de rechtvaardige dat erop volgt, in de eigen taal, zal de machten der
duisternis verdrijven, de gebondene vrijmaken en de zieke genezing brengen. Zo
staat er van Jezus, dat Hij de geesten uitdreef met zijn woord (Matth. 18:16).
Het is dan als op een schoolplein waar een jongen door een grotere op de grond
geworpen wordt. Eerst zal hij zich nog verzetten, maar hij is niet sterk
genoeg. Dan komt de onderwijzer te hulp en scheidt met het woord van zijn gezag
de aanvaller en de aangevallene. Het is voor de jongen op dat ogenblik niet
meer nodig zelf te vechten, maar hij moet zijn vertrouwen volkomen stellen op
de autoriteit die van zijn meester uitgaat. Wanneer iemand voor zich laat
bidden en zich de handen laat opleggen, wordt van hem op dat ogenblik alleen
geloof gevraagd. Hij behoeft zelf niet in tongen mee te bidden. Dit kan zelfs
verwarrend en storend zijn.
In de strijd met de boze geesten geldt ook voor de 'zonen
Gods' dat zij met de Heilige Geest en met kracht gezalfd zijn en dat zij hen
bevrijden zullen, die door de duivel overweldigd zijn (Hand. 10:38). Wanneer na
het behalen van de overwinning de Heer in nieuwe tongen geprezen wordt, zal de
bevrijde daar van harte aan kunnen meedoen.
Men kan bidden en zingen in nieuwe
tongen. De apostel schrijft in 1 Corinthiërs 14: 15: 'Ik zal
bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lofzingen met
mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand'.
Paulus bad in tongen, dus met zijn geest luisterde hij
naar de stem van de Heilige Geest die in hem woonde, en hij begon te bidden in
een taal die de Geest hem deed uitspreken. De Heilige Geest die alle dingen
doorzoekt en alle dingen kent, was niet alleen op de hoogte van de moeite, de
strijd en de zorgen van de apostel, maar ook van diens vreugde en vrede.
Wanneer hij aan de gemeenten dacht, kon hij, geleid door de Heilige Geest, door
middel van de tongentaal de noden en de zorgen van zijn broeders voor God
brengen, maar hij kon ook danken en lofprijzingen uitspreken vanwege de
voortgang van het volle evangelie door zijn prediking. Volgens zijn eigen
woorden was het bidden in tongen of het bidden in zijn geest een essentieel
deel geworden van zijn gemeenschap met God en dit betekende voor hem
innerlijke geestelijke opbouw, dus het met kracht versterkt worden naar de
inwendige mens. Op deze wijze was het de apostel. als instrument van de Heilige
Geest, vergund om het gebed van de Geest voor de troon van God in de
natuurlijke wereld te openbaren. Zo kon hij met aandacht luisteren naar de
woorden en de zinnen die in hem gevormd werden, zoals een musicus op zijn orgel
de klankencombinaties weergeeft, die in zijn eigen menselijke geest geproduceerd
worden.
Wij kunnen ons voorstellen dat Paulus met zijn metgezellen
op hun lange voetreizen veel in tongen baden. Zo konden zij ook reeds slag
leveren in de hemelse gewesten, voordat zij een heidense stad binnenkwamen.
Wij herinneren ons uit eigen ervaring hoe wij eens gedrongen werden voor een
bepaald persoon geruime lijd in nieuwe tongen te worstelen. Wij verlieten deze
persoon en gingen naar huis. De volgende dag ontvingen wij een brief waarin
deze persoon verrelde, dat hij ternauwernood aan een dodelijk gevaar ontkomen
was. Het gebed in tongen kon bij de apostel overgaan in het lofzingen met zijn
geest. In Efeziërs 5:19 roept hij de gemeente op dit ook te doen. Hij schrijft
daar: 'Wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in psalmen.
lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte'. Deze
geestelijke liederen zijn geen verzen uit onze zangbundels naast de psalmen en
gezangen der kerk, maar geestesliederen gezongen in nieuwe tongen.
In vele gemeenten zingt men tegenwoordig op de melodie
van bekende hymnen, in nieuwe tongen, ieder dus in een taal die de Geest geeft
uit te spreken. Dit is bijbels verantwoord. Daar ieder zichzelf in de geest
sticht, wordt de gehele gemeente opgebouwd, terwijl door muziek en zang ook de
zielen verkwikt worden. Wanneer het mogelijk is dat in een gemeente allen in
tongen spreken, is het zeer zeker ook geoorloofd dat allen in tongen zingen (1 Cor. 14:23). Hoewel de
broeders en zusters de geestes-liederen niet verstaan. worden zij er toch door
opgebouwd. Ditzelfde geldt immers ook vaak, wanneer men bijvoorbeeld
vierstemmig een canon zingt. Voor de meeste leden vraagt dit zowel aandacht en
inspanning, dat zij ook niet meer aan de inhoud van hetgeen zij zingen, kunnen
denken. Het verstand is dan ook ‘vruchteloos'. Toch wordt het zielenleven
door zulk gezang verkwikt.
Vele kinderen Gods zingen in nieuwe tongen wanneer zij
alleen zijn. Misschien doen zij dit op melodieën die de Geest erbij geeft, maar
wellicht ook op bekende wijzen.
Soms komt het voor dat in de gemeente een lid in nieuwe tongen een solo zingt. Soms geeft ook de
Geest een meerstemmig lied dat zuiver klinkt. Het is een manier om de Heer
groot te maken, en: wie lof offert, baant de weg dat God hem zijn heil doet zien.
Wanneer de apostel betuigt dat hij met zijn geest in
tongen God loofde, ligt het voor de hand te denken dat Paulus en Silas in de
kerker te Filippi te middernacht ook in tongen God verheerlijkten. Juist in
deze situatie
was het nodig volkomen in de geestelijke wereld te vertoeven, ten einde de
duivel te verhinderen hen te deprimeren en te beangstigen. Is het wonder dat er
toen wonderen gebeurden en God zijn heil deed zien? ‘Maar omstreeks middernacht
baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar
hen. Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der
gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen
raakten los' (Hand. 16:25-27).
Ook in de lofprijzing en in het zingen in tongen heeft de
nieuwtestamentische gemeente er een dimensie bij gekregen om haar Heer groot te
maken. Laten wij deze mogelijkheid benutten en ons houden aan het bijbelse
patroon en luisteren naar wat de apostelen zeiden, ten einde niet verstrikt te
raken in allerlei negatieve benaderingen door een theologie die in haar
verblindheid en kortzichtigheid bewust deze goddelijke waarheden en zegeningen
loochent en verwerpt.
KvO 36e
jaargang nummer 17, 24 november 1972
(8)
Men kan in tongen een zegen of dankzegging uitspreken.
Want anders, indien gij een zegen uitspreekt met uw geest,
hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen
spreken?' (1 Cor. 14:16).
Men is bijvoorbeeld dankbaar voor een redding, genezing,
uitkomst, of men uit zijn vreugde omdat Gods Geest krachtig in de gemeente
werkzaam is. De geest van de mens wil hiertoe een dankzegging of zegen uitspreken.
Zo sprak Zacharias bij de geboorte van zijn zoon: 'Geloofd (of 'gezegend.') zij
de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het
verlossing gebracht' (Luc. 1:68). Bij de intocht van onze Heer te Jeruzalem
riep de schare: 'Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in de naam
des Heren' (Matth. 21:9). Zo zullen wij bijvoorbeeld ook zegenen wie ons
vervolgen (Rom. 12:14). Bij het avondmaal zegenen wij 'de beker der
dankzegging' (1 Cor. 10:16).
Wanneer de Geest in 'woordeloze' taal kan zuchten naar de
openbaring van de zonen Gods, kan Hij eveneens op dezelfde wijze danken en
zegenen. Door het spreken in tongen is het mogelijk deze dankzeggingen en
zegeningen over te nemen in hoorbare
maar niet verstaanbare talen, in de gemeente te brengen. Ter wille van de andere gemeenteleden is het nodig zulk
een dankzegging te vertolken, want de tongenspreker wordt er wel door verkwikt
en opgebouwd, maar de buitenstaander kan er geen 'amen' op zeggen: 'Want gij
spreekt weliswaar een voortreffelijk dankgebed uit, maar de andere wordt er
niet door gesticht!' (1 Cor. 14:17 vert. Brouwer). Merk op dat er sprake is van
een voortreffelijk dankgebed, want het is immers overgenomen van de Geest. Wat
men door het verstand gecontroleerd en geformuleerd kan uitspreken, is ook
mogelijk door de glossolalie. De Heilige Geest wekt bij ons in de innerlijke
mens vreemde elementen op. Wanneer bijvoorbeeld de Heilige Geest in ons zucht,
wordt ook onze innerlijke mens opgewekt om naar de volkomenheid te verlangen.
Wanneer de Heilige Geest zegent of dankzegt, worden ook onze eigen geest en
ziel in de sfeer van de lofprijzing gebracht. Bij het spreken in tongen inspireert immers de Heilige Geest onze geest
en wij stemmen ons met onze gehele persoonlijkheid op Hém af.
Het spreken in tongen is geen nieuwe begaafdheid die in de
mens gebracht wordt, maar door de doop in de Heilige Geest begint dit
sluimerende talent te ontwaken en te ontwikkelen, om in
dienst gesteld te worden van de Heer. Men kan in verstaanbare taal: bidden,
zingen, profeteren, onderwijzen, vermanen of zichzelf opbouwen, maar men kan
dit ook
doen in tongen. Slechts één ding is voor de christen die
zijn geloof op God richt, niet mogelijk: hij kan niet in tongen sprekende
vloeken of de naam van Jezus ontheiligen: 'Daarom maak ik u bekend, dat
niemand, door de Geest Gods sprekende, zegt: Vervloekt is Jezus' (1 Cor. 12:3).
Enkele teksten.
Het is van belang om in verband met het spreken in tongen
enkele teksten te behandelen, waarin deze geestelijke gave genoemd wordt.
Allereerst beginnen wij met Marcus 16:16,17 te citeren:
'Wie gelooft en zich laat dopen zal
behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: ... in nieuwe tongen zullen zij spreken'.
Geen
vervalsing
Vele vertalers en uitleggers hebben moeite met het slot
van het evangelie van Marçus. In de kanttekeningen van de nieuwe vertaling,
uitgave Kok, lezen wij: 'Dit slot van Marcus de verzen 9-20, is waarschijnlijk
niet oorspronkelijk. Enkele zeer oude en voorname handschriften missen dit
gedeelte; andere tekstgetuigen vermelden het ontbreken ervan. Ook zijn er
handschriften die een veel korter en ouder slot hebben. Gewoonlijk houdt men
het hier gegeven slot van Marcus voor een later toegevoegd resumé uit andere
berichten, dat het met Marcus 16:8 niet compleet gedachte evangelieverhaal moet
aanvullen. Het is intussen zeer wel mogelijk dat Marcus 16:8 het
oorspronkelijke slot van het evangelie heeft gevormd'.
De uitdrukking ‘later toegevoegd resumé' of korte samenvatting,
ziet dan beslist niet op iets dat in onze tijd zo aangevuld zou zijn, want er
is geen gedeelte van de evangeliën dat aan het natuurlijke denken zoveel
aanstoot geeft, als juist deze verzen; zij bevatten namelijk de
pinksterboodschap in de evangeliën, uitgesproken door Jezus zelf. Hij geeft
daar een generaal overzicht van de wijze waarop de levende kerk zich in deze
wereld presenteren zou. Geen rooms-katholiek concilie, geen protestants
kerkelijke synode, geen jaarvergadering van de baptisten, geen
maranathaconferentie, of organisatie van de Jehova's getuigen, zouden ooit deze
teksten ingevoegd hebben. Veel liever stellen bijna alle groeperingen deze
verzen discutabel.
Natuurlijk kunnen wij ons voorstellen dat in sommige
handschriften bij het overschrijven enkele letters of woorden per vergissing
zijn weggelaten, maar bij de slotverzen van Marcus gaat men van de
veronderstelling uit, dat de
overschrijver opzettelijk teksten toegevoegd heeft, dus dat hij een falsaris
was die bewust de woorden Gods vervalste.
In zijn inleiding tot het
Nieuwe Testament schrijft dr. J. de
Zwaan 'dat het oorspronkelijke slot van de schrijver door slijtage of ongeval
bij enkele oude handschriften was weggeraakt'. De inhoud van dit slot vindt men
evenwel in de drie andere evangeliën haast gelijkluidend terug!
De twee oudste handschriften waarin het slot van Marcus
ontbreekt, zijn de Codex Vaticanus en de Codex Sinaïticus. beide in de vierde
eeuw ontstaan.
De Codex Vaticanus mist niet alleen het slot van Marcus,
maar ook ontbreken Genesis 1: 46, Psalm 105 – 137,
Hebreeën 9:14 – 13:25 en verder de brieven aan Timotheüs, Titus, Filémon en de
Openbaring van Johannes. Bij het slot van Marcus is er een witte ruimte in dit
handschrift.
Wat de Codex Sinaïticus betreft, ook daarin ontbreken dus
behalve het slot van Marcus ook verschillende bladzijden in het Oude
Testament. Er is geen enkel handschrift of men mist bepaalde bijbelgedeelten.
Indien wij vandaag eens een heel oude bijbel vonden die enkele pericopen niet
had, zouden wij hieruit toch ook niet concluderen dat de ontbrekende teksten
niet in het origineel te vinden waren. Er zijn ongeveer 4200 handschriften,
waarvan er 613 de evangeliën bevatten en daarvan hebben er slechts twee deze
verzen in Marcus niet!
Er is bovendien nog wat anders; het slot van Marcus 16
ontbreekt in de twee bovengenoemde oudste Griekse handschriften,
maar de Vulgata, de Latijnse vertaling
die de rooms-katholieken gebruiken, heeft bijvoorbeeld
deze verzen wel. Er bestaan reeds Latijnse vertalingen van de oorspronkelijke
Griekse tekst uit de tweede en derde eeuw. In 382 kreeg Hiëronymus de opdracht
deze oude vertalingen te reviseren. Deze kerkvader kende het Griekse Nieuwe
Testament van zijn dagen en ook de Vetus
Itala uit de tweede eeuw, die ook de slotverzen van Marcus bevat. De Vulgata is dus eerder vertaald uit
het Grieks en is dus ouder dan het oudste Griekse manuscript dat bewaard is
gebleven. De Vulgata bezit derhalve
oudere rechten dan de oudste Griekse hand-schriften. Deze zijn later
overgeschreven en het kon gemakkelijk gebeuren dat daarbij enkele teksten zijn
vergeten.
Verder bestaat er nog een handschrift van de vier evangeliën
in het Syrisch, de zogenaamde Syro-Sinaïtcus.
Deze is in het midden van de tweede eeuw ontstaan, dus
ongeveer in het jaar 150 n. Chr. Men denke dit zich eens in! Nog geen honderd
jaar nadat de evangelisten hun geschriften voltooiden, waren hun evangeliën in
Syrisch overgezet; geen zestig jaar nadat het evangelie van Johannes het licht
zag, was voor de onontwikkelde christenen die geen Grieks kenden, de
overzetting het Syrisch al een feit. In deze oeroude kopie staat Marcus 16:9-20!
Wij concluderen uit deze gegevens, dat de oude
christelijke kerk in het slot van Marcus 16 geloofde. In de Syrische vertaling voor het Midden-Oosten, in de
Koptische vertalingen in tal van dialecten voor de bewoners van Egypte,
waaronder de Sahidische van ongeveer150 n. Chr., in de Latijnse vertalingen
voor Italië en het noorden van Afrika, die alle voor de vierde eeuw na Christus
geschreven waren, vinden wij dus Marcus 16 in zijn
geheel. Dan zijn er nog de Gotische (350 n.
Chr.) en de Armenische (vijfde eeuw) die beide deze verzen hebben. Bovendien
zijn er ongeveer honderd
schrijvers die oudere geschriften hebben nagelaten dan de oudste bijbelse
handschriften en zij allen hebben zich in hun werken beroepen op de gewraakte
teksten in Marcus 16 als deel van het
evangelie. De oude kerkvaders die voor het
concilie van Nicéa (525 n. Chr.) leefden,
verwijzen zestien maal naar deze verzen.
Zouden zij die deze teksten dubieus stellen, het niet
daarom doen, omdat zij met de
duidelijke uitspraken van Jezus die erin vervat zijn, geen raad weten?
Tekenen die volgen
Wanneer de Heer na zijn opstanding aan zijn discipelen
onderricht geeft aangaande ‘alles wat het Koninkrijk Gods betreft', is een van
de voornaamste punten hierbij
ontegen-zeggelijk: de belofte des Vaders. In Handelingen 1:5 stelt Jezus
de waterdoop van Johannes tegenover de geestesdoop van Hemzelf. Het is daarom
duidelijk dat woordje 'doop' in Jezus' toespraken voor zijn heengaan, een
dubbele betekenis moet hebben. Deze ambiguïteit (tweevoudige inhoud) komen wij
ook tegen in Hebreeën 6:2, waar het zelfstandige naamwoord ‘doop' het meervoud
gebruikt wordt: 'een leer der dopen'. In de uitspraak: ‘Wie gelooft en zich
laat dopen, zal behouden worden' ligt het voor de hand, dat het woord ‘dopen'
niet alleen ziet op de doop in water, maar vooral op de doop in de Heilige
Geest.
Enige tijd geleden verzocht een zuster die zich bij onze
gemeente gevoegd had, om gedoopt te worden. De reden zij opgaf, luidde: zij
was als kind van zeven jaar gedoopt in water. In de groepering waar dit
gebeurde, leert men dat de Heer spoedig wederkomt en dat deze gebeurtenis
iedere nacht (men spreekt daar niet van:
iedere dag!) te wachten staat. Velen zullen dan bij de opname van de gemeente
achterblijven, omdat zij niet voldaan hebben aan de voorwaarde zich te laten
dopen in water. Zulke ongedoopten konden niet 'behouden worden', of opgenomen.
De angst van jonge kinderen om achter te moeten blijven bij de komst van Jezus
'op de wolken', drijft hen naar de waterdoop. Onnodig te zeggen dat wij ook dit
soort kinderdoop verwerpen. Wij beloofden deze zuster daarom haar zo spoedig
mogelijk op haar geloof, op bijbelse wijze te dopen.
Wij ontkennen niet dat de doop
in water zeer belangrijk is als getuigenis van hetgeen
bij bekering en wedergeboorte met de gelovige in de onzienlijke wereld geschiedde,
maar de doop in de
Heilige Geest is absoluut noodzakelijk om het einddoel des geloofs, ‘het
behoud', te bereiken, namelijk 'de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom
der volheid van Christus' (Ef. 4:13).
Deze doop leidt tot het behouden worden, waarvan Petrus sprak in verband met de
uitstorting van de Heilige Geest in de gelovigen: 'En het zal zijn,
dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden' en 'Laat u behouden
uit dit verkeerde geslacht' (Hand. 2:21 en 40).
De al wat gegroeide christen gelooft niet alleen dat zijn
schuld vergeven is, maar aanvaardt ook dat hij op zijn geloof bewust gedoopt werd met de Geest van
God. Alleen dan worden de geestelijke begaafdheden in hem openbaar, die
noodzakelijk zijn voor een volkomen behoudenis. Het geloof in de verzoening van zijn zonden verzekert de mens een
plaats als rechtvaardige in het nieuwe Jeruzalem, maar de doop en de inwoning
van de Heilige Geest maakt hem geschikt als 'levende steen gebruikt te worden
voor de bouw van een geestelijk huis', de tempel Gods in de geestelijke wereld (1 Petr. 2:5).
Er staat niet: 'Wie niet geloofd zal hebben en wie bovendien
niet gedoopt zal zijn, zal geoordeeld worden', maar alleen: wie geen geloof
heeft zal geoordeeld worden. Zelfs een aanvankelijk geloof in de
schuldvergeving door het bloed van Jezus heeft waarde voor God. De doop in
water, maar bovenal de doop in de Heilige Geest, voeren de christen evenwel op
de weg omhoog. De ontwikkeling van de geestelijke begaafdheden met de liefde
voeren nog 'verder omhoog' in de geestelijke wereld (1 Cor. 12:31).
Wanneer er staat: 'Deze tekenen zullen de gelovigen
volgen', worden met 'gelovigen' uitdrukkelijk bedoeld degenen die naast het
geloof in hun rechtvaardigmaking, ook geloven in de doop met de Heilige Geest.
Zonder deze doop, dus uit kracht van de eigen innerlijke mens, komen deze
tekenen niet voor.
Wanneer gezegd wordt: 'Gaat heen in de gehele wereld,
verkondigt het evangelie aan de ganse schepping', gaat dit niet alleen over het
evangelie van de schuldvergiffenis, dat van het kruis, maar ook over het evangelie
Van het Koninkrijk der hemelen, waarin de overwinning geproclameerd wordt over
het rijk der duisternis. Jezus sprak: 'En dit evangelie van het Koninkrijk zal
in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en
dan zal het einde (de volle vrucht) gekomen zijn' (Matth. 24:14). Voor zijn heengaan gebood de Heer
daarom zijn discipelen en ook de gelovigen van onze tijd, niet uit te trekken
voor zij de belofte des Vaders ontvangen hadden (Hand. 1:4). Dan zal de volle
evangelieprediking gelovigen voortbrengen die het beeld van Jezus gelijkvormig
zijn geworden. Wanneer voorspeld wordt, dat de gelovigen in nieuwe tongen
zullen spreken, is hier geen sprake van een bijzonder charisma, dat slechts aan
enkele geselecteerden ten deel zou vallen. De apostel Paulus wenste terecht,
dat 'allen' in tongen zouden spreken (1 Cor.
14:5). De glossolalie is immers een 'vanzelfsprekend' gevolg van geloof en doop
in de Geest, evenals de andere genoemde tekenen, die behoren bij de
ontwikkeling van de geestelijke mens.
Daarom zullen allen die in de gehele Schrift geloven, ook
in nieuwe tongen spreken. Wij kunnen begrijpen dat de duivel een hekel heeft
aan het slot van Marcus, omdat Jezus zelf hier een kort begrip geeft van zijn
leer en van de werkwijze der gelovigen in de hemelse gewesten. Laten wij daarom
deze laatste woorden van Jezus hier op aarde, serieus accepteren en als
kostbare beloften in ons
hart bewaren en er ons naar uitstrekken, ze te realiseren.
KvO. 36e jaargang nummer 18, 15 december
1972
(9)
PINKSTEREN
Teneinde ons inzicht in de glossolalie te vermeerderen, is
het vanzelfsprekend van belang ons een ogenblik bezig te houden met het
pinksterfenomeen in Handelingen 2:1-4. Wij lezen daar:
'En toen de Pinksterdag aanbrak waren
allen te samen bijeen. En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een
geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het
zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest
en begonnen met andere tongen te spreken zoals de Geest het hun gaf uit te
spreken’.
Beeld en
werkelijkheid
In het prille begin van de kerk van Jezus Christus ontvingen
haar leden de vervulling van 'de belofte des Vaders', dat is 'de doop in de
Heilige Geest' (Hand. 1:4,5). Allen werden naar de eigen woorden van de Heer
'bekleed met kracht uit de hoge' (Luc. 24:49). In de vroege morgen van de
Pinksterdag werden de honderdtwintig discipelen uit de bovenzaal allen
innerlijk opgetild naar de hemelse gewesten. Daar vertoefden zij in het
Koninkrijk Gods. Op deze wijze kon ook later Stéfanus die vol van de Heilige
Geest was, getuigen: 'Zie, ik zie de hemelen geopend' (Hand. 7:56), terwijl van
Johannes op Patmos staat, dat hij in vervoering des geestes opklom, ten einde
een open deur in de hemel binnen te gaan (Openb. 4:I,2).
Er zijn in het menselijk leven en ook in dat van de gemeente
van Jezus Christus, keerpunten, waar God onverwacht ingrijpt en die gemarkeerd
worden door bijzondere gebeurtenissen in de natuurlijke of in de geestelijke
wereld. In de gevangenis te Filippi, waar Paulus en Silas opgesloten zaten,
kwam er in de zichtbare wereld 'plotseling’ een zware aardbeving, die de
oorzaak werd van hun bevrijding. (Hand. 16:9-34). Hier vernemen de discipelen
'eensklaps' een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag en
verschijnen vurige tongen die zich verspreiden en zich op een ieder van hen neerzetten. Het gebed van
de gelovigen uit het oude verbond werd verhoord: 'Ach,scheur toch de hemel
vaneen en daal neer' (Jes. 64:1 Canisius
vert.).
Met Pinksteren gaat er iets in de geestelijke wereld
gebeuren. Het Koninkrijk der hemelen dat door de prediking van Jezus óver de
discipelen gekomen was, komt nu in hen. Petrus begreep ogenblikkelijk deze
situatie, want hij sprak: 'Dit is het' en citeerde vervolgens de Joëlsprofetie:
'En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God,
dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw
dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw
ouden zullen dromen dromen'. Profeteren, gezichten zien en dromen dromen hebben
te maken met het verkeren van de innerlijke mens in de hemelse gewesten. Hij
gaat daar horen en zien, ten einde daar ook te kunnen wandelen, strijden en
overwinnen. Wie deze bijbelse weg niet gaan wil, wordt door de Heer doof en
blind genoemd.
Wij wijzen nu op twee merkwaardige verschijnselen die het
pinkstergebeuren vergezelden, zowel in beeld als in de werkelijkheid:
Ten eerste horen de discipelen een
geluid als van een geweldige, gedreven wind. Het gehele huis waarin zij zaten,
werd ermee gevuld. Er wás evenwel geen storm, maar hun geestelijk oor
functioneerde in de onzienlijke wereld. Zij verstonden ook de betekenis van dit
beeld. Zij wisten dat de wind des Geestes opgestoken was. Zij ervoeren een
machtige beweging in de geestelijke wereld. Daarom zetten zij de deur van hun levenshuis wagen-wijd open, opdat
zij gedoopt en vervuld zouden worden met de Heilige Geest. Later werden de
discipelen opnieuw vervuld met de Heilige Geest, want
telkenmale wanneer deze in antwoord op hun gebed Zich verhief, openden zij de
deur van hun hart om een nieuwe windvlaag binnen te laten. Zo vermeldt
Handelingen 4:31: 'En terwijl zij baden werd de plaats, waar zij vergaderd
waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het
woord Gods met vrijmoedigheid'. In Handelingen 13:8 en 9 lezen wij dat Paulus door de tovenaar Elymas in zijn
bediening gehinderd werd en dat de apostel toen vervuld werd met de Heilige
Geest, ten einde deze handlanger van satan uit te rangeren. In hetzelfde
hoofdstuk wordt in vers 52 meegedeeld dat de discipelen 'werden vervuld met
blijdschap en met de Heilige Geest'. Gods Geest verheft Zich om zijn volk
krachtig bij te staan en alle gelovigen worden daarom opgeroepen 'vervuld te
worden met de Heilige Geest'. dit wil zeggen, zich te laten vullen met de kracht
van God (Ef. 5:18).
De werkelijkheid van hetgeen door de stormwind op de
Pinksterdag werd uitgebeeld. was dus dat de Heilige Geest woning in de
discipelen maakte. Hij daalde neer in grote kracht en dit maakte hen geschikt
om geestelijke mensen te worden, zoals er staat: 'De laatste Adam werd (voor
allen die gedoopt zijn in de Heilige Geest) een levend makende geest' (1 Cor.
15:45). Bij de doop in de Heilige Geest wordt de geest van de mens verbonden
met de Geest van God: die twee zullen tot één geest zijn (1 Cor. 6:16,17).
Alleen langs deze weg kan de christen leren in het onzienlijke Koninkrijk Gods
goed te functioneren.
De doop met de Heilige Geest in het leven van de gelovige
voltrekt zich slechts één keer, maar zo dikwijls deze Geest Zich verheft en tot
actie komt, wordt gesproken van 'vervuld worden met de Geest'.
In de tweede plaats is er
sprake van een gezicht. Er verschenen aan de discipels tongen 'als' van vuur.
In de natuurlijke wereld was er geen vuur en men zou er waarschijnlijk geen
foto van hebben kunnen nemen. De honderdtwintig zagen dit vuur in een visioen,
zoals Petrus, Jacobus en Johannes eenmaal gezamenlijk Jezus met Mozes en Elia
in heerlijkheid op de berg zagen (Matth. 17:9). Ook dit stemde overeen met de
Joëlsprofetie, waarin gesproken werd over 'gezichten zien', Het was geen beeld
van een smeulend haardvuur, maar er zat beweging in. Het was vuur in actie, een
tafereel zoals men dit ziet wanneer droog hout met lekkende vlammen verbrandt.
Er daalde geen massieve vuurbal uit de geestelijke wereld, maar er werden
levendige vuurtongen gezien, die zich verdeelden
en zich op ieder van hen neerzetten. Deze vlammende tongen waren geen symbool
van de verterende werking van boze geesten, maar wel van de lichtglans,
activiteit en beweeglijkheid van de Heilige Geest.
Ten tijde van Mozes zag het volk een vuurkolom als uitdrukking
van de Geest Gods die hen door de woestijn leidde. Mozes zelf zag eenmaal een
heilig vuur in een brandend braambos. Ezechiël zag 'brandende vuurkolen, als van
fakkels, zich bewegende tussen de wezens' (Ez.
1:13). In onze tekst zijn de
vurige tongen het beeld van de Heilige Geest die Zich gaat openbaren in
tongentaal en profetie. De realisering van dit beeld vinden wij dan in de
volgende ervaring: 'En zij begonnen met andere tongen te spreken, zoals de
Geest het hun gaf uit te spreken'.
In het bovenstaande zien wij dus de beschrijving van twee
beelden: dat van het geluid van een hevige windstoot en dat van vurige tongen.
Deze beelden dienden om de discipelen duidelijk te maken wat er gebeurde. Zij
verdwijnen, maar de werkelijkheid is blijvend: de doop in de Heilige Geest en
het spreken in tongen. Het gaat dus niet om het beeld, maar om de
werkelijkheid! Dit is Pinksteren!
Andere talen
Wij maakten reeds duidelijk dat in de uitdrukking 'tongen
als van vuur' het woord 'tong' figuurlijk gebruikt wordt. Er is sprake van een
vergelijking of een overeenkomst die er bestaat tussen lekkende en beweeglijke
vlammen én tongen die tijdens het spreken bewegen. In de uitdrukking 'spreken
met andere tongen' wordt de tong evenwel als spraakorgaan aangeduid en kan het dus vervangen worden door het woord 'talen',
Zo zeggen de buitenlandse Joden dat zij ieder in hun eigen 'taal' horen
spreken. In de Openbaring wordt het woordje 'glossa' ook meestal weergegeven
door 'taal'. We denken hier aan de uitdrukking 'elke stam en taal en
volk en natie'. De Statenvertaling, de Leidse vertaling en de Canisiusvertaling
hebben daarom 'andere tongen' weergegeven door: andere of verschillende talen.
Wat gebeurde er nu bij de discipelen van Jezus op de
Pinksterdag? De Heilige Geest daalde neer en bracht in allen een sluimerend,
geestelijk talent in beweging, namelijk het vermogen om in andere talen te
kunnen spreken. Wij kunnen de glossolalie dus definiëren als de geestelijke
begaafdheid van de mens om de taal van een inwonende geest over te nemen. Dit
betekent dus voor de christen die bevrijd is van boze, inwonende machten en in
wie de Heilige Geest woont, dat hij de taal van deze Geest kan overnemen. Hij
kan deze Geest weliswaar niet met zijn natuurlijk oor beluisteren, maar dat is
ook niet nodig. Wij hebben immers zelf ook het vermogen om onhoorbaar onze
eigen taal te denken en zinnen en woorden te vormen. Bij de glossolalie hoort
men dus de Heilige Geest 'spreken' en men brengt deze taal in de natuurlijke
wereld in klanken over. Wanneer wij een vreemde taal leren, gebruiken wij ons
verstand, maar iedereen weet dat men een taal pas goed leert, wanneer men met de geest ook het
taaleigen overneemt. Wie deze laatste begaafdheid mist, zal altijd moeite
hebben zich in een vreemde taal uit te drukken. Op deze laatste wijze neemt men
bij het spreken in tongen door middel van de eigen geest de taal over, waarvan
de Heilige Geest zich bedient.
Nu heeft Gods Geest
kennis van alle dingen, dus ook van alle talen. Hij kent 'de talen der mensen
en der engelen' {I Cor. 13:1), Zomin als men bij het spreken in tongen
de aardse talen rechtstreeks van mensen overneemt, zomin neemt men de talen
der engelen direct over. Men luistert slechts welke taal de Heilige Geest
gebruikt, hetzij die van mensen of van engelen. De goede engelen zijn immers
geen inwonende geesten. De regel blijft dus altijd: 'Zoals de Geest gaf uit te
spreken', of: 'Door de Geest spreekt hij geheimenissen' (1 Cor. 13:2).
Naargelang iemands
vermogen om geestelijk te horen en over te nemen, groter is, en zijn geest zich
meer ontwikkelt,
naar die mate zal hij zich ook gemakkelijker in tongen kunnen uitdrukken. Hoe
meer de christen in de geestelijke wereld vertoeft en naarmate hij de
gemeenschap met God zoekt door de Heilige Geest, des te sneller zal zijn geest
zich
in de hemelse
gewesten ontwikkelen en des te gemakkelijker zal hij de taal van de Heilige
Geest uitspreken. De apostel Paulus getuigde daarom, dat hij meer dan anderen
in tongen sprak. Een navolgenswaardige gewoonte voor ieder geestelijk christen!
Op de Pinksterdag
spraken de discipelen in talen van mensen. Wij Weten niet of ook de begaafdheid
van ‘veelheid van talen’ bij hen voorkwam: (1
Cor. 12:10 Canisiusvert.). Het
is heel goed mogelijk dat zij telkens in een andere taal overgingen, maar met
elkander was het een bonte verscheidenheid van buitenlandse dialecten en
tongvallen. Zelf begrepen zij niet
wat zij zeiden ‘want hun verstand was onvruchtbaar' (1 Cor.
14: 14), Zij spraken alleen tot God (1 Cor.
14:2), Zij brachten Hém lofprijzingen, verkondigden zijn grote werken en werden
hierdoor zelf opgebouwd. De verrassende bijkomstigheid was evenwel dat de
omstanders deze 'tongentaal' herkenden als hun moedertaal. De Heilige Geest
liet dus deze kinderen Gods spreken in de taal van de buitenlandse bezoekers.
Hiermee was het spreken in tongen, tegelijkertijd op bijzondere wijze ook een
teken voor de ongelovigen geworden (1 Cor: 14:22). De spotters beschuldigden
immers deze 'tongensprekers' dat zij teveel zoete wijn gedronken zouden hebben
en daardoor wartaal uitsloegen. Dezelfde profane en platvloerse spot met deze goddelijke begaafdheid komt ook nu
nog wel voor bij hen die wel christen
zijn, maar die geen inzicht hebben in de geheimenissen van het Koninkrijk der
hemelen. Het gehele conglomeraat van nationaliteiten dat zich in de tempel
bevond, getuigde evenwel dat hier sprake was van normale talen, want 'zij
hoorden hen in hun eigen taal van de grote daden Gods spreken'. Wie op bijbelse
wijze in tongen spreekt, stoot geen dierlijke klanken uit maar spreekt talen
van engelen of mensen.
Het is niet zo dat
de Heer de glossolalie gaf in dienst van de zending. want de aanwezige Joden en
proselieten spraken allen de Griekse taal en de toespraak van Petrus werd door
allen gevolgd. Het spreken in tongen was ook op de Pinksterdag tot stichting
van de gelovigen en tot een 'teken voor de ongelovigen', zoals dit charisma het
ook nu nog is, want ook nu komt het voor dat de hoorder de glossolalie als een
hem bekende taal herkent en zich verwondert hoe correct deze gesproken wordt.
KvO 37e jaargang nummer 1, 5
januari 1973
(10)
EEN WAARNEEMBAAR TEKEN
Bij de Samaritanen
In Handelingen 8 wordt ons verhaald hoe 'het evangelie van
het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus' met grote kracht
en met gezag in Samaria door Filippus gepredikt werd. Bij vele inwoners van de
stad gingen de onreine geesten luid schreeuwende uit en lammen en kreupelen
werden genezen. Het gevolg was dat vele mannen en vrouwen tot het geloof kwamen
en zich lieten dopen in water. Onder hen bevond zich ook de stadstovenaar
Simon, die alom bekend stond vanwege zijn paranormale begaafdheid. Deze
occultist was 'geestelijk' genoeg om te kunnen constateren dat in dienstknecht
van Jezus Christus een grotere kracht werkzaam was dan in hemzelf. Om dit
geheim te doorgronden, bleef hij voortdurend in de nabijheid van Filippus en
zag nauwlettend toe wat de oorzaak van deze kenmerkende verschillen was. Deze
tovenaar die het volk van Samaria 'verbijsterd' had, werd nu op zijn beurt verbijsterd
door de tekenen en grote krachten die hij zag gebeuren. De schrijver Lucas
attendeert ons in dit verband nog op iets heel merkwaardigs: in deze opwekking
onder de Samaritanen bekeerden velen zich wel en lieten zich dopen, maar de
Heilige Geest was op niemand van hen neergedaald.
Men zou kunnen aanvoeren dat Filippus met zijn
evangelieprediking, die gepaard ging met bevrijdingen en genezingen, het zo druk
had, dat hij zich alleen bezighield met bekering, genezing en waterdoop, en
niet toekwam aan de volgende stap op de weg des heil: de geestesdoop. Het ligt
evenwel meer voor de hand aan te nemen, dat er in de hemelse gewesten een
enorme demonische tegenstand was ten opzichte van deze openbaring van de
Geest Gods. Onder leiding van Simon de tovenaar waren immers alle inwoners van
Samaria onder de ban en betovering van het occultisme gekomen, en de magie is
in de geestelijke wereld de tegenhangster en opposante van de Heilige Geest,
ook nu nog!
Het is de vraag of Filippus in deze situatie wel een
volledig inzicht had; zeker is dat hij geen ervaring in dit opzicht bezat. In
Jeruzalem was de doop in de Heilige Geest op de Pinksterdag immers vlot
verlopen; daar waren godvruchtige mannen van Joodse origine en proselieten bij
elkander, die allen belijders waren van de ene ware God en zich beslist niet
hadden afgegeven met afgoderij en magische praktijken.
Het verschil in Samaria was nu, dat eerst de geestelijke
barricaden uit de weg geruimd moesten worden, voordat de Heilige Geest woning
in de nieuwe gelovigen kon maken.
In de onzienlijke wereld kan soms grote weerstand zijn
tegen de openbaring van de kracht Gods. Zo wordt in Mattheüs 13:58 meegedeeld
dat Jezus in zijn vaderstad geen krachten kon doen vanwege het ongeloof zijner
stadgenoten. De Geest werd daar weerstaan en verhinderd te werken door geesten
van verzet en verblinding. Uit ervaring weten wij dat de Heilige Geest dikwijls
niet kan 'vallen' op hen die zich met occulte praktijken hebben beziggehouden.
Menigmaal hebben wij bij zulke stagnaties aan de naar het heil verlangenden
gevraagd, of zij vroeger misschien met een waarzegger, een hypnotiseur,
magnetiseur of andere soort occultist in aanraking waren geweest. Juist doordat
de magie en het occultisme zonden zijn, zuiver in de geestelijke wereld, vormen
zij zo'n remming voor de doop in de Heilige Geest.
Toen Petrus en Johannes in Samaria aankwamen, deden zij
wat ook nu nog vele volle-evangeliedienaren doen in gevallen dat gelovigen niet
spontaan de Heilige Geest ontvangen: de apostelen baden de Heer om wijsheid en
inzicht, opdat de verborgen tegenwerkers geopenbaard zouden worden; beiden
handelden op dezelfde wijze als wij dit ook doen. Zij legden de mensen die
verlangden gedoopt te worden in de Heilige Geest, een voor een de handen op.
Zij bonden de ‘occulte' geesten en de doodsmachten en verbraken daarbij ook iedere
verdere magische beïnvloeding. Onder oplegging van handen claimden zij de
broeder of zuster voor het Koninkrijk Gods en ondersteunden hun geest in de
strijd om de machten te verdrijven.
Ook hier stond Simon die geloofde in deze 'grote kracht
Gods' en zich zelfs ook had laten dopen, als geïnteresseerd en belanghebbend
toeschouwer bij. Wij kunnen ons nu wel
voorstellen onder welke moeilijke geestelijke omstandigheden het volle
evangelie onder de Samaritanen gebracht moest worden. De grootmeester van de
duivelskunstenarij had zijn stempel op 'allen, van klein tot groot' gezet en
hij moest toezien hoe Zijn voormalige discipelen overgezet werden uit bet rijk
der duisternis in het Koninkrijk van Jezus Christus. Maar Simon zelf werd niet
bevrijd. Wij weten niet of hij hierom ook verzocht had. Hij had dan met iedere
vorm van paranormale begaafdheid moeten breken en zich misschien moeten
openbaren als een van de minsten in het rijk Gods. Het is bovendien geheel iets
anders, een mens die onder beïnvloeding van occulte geesten geweest is, te
bevrijden, dan het medium zelf los te maken van de macht die hem gebruikte.
Toen Simon daarom in zijn verblinding de apostelen geld aanbood om ook deze
meerdere kracht te ontvangen, sprak Petrus, dat hij part noch deel aan deze
zaak had, want zijn hart was niet recht voor God. Hij bevond zich in 'een gans
bittere gal en in een samenknoping van ongerechtigheid'. De apostel zag dus hoe
deze magiër door afschuwelijke machten gebonden was en daardoor tot dit absurde
aanbod kwam. De man was verstrikt in een net van leugens en van wetteloosheid.
Zijn geval doet ons denken aan de gelijkenis van de zaaier, waarin vermeld
wordt dat een deel van het zaad op steenachtige plaatsen was gevallen, waar het
niet veel aarde had. De stenen zijn beeld van de inwonende boze geesten, en in
het geval van Simon zou men wel van rotsblokken kunnen spreken.
Over het ontvangen van de Heilige Geest door de Samaritanen
staat nu in vers 17-19: 'Toen
legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest. En toen Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Geest werd gegeven, bood hij hun geld aan'.
Uit de opmerking dat Simon zag dat door de handoplegging
der apostelen de Heilige Geest meegedeeld werd, blijkt dus dat hij een duidelijke
manifestatie van de Heilige Geest had opgemerkt. Hij zag dat de apostelen de handen oplegden en hij hoorde hen
bidden. Natuurlijk kon hij niet zien dat de Heilige Geest op deze Samaritanen
vanuit de onzienlijke wereld uitgestort werd, maar deze doop werd vergezeld
door een uiterlijk waarneembaar teken.
Wat was dit voor een verschijnsel? Werden hier verschillende
geestelijke gaven uitgedeeld? Ontving de een de
gave van wijsheid of van kennis, een ander die van genezing, weer een ander die
van geloof, van profetie of van onderscheiding der
geesten? (1 Cor. 12:4-10). Waren het gaven om te onderwijzen, te vermanen,
leiding te geven of van bijzondere activiteiten, waarover Paulus later in
Romeinen 12:6-8 schreef? Neen, want deze komen alleen naar voren in dienst van
de gemeente en zij moeten na de doop in
de Heilige Geest Zich nog ontwikkelen. Ook ging het niet alleen om een
overstelpende vreugde die hier het kenmerk was van de geestesdoop, want deze
blijdschap had men al gezien, toen Filippus met kracht van tekenen en wonderen
het evangelie aan hen verkondigde (vers 7). Er was slechts één teken dat voor
de buitenstaander onmiddellijk te constateren viel: deze Samaritanen spraken
in nieuwe tongen, evenals Filippus, Petrus en Johannes dit deden, en zoals de
Heer zelf in Marcus 16:17 voorspeld had.
Bij Cornelius
In verband met het voorgaande wijzen wij nu op de doop in
de Heilige Geest van Cornelius, diens bloedverwanten en vrienden, welke
gebeurtenis in Handelingen 10 en 11
meegedeeld wordt. Hoe geheel anders lag het in het huis van deze hoofdman van
een Romeinse legerafdeling. Hij was een godvruchtig mens en een vereerder van
God en wel met zijn gehele gezin. Hij was een man van gebed en stond bekend om
zijn liefdadigheid jegens de armen. Ook droeg hij kennis van het optreden van
Jezus en ongetwijfeld zal hij hierover dikwijls hebben nagedacht. Zijn 'beste
vrienden' die bij hem waren om Petrus te horen, zullen wel van dezelfde
geestesgesteldheid geveest zijn. Hier zien wij dus een aantal mensen te samen,
die geen door de vijand bezet gebied waren, maar vrij. Zij hadden alleen de
sleutels van het Koninkrijk der hemelen nodig om geestelijk vooruit te komen.
Wij lezen nu in Handelingen 10:44-46; 'Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen, die
het woord hoorden. En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van
de Heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, want zij hoorden
hen spreken in tongen en God grootmaken’.
Welk een totale verandering van denken moesten de
gelovigen uit het Jodendom meemaken. Zij zagen de tussenmuur die hen van de
volkerenwereld scheidde met de grond gelijk gemaakt. Petrus moest erkennen dat
bij God geen aanzien des persoons is. Wij horen later hoe hij enigszins timide
zich bij zijn Joodse broeders te Jeruzalem verontschuldigt met de woorden; 'Wie
was ik dan wel, dat ik God zou tegenwerken?' (Hand. 11:17 Canisiusvert.).
Waarom konden de broeders uit de besnijdenis nu niet meer ontkennen dat de
heiden Cornelius met zijn gezin de
geschonken doop in de Heilige Geest
hadden ontvangen? Het antwoord is: 'Want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken'. Dit was voor hen het einde van alle
tegenspraak. Paulus schreef dat 'de tongentaal een teken zijn voor de ongelovigen'
(1 Cor. 14:22). De Joodse broeders waren ongelovigen inzake de gave
van Gods Geest die ook aan de heidenen geschonken werd. De glossolalie was voor
hen het teken van het nieuwe verbond. Is het dan vreemd dat ook wij in
onze tijd nog in dit teken der talen
geloven als bewijs van de
doop in de Heilige Geest? Laten wij daarom evenals de Joodse broeders, alle vooroordelen terzijde
zetten en ons onderwerpen aan de uitspraken van Gods Woord, ook al gaan zij in
tegen de gevestigde meningen. Het spreken
in tongen is onafscheidelijk verbonden met de doop in de Heilige Geest!
KvO 37e jaargang nummer 2, 26
januari 1973
(11)
De
twaalf mannen in Efeze
De leer van Johannes
Op zijn derde zendingsreis ontmoet Paulus in de havenstad
Efeze een twaalftal discipelen (Hand. 19:1-7).
Hij stelt deze mannen twee vragen. De eerste is: 'Hebt gij de Heilige
Geest ontvangen, toen gij tot het geloof kwaamt?' Deze leerlingen erkennen
volmondig dat zij zulk een ervaring missen en dat zij bovendien in onwetendheid
leven aangaande het feit dat de Heilige Geest zou zijn uitgestort en nu bewust
door iedere gelovige ontvangen wordt. Zij antwoorden dan ook: 'Wij hebben zelfs
niet gehoord dat er een Heilige Geest is'. Zij begrepen dus wel dat Paulus
hier vroeg naar een reële
belevenis. Het onbijbelse dogma dat tegenwoordig zo vaak onderwezen wordt als
zou iedere gelovige vanzelfsprekend en automatisch met Gods Geest gedoopt
zijn, was hun dus onbekend,
Ogenblikkelijk komt de apostel nu met de volgende vraag:
'Waarin zij gij dan gedoopt?' Indien jullie niet in de Heilige Geest gedoopt
zijn en toch volgelingen beweren te zijn van Jezus, welke doop hebben jullie
dan ondergaan? 'En zij zeiden: In de doop van Johannes'. Deze baptisten komen
er eerlijk voor uit, dat zij in wezen volgelingen zijn van de leer van
Johannes, de baptist. Ook bij Johannes ging een fundamenteel onderricht aan de
doop vooraf; deze rustte op bekering en op vergeving van zonden door het bloed
van de komende Christus. Wanneer de zondaar met zijn kwaad brak en zich in
geloof tot God wendde, was zijn schuld vergeven. Een offer was hierbij niet
meer nodig. Johannes leerde de schuldvergeving op nieuwtestamentische wijze
zonder offers, heen wijzende naar het Lam Gods en op grond van de innerlijke
barmhartigheid van onze God' (Luc. 1: 78).
Johannes kende de raad Gods voor zijn tijd. Daarom
veroorzaakte hij een grote geestelijke omwenteling, maar de verblinde,
conservatieve en traditionele ‘Farizeeën en wetgeleerden verwierpen voor
zichzelf de raad Gods, daar zij niet door hem gedoopt waren' (Luc. 7:30). Hun
leer der vaderen was in strijd met die van de
nieuwlichter Johannes, die door zijn prediking eigenlijk de tempeldienst afbrak.
De Doper predikte reeds de komst van het onzienlijke
Koninkrijk der hemelen, dat niet samengaat met de ceremoniële werken der wet
en niet gebonden is aan enig uiterlijk vertoon. De drie fasen van het komende
rijk Gods worden getypeerd door de volgende uitdrukkingen: bij Johannes was dit
Koninkrijk nabij gekomen;
toen Jezus tot de scharen predikte en de duivelen uitdreef, kwam het over hen
(Matth. 12:28); en van hen die zijn
prediking in geloof aanvaard hadden, sprak de Heer: 'Het Koninkrijk Gods is binnen ulieden' (Luc. 17:21 St. Vert.).
De repliek van Paulus is dan ook: 'Johannes doopte een
doop van bekering en zeide tot het volk, dat zij moesten geloven in Hem, die
na hem kwam, dat is in Jezus'. Hoogstwaarschijnlijk waren deze leerlingen ook
onder de prediking van Apóllos geweest, die vóór Paulus in Efeze was. Ook deze
kenner der Schriften wist alleen van de doop van Johannes, maar leerde
tegelijkertijd toch nauwkeurig hetgeen op Jezus betrekking had, dit wil Zeggen
dat hij een evangelie over Jezus bracht. Hij bewees
immers uit de Schriften dat Jezus de Christus moest zijn en dat de zonden
vergeven worden door het geloof in zijn bloed (Hand. 18:24-28). Hij predikte
dus dat Jezus het Lam van God was, dat de zonde der wereld wegnam (Joh. 1:29).
Apóllos leerde dus het begin van de weg
Gods, maar Priscilla en Aquila 'namen hem tot zich en legden hem de weg Gods
nauwkeuriger uit'. Zij brachten hem het evangelie van Jezus, dat is de boodschap
van het Koninkrijk der hemelen waarin ook over de doop in de Heilige Geest
gesproken wordt. Op dezelfde wijze zal ook Paulus aan deze discipelen dit evangelie
van Jezus
verkondigd hebben.
Johannes sprak over het Lam Gods dat de verzoening te weeg
zou brengen, maar hij profeteerde ook over het meerdere dat komen zou: 'Ik doop
u met (in) water tot bekering, maar Hij die na mij komt, is sterker dan ik:
want ondanks hun aanvaarding van de prediking van Johannes over Jezus, stonden
zij buiten het Koninkrijk Gods. De door hen ondergane doop stond hun in de weg
om de zegeningen van het nieuwe verbond te kunnen ontvangen. Paulus zocht geen
compromis om uit de impasse te geraken. Er was slechts één oplossing, namelijk
een nieuw begin, een herdoop! Opnieuw worden deze leerlingen ondergedompeld;
voor de tweede maal sluit het doopwater zich boven hen. De twaalf mannen aanvaarden
de nieuwe tijd door deze daad van gehoorzaamheid en God kon doorgaan met hun
innerlijke vernieuwing, ten einde hen te brengen tot de doop in de Heilige
Geest.
De geschiedenis herhaalt zich.
Hoewel hij voor het oog met gelovige mannen te doen had,
wist de apostel uit eigen ervaring hoe sterk de banden met het oude kunnen
zijn en welke weerstanden zij vormen om de nieuwe weg te accepteren en de doop
in de Heilige Geest te ervaren. Ook hij had eenmaal geaarzeld (Hand. 22:16).
In onze tijd zien wij dit verzet tegen de gedachten Gods
opnieuw. De leer aangaande de doop in de Heilige Geest vindt niet zozeer
tegenstand bij de leden van de historische kerken, want daar ligt de
moeilijkheid meestal in het punt om te belijden dat men een rechtvaardige is
door het geloof. Uit ondervinding weten wij dat de heilbegerige kerkelijke
christenen na een kort onderricht spontaan in de Heilige Geest gedoopt worden.
Het felle verzet komt evenwel bijna altijd uit de evangelische hoek. Hier vindt
men ook een grote overeenkomst met de
leerlingen van Johannes de doper. Men spreekt daar over belijdenis van zonden
en over schuldvergeving door het bloed van het Lam. Velen uit deze richting
zijn zelfs op bijbelse wijze in water gedoopt. Het ziet er allemaal serieus en
schriftuurlijk uit maar nergens is groter tegenstand tegen de geestelijke
begaafdheden dan juist onder deze zogenaamde fundamentele christenen. Nogmaals,
de evangelischen gaan in wezen geen stap verder dan de discipelen van Johannes
de Doper. Geen wonder dat zij een heiligingsleer aanhangen die zich richt op
het uiterlijk waarneembare. Evenals bij de heidense godsdiensten is er bij hen
sprake van verbrijzeling van het eigen ik, van lange gebeden, van onthoudingen,
van het bespelen van het gevoelsleven door liederen en door sentimentele
verhalen van veel geween, terwijl zij tegelijkertijd afgoderij bedrijven met het natuurlijke volk
Israël dat eenmaal in de oude bedéling zijn betekenis had als schaduw van de werkelijkheid.
Zo worden vele oprechte kinderen Gods misleid door een leer die niet verder
reikt dan de prediking van Johannes de Doper, die de weg des heils barricaderen door de leugen dat bij de wedergeboorte
de Heilige Geest zijn intrek in het hart van de
christen genomen heeft.
De evangelischen leren dat een kind van God niet mag
bidden om de Heilige Geest, terwijl Jezus zelf gezegd heeft: 'Indien dan gij,
hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te
meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen die Hem daarom
bidden' (Luc. 11:13). Zij houden zich
evenwel aan de kanttekeningen van de Scofieldbijbel die hierover schrijft: 'Een
beroep doen op Lucas 11: 13, is de Pinksterdag vergeten
en ontkennen dat iedere gelovige de inwonende Geest bezit'. Aangezien het voor
de Pinksterdag niet mogelijk was om te bidden om de Heilige Geest heeft de
evangelische richting dit woord van Jezus krachteloos gemaakt en metterdaad uit
haar bijbel gestreept. Met de doop in de Heilige Geest verwerpt zij ook de
ontwikkeling en het functioneren van de geestelijke gaven en er is nauwelijks
één belofte in de schrift die betrekking heeft op bovennatuurlijke kracht, op
wonderen en tekenen, op heil en herstel, die niet door haar voor de gemeente
van onze eeuw geloochend wordt.
Het is zeer moeilijk door deze binding der geesten, aanhangers
van de evangelische richting of maranathabeweging ertoe te brengen, de doop in
de Heilige Geest te aanvaarden. Daarom nemen deze evangelischen geen deel aan
de charismatische beweging. Mensen die in tongen spreken worden onder hen niet
geduld. De uitspraak dat God in de laatste dagen zijn Geest zal uitstorten op
alle vlees, dat er een belofte is van een spade regen, is voor hen een Joodse
aangelegenheid. Deze geloofsbarrière zal opgeruimd moeten worden, voordat de
weg der waarheid voor hen openligt en de Geest der waarheid woning in hen kan
maken.
Handoplegging noodzakelijk
Paulus wist de volgelingen van Johannes de Doper ervan te
overtuigen dat zij zich op een dwaalweg bevonden. Zij lieten toen hun oude
gedachtewereld los, geloofden in de Here Jezus en lieten Zich dopen in zijn
naam. Het zou nu normaal geweest zijn, wanneer op de bede van een goed geweten (1 Petr.
3:21) ook de Heilige Geest
spontaan zijn intrek had genomen in de harten van deze twaalf mannen, en zijn
aanwezigheid gemanifesteerd zou zijn door het spreken in tongen. Petrus had
immers op de Pinksterdag gezegd: ''bekeert u en een ieder van u late zich dopen
op de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden, en gij zult de gave
des Heilige Geestes ontvangen'. Het is vanzelfsprekend dat wie om de Heilige
Geest in het geloof bidt, deze ook ontvangt (Luc. 11:13). Toen dit niet
gebeurde achtte Paulus het noodzakelijk deze broeders de handen op te leggen,
teneinde hen te claimen voor het Koninkrijk Gods en de wederhoudende machten te verbreken
en uit te drijven.
Hij deed dus bij deze broeders, die door dwaalgeesten gebonden waren, hetzelfde
als Petrus en Johannes bij de Samaritanen die onder beslag lagen van occulte
geesten.
Wij weten niet of dit ook door Priscilla en Aquila gedaan
is toen zij Apóllos de weg Gods nauwkeuriger uitlegden. Het is ook niet zeker
dat Apóllos later hetzelfde evangelie als Paulus bracht. Wel weten wij dat
deze apostel later moest schrijven: 'Want wanneer de een zegt: Ik ben van
Paulus; en de ander: Ik van Apóllos; zijt gij dan niet onveranderde mensen?' (1
Cor. 3:4). In Efeze greep Paulus radicaal in en in de gemeentel aldaar horen
wij ook niet van partijschappen en afwijkende meningen. Aan deze christenen
kon de apostel later schrijven: 'In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der
waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen
gij gelovig werd, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte' (Ef. 1:13).
Wij lezen nu: 'En toen Paulus hun de handen
oplegde, kwam de Heilige Geest
over hen, en zij spraken in tongen en profeteerden’. De glossolalie was voor
Paulus het bewijs dat deze twaalf leerlingen in de Heilige Geest gedoopt waren
en wel zo machtig, dat zij ogenblikkelijk ook begonnen te profeteren, dit wil
zeggen door de Heilige Geest geïnspireerd werden, woorden Gods te spreken in
hun eigen taal.
Ook wij zullen in de voetsporen van de apostel moeten gaan
en heel vaak de 'vrome' dwaalgeesten onder handoplegging moeten binden en
uitwerpen, voordat de naar het heil verlangende mensen hun harten kunnen openen
en de Heilige Geest zijn intrede kan doen. Laten wij goed beseffen dat deze
weerhoudende 'vrome' machten moeilijker te onderscheiden en gevaarlijker zijn
dan enig andere boze geest. Zij dragen immers de schijn van betrouwbaarheid,
maar zij brengen een evangelie dat niet overeenstemt met de leer van Jezus, van de apostelen en van de
profeten.
Uit het boek der Handelingen zien wij dus vier groepen
mensen die de Heilige Geest ontvingen, nadat zij tot het geloof kwamen: Joden,
Samaritanen, heidenen en volgelingen van Johannes de doper. God had niet duidelijker
zijn bedoeling kenbaar kunnen maken: 'Het zal zijn in de laatste dagen dat Ik
zal uitstorten van mijn Geest alle
vlees'. De werkelijkheid
ervan werd duidelijk gemanifesteerd door het spreken in tongen, waarna ook de
andere begaafdheden van de Geest zich gingen openbaren.
KvO 37e jaargang
nummer 3, 16 februari 1973 (12)
Teksten uit 1 Corinthiërs 12
Kennis noodzakelijk
1. Ten
aanzien van de uitingen des geestes, broeders, wil ik u niet onkundig laten.
Bij het begin van hoofdstuk 12 van de eerste Corinthebrief
roept Paulus de gemeente aldaar op om niet in onwetendheid
te verkeren aangaande de 'geestelijke' uitingen. zaken, gaven, of zoals ook
vertaald wordt: 'van hen die de
geestelijke gaven beoefenen’. Aangezien wij de leer der apostelen ook voor onze
gemeenten accepteren, leggen wij deze
oproep niet terzijde, maar zoeken ook nu nog kennis te verwerven van het
onderwerp dat Paulus hier aansnijdt.
De apostel gebruikt hier het woord 'pneumatikos' dat
'geestelijk' betekent. Wij vinden dit woord ook in Romeinen 7:14 waar staat dat
de wet 'geestelijk' is. In 1 Çorinthiërs
14:37 wordt 'pneumatikos' weergegeven door 'een geestelijk mens' en in Romeinen
15:27 door 'geestelijke goederen’. In Efeziërs 6:12 wordt ons voor gehouden te
strijden tegen de 'geestelijke' (legerscharen) van de boosheid in de hemelse.
gewesten. Wij moeten dus goed op de hoogte zijn van het geestelijke, want dit
is belangrijker dan het vleselijke en het natuurlijke. Zomin als de apostel wil
dat de lezers van zijn brieven 'onkundig' zouden zijn aangaande de
geheimenissen van het geestelijke Israël (Rom. 11:25) aangaande de
schaduwachtige betekenis van het Joodse volk (1 Cor. 10:1) of aangaande de
toekomst van de ontslapen christenen bij de wederkomst des Heren (1 Tess.
4:1), zomin wil hij dat wij onbekend zullen zijn met de geestelijke of
onzienlijke wereld. Het volk van God gaat immers verloren, wordt dus een prooi
van de machten der duisternis, omdat het geen kennis draagt van de
onstoffelijke dingen. Het was Jezus zelf die van stad tot stad en van dorp tot
dorp een evangelie verkondigde, dat de verborgenheden van het Koninkrijk der
hemelen ontsluierde. Wanneer wij waarachtige volgelingen van Hem willen zijn,
zullen wij ook begeren duidelijke inzichten te hebben in die onzichtbare,
zintuiglijk niet waarneembare wereld, omdat zich daar de oorsprongen bevinden
van goed en kwaad, van waarheid en leugen, van eeuwig geluk of eeuwige
rampzaligheid. Voor wie weigert hierop in te
gaan, wordt bewaarheid dat ‘een ongeestelijk mens niet aanvaardt hetgeen
van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan
omdat het slechts geestelijk te beoordelen is’ (1 Cor. 2:14).
Door de doop in de Heilige Geest wordt de menselijke geest
verrijkt door diens inwoning. Gods Geest heeft talenten en begaafdheden evenals
de eigen geest, maar rijker en meer gevarieerd. Van deze geestelijke rijkdom
wil Hij de gelovige meedelen naar diens vermogen en ijver. De Heilige Geest
hebben wij ontvangen als eerste gave (Hand. 2:38) en Hij schenkt ons verder de
begaafdheden die nodig zijn om ons in de geestelijke wereld te kunnen
bewegen. Zoals de natuurlijke talenten ontwikkeld moeten worden om op deze
aarde met ere een plaats in te nemen, zo is het ook met de gave van de Heilige
Geest, om te leven en te functioneren in de onzichtbare wereld. Paulus schreef
aan zijn medewerker: 'Veronachtzaam de gave in u niet' (1 Tim. 4:14). Wie dus
in de natuurlijke wereld vooruit tracht te komen, moet zijn menselijke talenten
ontplooien. maar wie in de geestelijke wereld zijn plaats in wil nemen, daar
strijden en overwinnen wil, zal de begaafdheden van de Heilige Geest in zich
tot ontwikkeling moeten brengen door van Hem te leren. Daarom: 'Streeft naar de
gaven des Geestes' (1 Cor. 14:1). Deze zijn zeer belangrijk en men benadeelt
zichzelf, indien men deze opdracht terzijde schuift.
Ondanks de oproep van de apostel om zich kennis te
verschaffen van de geestelijke mogelijkheden en uitingen, merken wij overal in
kerken en kringen een ontstellend manco op. Er is bij vele christenen niet alleen
grote onkunde, maar zelfs afkeer te
bespeuren. van alles wat met de charismatische gaven te maken heeft.
Men hoort wel eens de opmerking dat Paulus in zijn brieven
alleen tot de gemeente in Corinthe over de geestelijke gaven spreekt, dus ook
over het spreken in tongen. Men concludeert daaruit dat de charismatische
uitingen in de andere gemeenten niet zouden voorkomen. Men voegt er dan soms de
insinuatie aan toe, dat het van de leden dezer
gemeente zo laag was, dat zij door het gebruik der gaven, met duistere praktijken
zouden bezig zijn. Een ongelooflijke bewering, maar een die wel aantoont hoe
sommige uitleggers zich in allerlei bochten moeten wringen om te 'verklaren',
dat de geestelijke gaven voor vandaag aan de dag niet meer nodig zouden zijn.
Wij stellen voorop dat in Paulus zelf vele charismatische
gaven tot ontwikkeling waren gekomen. Hij bezat de gaven van kennis en
wijsheid, want hij schrijft: 'Daarnaar kunt gij bij het lezen u een
begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus' (Ef. 3: 4).
Tijdens zijn toespraken deed God 'buitengewone krachten door de handen van
Paulus, zodat ook de zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de
zieken. gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten
uitvoeren' (Hand. 19: 11,12) In
Lystra genas onder zijn prediking ogenblikkelijk een man die nooit had kunnen
lopen. (Hand. 14:8-10). Een jongeman met name Euthychus, werd door de walm van
de vele olielampen zo bedwelmd, dat hij uit het raam viel en voor dood opgenomen
werd. Toen de apostel zich op hem wierp en hem omarmde, werd de jongen weer
levend (Hand. 20:8-12). In de broederkring was Paulus niet alleen leraar, maar
hij bezat ook profetische gaven (Hand. 13:1). Hoewel Paulus er verder in zijn
brieven niet over rept, vertelt hij juist aan de Çorinthiërs over zijn
gezichten en openbaringen (2 Cor. 20:12) en dankt hij God ervoor, dat hij meer
dan zij allen in tongen sprak (1 Cor. 14:18).
Wij kunnen er zeker van zijn dat in alle door de apostel
gestichte gemeenten, de geestelijke gaven werkzaam waren. Aan de hem onbekende
gemeente te Rome schreef Paulus dat hij verlangde deze broeders te zien 'om
enige geestelijke gave mee te delen' (Rom.1:11). De nadruk
valt in deze zin op het woordje 'geestelijk'. Hij wilde dus dat ook in Rome de
geestesgaven zouden functioneren, waaronder het spreken in tongen en de vertolking ervan. De apostel wilde hun
dus, tot hun ‘versterking’, meer geestelijk licht verschaffen, door de weg
bekend te maken die 'verder omhoog voert' (1 Cor. 12:31).
In de eerste Corinthebrief gaat Paulus zo uitvoerig op de
charismatische gaven in en wel in het bijzonder de op het spreken in tongen,
omdat hierover moeilijkheden gerezen waren. De Corinthiers hadden om
opheldering gevraagd aangaande verschillende leerstellingen. Vanaf hoofdstuk 7
tot hoofdstuk 16 behandelt de apostel dan ook een twaalftal punten. Zo schrijft hij ook
uitvoerig over het avondmaal, wat hij in andere brieven ook niet doet, hoewel
men toch overal bijeenkwam om ‘brood te breken'. Neen, de Corinthiërs waren
geen uitzondering toen de apostel opmerkte dat het hun aan 'geen enkele
genadegave' ontbrak. Zij toch zagen uit naar de openbaring van Jezus Christus
in hen (1 Cor. 1:7). Wij kunnen ons ook voorstellen dat Paulus aan de andere
gemeenten niet over het spreken in tongen schreef, evenmin als hij elders rept
over de avondmaalsviering. De glossolalie vormde nergens een problemen zij functioneerde
overal goed. Ook in onze eigen gemeente spreken wij zelden over onderwerpen als
doop, avondmaal en de glossolalie. Deze zaken behoren bij het fundament,
waarvan de apostel schrijft: 'Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande
Christus laten rusten en ons richten op het volkomene' (Hebr. 6:1). Gemeentesamenkomsten zijn
geen herhalingen van evangelisatiediensten waar men zich richt op de eerste
beginselen.
Uit de inhoud van de hoofdstukken 12, 13 en 14 van de
eerste Corinthebrief blijkt, dat de apostel de meeste aandacht moest schenken
aan de plaats die de glossolalie in de gemeentesamenkomsten inneemt.
Uitingen van de geestenwereld
2. 'Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen
waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heendrijven'.
Van hun jeugd af waren de Corinthiërs met de geestelijke
wereld in aanraking geweest. Zij hadden zich immers laten 'heendrijven' naar
de 'stomme afgoden', die hen op het verkeerde pad gebracht hadden. Zij hadden
zich 'blindelings' aan hen overgegeven, zodat zij als blinden doolden aan de
verkeerde kant in de hemelse gewesten. De 'stomme afgoden' hadden hen in
gemeenschap gebracht met de boze geesten (1 Cor. 10:20). Tijdens hun tempel
diensten werden zij 'geestdriftig', dit wil zeggen door geesten gedreven. Zij
werden dan vol van god, dat is enthousiast. Om in dezelfde trance-toestand te
geraken, maakten zij dikwijls gebruik van muziekinstrumenten, zoals het
'schallend koper of een schetterende cimbaal' waar Paulus in 1 Corinthiërs 13:1
op zinspeelt. Wij denken ook aan Delphi dat eveneens in Griekenland lag. Daar
zat een vrouw, de Pythia, op een drievoet boven een aardspleet. In een toestand
van vervoering die misschien opgewekt werd door opstijgende bedwelmende
dampen, stootte zij klanken uit die door de priesters als orakels werden
vertolkt.
In onze eigen tijd gebruikt men ook allerhande slaginstrumenten
zoals drums en bekkens bij de pop en undergroundmuziek, die een orgie van
geluiden voortbrengen ten einde de luisteraars 'high' of uitzinnig te maken.
Terwijl het huidige christendom weinig of niets van de onzienlijke
wereld weet, dringen de mystieke oosterse godsdiensten in onze westerse
maatschappij snel op en zij schenken wèl de mogelijkheid aan de zoekende mens
om geestelijk te worden.
Zo is yoga voor velen het middel geworden om door
lichamelijke versterving en concentratiemethoden tot hogere
bewustzijntoestanden te geraken. Door de aandacht te richten op een beeld, of
zelfs maar op een boomstronk, wordt de geest van de mens ‘blindelings heengedreven'
en geleid op de dwaalwegen van het rijk der duisternis. De natuurlijke mens
wordt op deze wijze tot inactiviteit gebracht en gefixeerd, en de geestelijke
mens bij de hand genomen om te dolen in de hemelse gewesten.
Ook bij het spiritisme wordt de geest losgemaakt van het
natuurlijke leven en komt hij in rechtstreeks contact met de demonen. Waar op
deze wijze de boze en onreine geesten in de mens komen, behoeven wij ons niet
te verwonderen dat een medium de taal van een inwonende geest overneemt en dus
evenals het eerder genoemde orakel van Delphi, onbekende klanken doet horen.
Langs occulte weg is het dus mogelijk dat een, in zijn geest overweldigd mens,
de talen van boze engelen spreekt.
De christen zal zich evenwel verre houden van elke occulte
praktijk, die buiten Christus om, de mens in de onzienlijke wereld brengt. Op
de Pinksterdag wijst Petrus de weg om aan de goede zijde van het Koninkrijk der
hemelen te komen, wanneer hij zegt: 'Bekeert u en een ieder van u late zich
dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult
de gave des Heiligen Geestes ontvangen' (Hand. 2:38). Hij geeft daar ook aan,
hoe de gelovige in het Koninkrijk Gods blijft, en citeert daarvoor de
uitspraak van de geïnspireerde psalmist: 'Ik zag de Here te allen tijde voor
mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankele' (Hand. 2:25). Wie
op de hoge weg wil wandelen en in de geestelijke wereld alleen contact met God
wil hebben, moet de raad van de apostel opvolgen; 'Laat ons oog daarbij alleen
gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs' (Hebr. 12:2).
Wij stellen ons Jezus evenwel niet voor in het vlees, want
zo kennen wij Hem niet (2 Cor. 5:16), of in de natuurlijke wereld, of door
middel van een beeld, een schilderij of een plaat, want de 'Here nu (in onze
tijd) is de Geest' (2 Cor. 3:17). Het woord is de openbaring en de 'uiting' van
deze Geest. Wie Jezus volgen wil in de hemelse gewesten, moet Hem volgen in
zijn denken en zijn woord vasthouden of bewaren. Zo alleen blijft de christen
op de weg des levens.
Bij het naderen tot God maken ook wij gebruik van 'psalmen.
lofzangen en geestes-liederen (in nieuwe tongen)', die meestal instrumentaal
begeleid worden. Het gaat daarbij evenwel in de eerste plaats niet om het ritme
of de intensiteit van het geluid. maar om de gedachten die wij voor het
aangezicht van de Heer brengen, 'want wie lof offert, eert Mij, en baant de
weg, dat Ik hem Gods heil doe zien' (Ps. 50:23). Wij naderen tot God met de
geïnspireerde woorden van psalmen en gezangen en onze Heer belooft dat Hij dan
tot ons zal naderen en ons vervullen zal met zijn Geest (Ef. 5:18,19).
KvO 37e jaargang nummer 4, 9 maart 1973
(13)
Tweeërlei visie
3. Daarom maak ik u bekend, dat niemand
door de Geest Gods sprekende, zegt: Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan
zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest.
Met het redengevende voegwoordelijke bijwoord 'daarom'
wordt de betekenis van vers 3 in verband gebracht met de geestelijke wereld,
waarin de gelovigen hun plaats gaan innemen. Hoe moeten zij zich daar nu
opstellen om niet opnieuw als blinden bij de hand genomen te worden door de
demonen? Wanneer de gemeente de hemelse gewesten binnentreedt, welke kennis en
gezindheid des harten moet zij dan bezitten? Op dat ogenblik immers zal zij
zich ervan bewust moeten zijn dat de overheden, de machten, de wereldbeheersers
dezer duisternis en de boze geesten haar de gang op de hoge weg door het Koninkrijk
Gods willen versperren.
Paulus gebruikt nu twee uitdrukkingen ten einde de verkeerde
en de juiste instelling van de christenen te typeren. Hij schrijft: niemand
die door de Geest Gods spreekt, zegt: 'anathèma Jezus', dat betekent: 'Jezus
een vervloeking', en niemand kan zeggen: 'Kurios Jezus', dat is 'Jezus is
Heer', dan door de Heilige Geest.
Het woord 'anathèma' betekende letterlijk 'wijgeschenk'
dat ter verzoening en ter vernietiging aan de godheid prijsgegeven was. Men
noemde iemand een vervloeking of banvloek, indien hij voor het algemene welzijn
opgeofferd moest worden, zodat door zijn dood de vloek van land of volk
afgekeerd werd. In Romeinen 9:3 zegt de apostel: 'Want zelf zou ik wel wensen
van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten
naar het vlees'. Zijn genegenheid tot zijn volk was zo groot, dat hij wel 'anathèma'
wilde zijn.
Aan het einde van het vorige hoofdstuk werden de Corinthiërs
bepaald bij het vieren van het avondmaal. Men moest dan herdenken hoe de Zoon
des mensen eenmaal een vervloeking was. Als hogepriester had Kajafas onbewust
geprofeteerd dat Jezus voor het ganse volk moest sterven (Joh. 11:50-52). De
Heer was door zijn Vader ter wille van de ganse mensheid als zoenoffer
prijsgegeven aan de doodsmachten. Het is noodzakelijk dat een christen op
gezette tijden achterom ziet en herdenkt dat Jezus voor hem een vervloeking
werd, opdat hij nu als rechtvaardige, zonder besef van kwaad mag zijn. Het is
zelfs noodzakelijk zich dit offer voor ogen te stellen, indien men gezondigd
heeft (1 Joh. 2:1), of indien men ziek is, want 'de straf die ons de vrede aanbrengt,
was op Hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden' (Jes. 53:5). Ook
zal men bij het evangelisatiewerk steeds moeten getuigen dat Jezus eenmaal
'vervloekt' was, teneinde de schuld van de ganse mensheid weg te nemen.
Wie belijdt dat Jezus voor hem 'vervloekt' was, gaat in
door de enge poort. Dat is genade en waarheid. Maar het is niet Gods bedoeling
dat de christen hierbij blijft staan. Hij mag zich niet 'vastklemmen aan
Golgotha's kruis tot de Heer komt', zoals het lied zegt. Hij moet door de poort
gaan om de hoge weg te betreden die naar het doel van God voert: de volmaakte
mens op de troon van God. Hij moet dus gelijkvormig worden aan het beeld des
Zoons (Rom. 8:29). Hij zal moeten getuigen: 'Maar één ding doe ik: vergetende
hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag
ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus
Jezus' (Filip. 3:14).
In de rooms-katholieke kerk wordt de gedachte aan 'Jezus
een vervloeking' voortdurend levend gehouden door het crucifix met de lijdende
Verlosser. Zelfs de 'geestelijke' leiders dragen dit symbool als onderdeel van
hun gewijde kleding altijd bij zich. Wij vragen ons af of zij met dezelfde
intensiteit waarmee zij de stadia van het lijden des Heren willen overpeinzen,
ook bezig zijn met Hem, die met eer en heerlijkheid gekroond, bekleed
is met alle macht in de hemel en op aarde, die Heer is.
De leer aangaande de verzoening van de zonden behoort tot
de eerste beginselen, waarvan de apostel zegt dat wij voor de gevorderde
christen dit onderwijs kunnen laten rusten om ons te richten op het volkomene
(Hebr. 6:1). In ons hoofdstuk voert Paulus zijn lezers de geestelijke wereld
binnen, waar de opgestane Meester geen vervloeking meer is, maar Koning en
Heer.
De Kurios-titel werd bij het hellenistische heidendom ook
voor zijn goden gebezigd en hij werd ook opgeëist door de Romeinse keizers. In
dit verband kon Paulus schrijven: 'Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij
in de hemel, hetzij op de aarde - en werkelijk zijn er goden in menigte en
heren in menigte - voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie
alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus. door wie
alle dingen zijn, en wij door Hem' (1 Cor. 8:5,6).
Duidelijk wijst de apostel er nu op, dat men als christen
bij het verkeren in de onzienlijke wereld, evenals de heidenen kan gaan dolen.
Er kunnen gedachten opkomen en woorden uitgesproken worden, die wel passen bij
de poort, maar niet bij een wandel op de hoge weg. Wie streeft naar de uitingen
van de Geest, zal zich enkel en alleen aan de leiding van de Heilige Geest
moeten toevertrouwen. Men moet zich dan terdege bewust zijn van diens
aanwezigheid in het binnenste, juist omdat het dan op het zuiver geestelijke
aankomt. Wanneer het aan rechte onderscheiding ontbreekt, zullen de boze
geesten, vooral de 'vrome', hun slag slaan, en grote verwarring veroorzaken.
Wanneer daarom in de pinksterbeweging iedere inspiratie en opkomende gedachte
zonder onderscheid klakkeloos als van God komende, geaccepteerd wordt, zal de
chaos in het geestelijke leven ook volledig zijn.
In dit vers worden wij bepaald bij twee gedachtegangen
die zich in het christendom ontwikkeld hebben. Velen belijden Jezus als de
verzoener van hun zonden, dus degene die als Zoon des mensen voor hen aan het
vloekhout der schande gehangen heeft. Zij zijn zich bewust van de waarheid dat
zij nu rechtvaardigen zijn door het geloof, maar de bijbel spreekt ook over een
rijkdom van
genade en over een volle waarheid.
Een echtbreker kan na belijdenis van zonde geloven dat zijn schuld vergeven
is, maar hierdoor is hij nog geen overwinnaar op de onreine geesten die
voortdurend zijn gedachteleven bezoedelen. Vele christenen moeten belijden dat
zij hun zonden dagelijks meerder maken en dat zij door en door verdorven zijn.
Het is dan wel duidelijk dat bij zulken de kracht en de leiding van de Heilige
Geest in hen, gemist wordt.
De apostel spreekt in 2 Corinthiërs 4:4 over 'het evangelie
der heerlijkheid van Christus'. Wie evenals Paulus zelf in de hemelse gewesten
'met de wilde dieren' (1 Cor. 15:32) moet strijden, bereikt er niets mee door
te belijden, dat Jezus Zich eenmaal vernederd heeft en gehoorzaam geweest is
tot de dood. De Heilige Geest had geen deel aan het lijden van Jezus, want Hij
had de Heer juist verlaten.
Wie zich in de hemelse gewesten opstelt en daar een
geestelijke overwinning wil behalen op de overheden en machten, doet dwaas om
te zeggen dat hij zich daar 'dekt onder het bloed'. Men moet zich als christen
immers altijd van zijn schuldvergiffenis bewust zijn, want anders is men geen
rechtvaardige. Tijdens de strijd moeten wij ons opstellen in het bewust zijn,
dat Jezus die ons gedoopt heeft met de Heilige Geest - Heer is, en dat wij
overwinnen op dezelfde wijze als Hij overwonnen heeft, namelijk met gezag, en
door de kracht van deze Geest. Wanneer er staat: 'En zij hebben hem overwonnen
door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis', zien wij deze
twee waarheden samengebundeld. Het 'bloed van het Lam' is de basis van de
gerechtigheid en daarna volgt het geïnspireerde getuigenis dat Jezus 'Heer’ is
en wij met Hem, want Hij is immers de Koning van de koningen en de Heer van de
heren. Indien Hij heerser is, regeert Hij over onderdanen die ook de
koninklijke waardigheid bezitten.
In Johannes 1:52 belooft de Heer aan zijn volgelingen dat
zij de hemel zouden geopend zien. Wanneer dit voorrecht Johannes op Patmos ten
deel valt, ziet deze apostel Jezus bekleed met een kleed dat in bloed geverfd
was en achter Hem de heerscharen die in de hemel zijn, Hem volgende op witte
paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen (Openb. 19 :11-15).
Wanneer een jongen aangevallen wordt door een troep
straatschenders, helpt het hem niet, wanneer hij zegt dat hij uit zo'n goed
gezin komt; daar trekken deze wetteloze knapen zich niets van aan. Hij moet
evenwel kracht bezitten om zich te verweren. Wij weerstaan de aanvallen van de
boze niet door onze gerechtigheid; integendeel, hij zal er ons te heftiger om
aanvallen, daar hij onze gerechtigheid roven wil. Juist indien wij zonder
schuld zijn en als kinderen van God leven, staan wij bloot
aan de pressie van de demonen: Hoe heeft Jezus, de Rechtvaardige, niet tijdens
zijn dagen in het vlees tot God moeten bidden en roepen? (Hebr. 5:7). Schreef
de begenadigde apostel Paulus niet, ziende op zijn geestelijke en lichamelijke
verdrukkingen: 'Ik sterf elke dag'? Ja, hij moest zelfs erkennen: 'Indien wij
alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de
beklagenswaardigste van alle mensen' (I Cor. 15:19). Hij kende slechts de
troost: 'God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht
wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen
bestand zijt' (1 Cor. 10:13). Er is geen overwinnaar zonder strijd en in deze
kamp tegen de boze geesten in de hemelse gewesten worden wij sterk.
Wie zich op de hoge weg begeeft, heeft een doel voor ogen.
Aan het einde van de weg is de troon, waar Jezus, de Zoon des mensen, op
gezeten is. Hem is gegeven alle macht in de hemel en op aarde en zijn werk is
om vele zonen tot deze heerlijkheid te leiden. Hij is de eerste van vele
broeders. Wie door de Geest van God spreekt en wandelt in de onzienlijke wereld,
moet zich bewust zijn van zijn koningschap. Hij moet daar immers heerschappij
uitoefenen over de gehele legermacht van de vijand en niets zal hem enig kwaad
kunnen doen. Op slangen en schorpioenen, beelden van de duivelse armee, zal hij
de voet zetten (Luc. 10:19).
Het bedrog van de boze is dat hij ons 'wijs' wil maken dat
niemand het doel van God met de mens: de heerschappij over al de werken zijner
handen, bereiken zal. Daarom houden de 'vrome' leugengeesten hardnekkig aan de
ellende van de mens vast. Zij zingen wel: 'Wie heb ik nevens U omhoog?', maar
in de praktijk belijden zij hun verbondenheid met het rijk der duisternis, door
te zeggen dat zij niet alleen allen zondaars zijn, maar ook blijven.
De apostel Paulus stelt het dus zo: wie nu blijft staan
hij Jezus als een vervloeking, is niet gedoopt met de Heilige Geest en spreekt
ook niet door deze Geest. Niet de lijdende Jezus heeft de Heilige Geest
uitgestort, maar de verheerlijkte Meester, 'want de Geest was er nog niet,
omdat Jezus nog niet verheerlijkt was' (Joh. 7:39). Een van de taken van de
Heilige Geest is om Jezus groot te maken, want Hij zal het uit het zijne nemen
en het ons verkondigen (Joh. 16:14). Degene die gedoopt is in de Heilige Geest
en wiens wandel is in de hemelse gewesten, ziet Jezus met eer en heerlijkheid
gekroond als Kurios, gezeten ter rechterhand Gods, en van Hem spreekt hij
(Hebr. 2:9).
KvO 37e jaargang nummer 5, 30
maart 1973
(14)
Menigerlei talen en de vertolking
10. En de ander allerlei tongen, en weer
een ander vertolking van tongen.
Wanneer wij willen weten wat er bedoeld wordt met 'allerlei
tongen', kunnen wij het beste een vergelijking trekken met de begaafdheid van
de menselijke geest om, zoals die in het natuurlijke leven voorkomt, een
zelfde gedachte in verschillende talen onder woorden te brengen. Er zijn
mensen die zich slechts in de ene taal, die zij van hun moeder en van hun
omgeving overnamen, kunnen uitdrukken. Dit betekent dan zelfs nog niet altijd
de volledige beheersing van eigen dialect of eigen landstaal.
Er zijn ook mensen die in staat zijn zich in verschillende
talen meer of minder vlot uit te drukken. Sommigen hebben een speciaal talent
om snel een vreemde taal te leren. Een selecte groep onder hen noemen wij
polyglotten of veel talensprekers.
De Heilige Geest heeft kennis van alle talen, zowel van
die van mensen als van engelen. Wij behandelden reeds dat het spreken in tongen
daarin bestaat, dat een gelovige zijn geest afstemt op de Heilige Geest en dan
de taal overneemt, die de Geest doet uitspreken: 'Zij begonnen met andere
tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken' (Hand. 2:4). Het
valt dan op, dat de meeste gelovigen die in tongen spreken, telkens weer
dezelfde taal of klankencombinaties gebruiken. Het elkander naspreken is
daardoor niet mogelijk; men kan dit hoogstens enkele woorden volhouden. Wanneer
iemand in onze eigen samenkomsten in een tong begint te spreken, horen wij
daarom meestal wel aan zijn taal wie het is, ook wanneer wij de spreker niet
zien. De bijbel gebruikt in dit verband het woordje 'tong' of 'taal' in het
enkelvoud: 'Wie in een tong spreekt' (1 Cor. 14:2,4,13). 'Heeft ieder iets: een
psalm of een lering of een openbaring of een tong' (1 Cor. 14:26). Bij andere
gelovigen hoort men duidelijk dat dezen in verschillende talen kunnen spreken.
Dit hangt vaak af van de geestelijke situatie waarin zij zich bevinden. Tijdens
een gebed voor een Indonesische zuster gebruikten wij een geestestaal, die
geheel verschilde van de tong waarin wij gewoonlijk spreken. Dit feit
constateerde ook degene die meebad. Voor zover het ons bekend is, hebben wij
hierin nooit meer gesproken, maar wel in andere talen.
Er zijn dus gevallen dat men van 'allerlei tongen', of van
'menigerlei talen' (St. vert.), of van 'verschillende soorten geestestalen'
(Brouwer), of van 'veelheid van talen' (Canisiusvert.) zou kunnen spreken. Zo
zegt de apostel van zichzelf: 'Als ik tot u kom en spreek in tongen' (1 Cor.
14:6). Natuurlijk kon Paulus ook slechts in één taal tegelijk spreken. Vandaar
dat hij schrijft: 'Indien ik bid in een tong', en niet 'in tongen' (1 Cor.
14:14). Het is evenwel duidelijk dat hij de begaafdheid bezat om in
verschillende geestestalen te spreken.
Tot de bijzondere
genadegaven wordt dus ook gerekend het spreken in
'allerlei tongen'. Het spreken in één tong of in één taal is voor de christen
die met de Heilige Geest gedoopt is, een vanzelfsprekende zaak, maar in 1
Corinthiërs 12:30 stelt de apostel de vraag: 'Spreken zij soms allen in
tongen?' Dit speciale charisma viel dus niet alle gelovigen in Corinthe, die
wel in één tong of in één taal spraken, ten deel.
Aan deze bijzondere gave van 'allerlei tongen' denkende,
kon Paulus de mogelijkheid stellen: 'Al ware het, dat ik met de
tongen der mensen en der engelen sprak' (1 Cor. 13:1). Deze apostel was
waarschijnlijk wel een polyglot in het Koninkrijk der hemelen! Hij beschikte
dan over een rijkdom aan geestestalen, die slechts sporadisch voorkwam en die ook
een oorzaak voor hem zou kunnen zijn, zich hierop te midden van de broeders,
die zich slechts in één taal uitten. te verheffen. We denken in dit verband ook
aan 2 Corinthiërs 12 : 2, waar Paulus schrijft: 'Er moet geroemd worden; het
dient wel tot niets, maar ik zal komen op gezichten en openbaringen des Heren'.
Opdat hij zich niet al te zeer zou verheffen, had God toegelaten dat hij een
doorn in het vlees had, namelijk een engel van satan die hem met vuisten sloeg
(2 Cor. 12:7). Het lijden en de verdrukkingen tijdens zijn zendingsreizen
maakten hem wel zwak en klein! Wij merken op, dat de apostel bovendien zeer
vele malen in nieuwe tongen sprak, want hij schreef: ‘Ik dank God, dat ik meer
dan gij allen in tongen spreek' (1 Cor. 14:18).
Door de glossolalie wordt de spreker alleen zelf opgebouwd
en ook de bijzondere gave van 'menigerlei talen' sticht de luisteraars niet.
Vandaar dat de apostel verduidelijkt dat wie profeteert, dit wil zeggen de woorden
Gods spreekt in voor de toehoorders verstaanbare volzinnen, meer is dan degene
die in allerlei tongen of talen spreekt (1 Cor. 14:5).
Wanneer wij in een samenkomst op een bekende melodie een
Hollander, Duitser, Engelsman of Fransman, ieder een lied horen zingen in zijn
eigen taal, spreken wij ook van een zingen in vreemde talen. Zo zetten wij ook
'tongen' of 'talen' in het meervoud, wanneer verschillende gemeenteleden ieder
in hun eigen geestestaal te samen bidden, spreken of zingen. Daarom staat er:
‘De gelovigen zullen in nieuwe tongen spreken' (Marc. 16:17 en: 'Want zij
hoorden hen spreken in tongen' (Hand. 10:46) en: 'Zij spraken in tongen' (Hand.
19:6). Ten slotte staat in 1 Corinthiërs 14:5: ‘Ik wilde wel dat gij allen in
tongen spraakt' en in vers 23: 'Indien dan de gehele gemeente bijeen-gekomen
is en allen in tongen spreken' en in vers 27: 'Indien er in tongen spreken,
laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt'.
Dat Paulus in zijn brief aan de Corinthiërs bij het schrijven
over het spreken in tongen zulke nauwkeurige onderscheidingen maakte, wijst er
wel op welk een belangrijke plaats de glossolalie in de gemeenten en bij de
apostel zelf, innam.
Nog een bijzonder charisma is de vertolking. vertaling of
uitlegging van tongen in de eigen gesproken taal. Het nut hiervan verschilt
niet met die der profetie. Zij is immers ook tot stichting, want 'wie
profeteert is meer dan wie in tongen spreekt, tenzij hij het ook uitlegt, zodat
de gemeente stichting ontvangt' (1 Cor. 14:5). Het bijzondere charisma van de
velerlei talen staat ook in de gemeente beneden de profetie, behalve indien er
een vertolking is. De vraag rijst: waarom geeft dan de Geest bij een vertolking
eigenlijk een vreemde taal vooraf? Het antwoord kan zijn: ten einde de
geestelijke oorsprong van de woorden Gods te accentueren en de tongen tevens
als een teken voor de ongelovige toehoorders te doen zijn (1 Cor. 14:22).
Wanneer een lid van de gemeente in tongen spreekt en een
ander de vertaling heeft, wordt gedemonstreerd dat het één God of één
inspirator is, 'die alles in allen werkt' (1 Cor. 12:6). De vertolking is de
weergave van de glossolalie in de gewone spreektaal. Daar de uitlegging van de
geestestaal moeilijker is en meer geloof vereist dan het spreken in een tong,
is het mogelijk dat de weergave van de inhoud korter of langer is. Men moet immers
ook de beschikking hebben over de juiste uitdrukking in eigen taalschat.
Wanneer een profeet zijn woorden laat voorafgaan door een
gebed in een tong, behoeft de profetie geen vertolking te zijn, maar is de
glossolalie hier slechts middel voor de profeet om zich zuiverder en meer
ongeremd op de Heilige Geest af te stemmen. Het spreken in een tong is dan een
goede 'springplank’ om zich op de geestelijke wereld te oriënteren.
KvO 37e
jaargang nummer ? 11 mei 1973 (15)
Tot één
lichaam gedoopt
12, 13. Want gelijk het
lichaam één is en vele leden
heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus: want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij
Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met
één Geest gedrenkt.
Het is van uiterst belang om de verzen die Paulus hier
neerschrijft, in de context of samenhang te zien. De apostel begint hier met
het voegwoord 'want', evenals hij dit deed in vers 8, waar hij de begaafdheden
van de Heilige Geest verbond aan de opbouw van de gemeente in haar geheel. Hier
heeft 'want' betrekking op 'een en dezelfde Geest, die een ieder in het
bijzonder toedeelt, gelijk hij wil' in vers 11. Wij mogen deze teksten dus niet
verklaren buiten het verband met de charismatische gaven. Wij zijn allen 'door'
of zoals de Canisiusvertaling luidt 'in' één Geest gedoopt, die wijsheid,
kennis, geloof, genezingen, krachten, profetieën. onderscheiding van geesten,
allerlei tongen en vertolkingen ervan, bewerkt ten behoeve van het lichaam van
Christus.
Wie de doop in de Heilige Geest accepteert, aanvaardt tegelijkertijd
de gaven en uitingen die deze Geest toedeelt. Wie uit deze teksten concludeert
dat ieder kind van God gedoopt is met of in de Heilige Geest, en tegelijkertijd
de uitingen van deze Geest zoals Paulus ze hier noemt, loochent en van nul en
gener waarde acht, kan onmogelijk een juiste verklaring van deze verzen geven.
Wel koppelt hij zijn bekrompen en vertrokken gedachtewereld aan de woorden van
de apostel, maar verder weigert hij diens voetsporen te drukken. Door zijn
vooropgestelde mening verwerpt hij de klare bedoeling van de schrijver, ten
einde er alleen datgene uit te halen, wat in zijn kraam te pas komt.
De uitdrukking 'lichaam van Christus' is een vergelijkingsbeeldspraak
(een z.g. metafoor), die ontleend is aan de overeenkomst met het menselijke
lichaam. Alle leden worden in stand gehouden en functioneren door één en
dezelfde levensgeest. Zo is de Heilige Geest de levensgeest of 'de Geest des
levens' van het lichaam van Christus (Rom. 8:2). Hoewel het menselijke lichaam
buitengewoon veelvormig is en opgebouwd wordt uit vele leden, heeft het slechts
één geest. Door diens kracht en wijsheid worden ieder orgaan, cel, weefsel of
lid, gevormd en onderhouden, zoals de nagel van de vinger of van de teen, de
papil aan de bovenkant van de tong, de haren in de huid, of wat voor onderdeel
ook. De geest geeft aan ieder van de leden en aan ieder orgaan de specifieke
vorm, kleur, eigenschap en bestemming die het nodig heeft. Iedere cel, ieder
weefsel is doordrenkt met de levensgeest. Alles wat met de geest verbonden
is, behoort ook bij het lichaam. Wat buiten zijn bereik of ervan losgeraakt is,
gaat dood en valt af. Het heeft dan geen deel meer aan het lichaam, want zonder
geest is ook ieder onderdeel van het lichaam dood (Jac. 2:26).
Uitgaande
van dit beeld constateert de apostel dat het lichaam van Christus ook slechts
één Heilige Geest bezit. Iedere mens wiens geest met deze Geest verbonden is,
is dus een levend lid van het lichaam des Heren. Deze gemeenschap is een
criterium in de hemelse gewesten. Of men Jood of Griek, slaaf of vrije, man of
vrouw, rijk of arm, met natuurlijke gaven wel of niet begiftigd is, maakt in de
onzienlijke wereld verder niets uit. Het mystieke lichaam van Christus is
opgebouwd uit leden of cellen die alle doordrenkt zijn met de Heilige Geest. In
de natuurlijke wereld ontplooit de geest ieder lichaamsdeel zo, dat er een
harmonisch en geordend lichaam ontstaat, toegerust met capaciteiten en
mogelijkheden. Zo wordt door de Heilige Geest met zijn gaven, de gemeente 'als
een welsluitend geheel' tot ontwikkeling gebracht (Ef. 4:16). De apostel somde
in de
voorgaande verzen een negental van de begaafdheden van dit
lichaam op, maar wie meent dat dit een volledige lijst vormt, beperkt het werk
van de Heilige Geest en doet eraan tekort. Indien de menselijke geest reeds
zo'n grote verscheidenheid van capaciteiten bezit, hoeveel te meer dan de
Geest van God! De openbaring van deze begaafdheden is in de plaatselijke
gemeente, die bijeengehouden 'door de dienst van al zijn geledingen',
harmonieus en geordend opwast, en waarvan ieder lid afzonderlijk aan het beeld
van Jezus Christus, de volmaakte drager van de geestesgaven, gelijkvormig
wordt. Uit het voorgaande volgt, dat wie geen 'deel heeft gekregen aan de
Heilige Geest', ook geen deel heeft aan het lichaam van Christus (Hebr. 6:4).
Uit het beeld van het lichaam met de daarin werkende
levensgeest leren wij, dat de doop in de Heilige Geest noodzakelijk is om tot
het lichaam van Christus te behoren. Als hoofd van dit lichaam werd de Heer
zelf in de Heilige Geest gedoopt, toen na zijn waterdoop de hemelen zich
openden en de (Geest Gods als een duif op Hem neerdaalde (Matth. 3:16). Jezus
ontving de Heilige Geest niet bij zijn bekering of wedergeboorte, want deze
ervaringen waren voor Hem niet nodig. Wanneer daarom iemand zich bekeert en
gereinigd wordt van zijn schuld en uit de duisternis overgezet wordt in het
Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde, wil dat nog niet zeggen dat hij nu ook
tot het lichaam van Christus behoort, want dit vervult een bijzondere en aparte
functie in het Koninkrijk van God.
Vele christenen menen dat zij bij de bekering automatisch
de Heilige Geest ontvangen hebben. Het is één ding wanneer aan een mens genade
bewezen wordt door de vergiffenis van zijn zonden, maar het is een andere zaak
of de Vader en de Zoon door de Heilige Geest woning in hem gemaakt hebben. Dit
laatste is rijkdom van genade. De vraag kan ook nu nog gesteld worden: 'Hebt
gij de Heilige Geest ontvangen. toen gij tot het geloof kwaamt?' (Hand. 19:2).
Daarom sprak Petrus: 'Bekeert en een ieder late zich (als gelovige) dopen op
de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden,
en gij zult (daarna) de gave des Heiligen Geestes ontvangen' (Hand. 2:38). Van
de Samaritanen wordt meegedeeld, dat zij ná hun gelovig aanvaarden van Jezus
en ná hun doop in water pas de Heilige Geest ontvingen (Hand. 8:16,17).
Hetzelfde gold voor de twaalf discipelen van Johannes de
Doper in Handelingen 19:1-7.
In Romeinen 8:9 wordt gezegd: ‘Indien iemand echter de
Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe'. Zo'n christen behoort
dus niet tot het lichaam van Christus. Het is daarom geen wonder dat zulke
mensen gewoonlijk spreken over 'de bruidsgemeente' en hiermee het begrip 'vrouw
des Lams' negeren. Zij erkennen dus dat zij geen gemeenschap met Jezus Christus
hebben, want het begrip 'bruid' sluit uit, dat reeds gemeenschap heeft
plaatsgevonden. Als gemeente zijn wij evenwel 'geroepen tot gemeenschap met de
Zoon' (1 Cor. 1:9). Er
is dus iets dat Hem en ons verbindt, zoals een man met zijn vrouw verbonden is.
Deze verbinding komt tot stand door de Heilige Geest die in ons woont en die
gemeenschap heeft met onze menselijke geest, zoals er staat: 'Die zich aan de
Here hecht, is één geest met Hem' (1 Cor.
6:17) De naam ‘bruidsgemeente’ drukt dus wel de geestelijke
armoede uit van de huidige christenheid, die altijd nog maar wachten
moet om in zijn ontferming als vrouw te worden aangenomen.
De Heilige Geest ontvangen wij na de bekering door ons
geloof op het gebed, dus door een bewuste gerichtheid zoals er staat: ‘Indien
dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen. hoeveel
te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem
daarom bidden?' (Luc. 11:13). Wanneer christenen zich
niet verlangend uitstrekken naar de doop in de Heilige Geest, staan zij op
hetzelfde niveau als de oudtestamentische rechtvaardigen. Daarom vragen zoveel
opwekkingspredikers: 'Here, schenk ons bidders als Daniël, of profeten zoals
Elia en Johannes de Doper', terwijl zij toch konden weten dat de minste in het
Koninkrijk der hemelen, dus die deel heeft aan de Heilige Geest, groter is dan
welke godsman ook uit het oude verbond.
Te midden van de burgers van een land vormt het parlement
een apart lichaam met een regerende functie. Zo ontvangt het lichaam van
Christus een besturende taak met haar Hoofd, Jezus Christus. De gemeente is bestemd
om plaats te nemen in de troon van God en met Jezus te heersen over alles wat God
geschapen heeft. De Heer sprak tot zijn apostel: 'Wie overwint, hem zal Ik
geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten
ben met mijn Vader op zijn troon' (Openb. 3:21). Jezus
overwon het duivelenleger door het gebruik van de woorden Gods en door middel
van de geestelijke gaven. In het geestelijke Israël vormt het lichaam des Heren
'een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap' (2 Petr. 2:9). Wie
meent klein voor God te moeten zijn, 'ja, niets te zijn!' en gaarne een
'deurmatje', mist de koninklijke kracht van de Heilige Geest. Ook hierin erkent
de zogenaamde 'nederige' christen dat hij niet gedoopt is met de Heilige
Geest. Hij mist het besef dat de Vader en de Zoon beiden woning in hem gemaakt
hebben.
Vele kinderen van God zingen schone liederen over het hemelse
Jeruzalem. Zij houden zich bezig met 'de heilige stad', zoals Abraham dit ook
deed, want deze oudtestamentische rechtvaardige 'verwachtte de stad met
fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is' (Hebr. 11:10). Al de
liederenbundels die samengesteld werden door een vorige generatie, missen dan
ook de verzen, die de heerlijkheid van de tempel
Gods bezingen. Ook in de psalmen wordt veelvuldig de schoonheid
vermeld van het Jeruzalem, de welgebouwde stad Gods, maar over het heiligdom
binnen haar wallen, wordt slechts sporadisch gerept, want dit was bijvoorbeeld
ten tijde van David nog niet gebouwd; het kon dus bij profeet nog geen beeld
vormen voor de nieuwe bedeling. Waar men geen oog heeft voor de vorming van een
hemelse tempel, is het tragische dat men de tempel van het nieuwe verbond weer
situeert op aarde te midden van het natuurlijk en vleselijke Israël en dan maar
weer opnieuw wacht en uitziet naar het ogenblik, dat de omstandigheden zo zijn
dat aan de bouw begonnen kan worden.
God is de bouwer van het hemelse Jeruzalem, maar Jezus
formeert de tempel. Hij is dan ook de Doper met de Heilige Geest. Dit is zijn
speciale opdracht. Om tot de tempel te behoren, moet men een 'levende steen'
zijn, die zich bewust laat 'gebruiken tot de bouw van een geestelijk huis, om
een heilige priesterschap te vormen, tot het brengen van een geestelijke
offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus' (1 Petr.
2:5). In het nieuwe Jeruzalem vormt het lichaam des Heren het stadsbestuur tot
heil en heerlijkheid van al zijn inwoners.
De uitdrukking van Petrus 'laat u gebruiken' wijst er
duidelijk op dat dit de bestemming is voor iedere gelovige in het nieuwe
verbond, die gerechtvaardigd is door het bloed van Jezus Christus. Wij moeten
dus met beslistheid de keuze maken om te jagen naar Gods doel. Bovendien
hebben wij de opdracht om allen die op aarde ingegaan zijn in het hemelse
Jeruzalem, dit 'evangelie der heerlijkheid van Christus' te prediken. (2 Cor. 4:4).
De Heer wil ons gebruiken om door middel van het woord velen uit kerken,
kringen en gemeenschappen in aanraking te brengen met deze rijkdom van genade,
met deze volle waarheid. Dan mogen ook zij zich laten invoegen, gedoopt met de
Heilige Geest, als levende stenen in de tempel Gods, die zich in het hemelse
Jeruzalem bevindt. Dan zijn ook zij door de Geest tot één lichaam gedoopt en
met één Geest gedrenkt.
In Openbaring 21:22.23 lezen wij van de heilige stad: ‘En
een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar
tempel, en het Lam. En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die
haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het
Lam’. Midden in deze geestelijke stad ‘van zuiver goud, gelijk zuiver glas’
woont God in zijn geestelijk huis. Dit wordt gevormd door de gemeente van Jezus
Christus, die hier ‘de heerlijkheid Gods’ genoemd wordt, zoals het Lam als
drager van het licht, de lamp is.
Als gelovigen willen wij in dit laatste der dagen, nu de
spade regen gevallen is, door de Geest gevormd worden tot geestelijke mensen.
Ook willen wij radicaal het evangelie van Jezus Christus, dat van het
Koninkrijk der hemelen, belijden. Het stuit onder de vleselijk gezinde
christenen op veel verzet, maar wij gaan door, want het opent nieuwe en
heerlijke perspectieven voor allen die de mogelijkheid zien van het
overwinnende Woord in de eindtijd. Dan wordt ook door middel van het gebruik
der geestelijke gaven op grond van de woorden Gods, het doel bereikt: ‘Opdat de
mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust’ (2 Tim. 3:16).
KvO 37e jaargang nummer ? 1 juni
1973
(16)
'Al ware het, dat ik met de tongen der
mensen en der engelen sprak. maar had de liefde niet, ik ware schallend koper
of een schetterende cimbaal' (1 Cor. 13:1)
Wanneer wij de
verklaringen aangaande het spreken in tongen voortzetten, zijn wij ons terdege
bewust, dat wij de deur van de natuurlijke wereld achter ons moeten sluiten,
ten einde geheel bezig te zijn in de geestelijke wereld. Het is bijvoorbeeld
veel gemakkelijker kanttekeningen te schrijven bij de Jacobusbrief, dan door
te dringen in het wezen van de glossolalie, en het nut van deze gave voor de
christen aan te tonen. De gedachten van deze broeder des Heren kunnen wij
immers toetsen aan het leven van de christenen in de zichtbare wereld. We
zullen enkele voorbeelden noemen.
Jacobus zegt onder andere dat het geloof pas volkomen
wordt uit de werken, dat wil
zeggen, men ziet in de zichtbare wereld de uitwerking van het (op zichzelf onzichtbare)
geloof.
Verder lezen we over lofzingen, met olie zalven, en dergelijke.
Ook negatieve zaken komen aan de orde, zoals laster, aanzien des persoons, dood
geloof, enzovoort. Hoewel het ene punt duidelijker aan de dag treedt dan het
andere, kunnen we dergelijke zaken begrijpen en beredeneren, want we zien ze in
het leven van de christenen van alledag.
Het spreken in tongen evenwel behoort tot een totaal
andere dimensie; het gaat buiten het gewone verstand om, zowel van degene die
het beoefent als van degene die het hoort.
De apostel Paulus was iemand met veel inzicht in de
geestelijke wereld. Dat blijkt wel als hij hier, vanuit zijn eigen rijke
ervaring, de glossolalie niet alleen associeert met menselijke talen, maar ook
met die van de engelenwereld. Steeds weer verbazen we ons over de grote kennis
en het diepe inzicht van deze apostel in het Koninkrijk Gods.
De engelen, wat voor wezens zijn dat eigenlijk? In Hebreeën
1:14 staat, dat de engelen allen tot de geestenwereld behoren. Nu heeft een
geest geen lichaam, dus ook geen spraakorgaan om klanken voort re brengen.
Jezus sprak ten aanzien van dit verschil tussen mens en engel, alsook met
betrekking tot zijn eigen verheerlijkt lichaam: 'Ziet mijn handen en voeten,
dat Ik het ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen
heeft, zoals gij ziet dat Ik heb' (Luc. 24:39).
Ook van God zegt Jezus dat Hij geest is: God kan wel
gedachten in ons leggen, maar Hij heeft de tong van de profeten nodig om ze
verstaanbaar te maken. We laten verder buiten beschouwing dat God door een
wonder, dus door een bijzonder ingrijpen, een enkele maal rechtstreeks met
menselijke stem hoorbaar uit de onzienlijke wereld sprak, terwijl dit soms voor
buitenstaanders als het geluid van een donderslag klonk. Zo hoorde Saulus de
stem van Jezus op weg naar Damascus, terwijl zij die met hem waren, de stem
wel hoorden, maar niet verstonden. Het spreken van engelen onderling kan derhalve
alleen maar door rechtstreekse overdracht van gedachten. Dát engelen onderling
ook communicatie hebben, blijkt uit Judas 9, waar staat dat Michaël, de
aartsengel, in een twistgesprek gewikkeld was met de boze.
Een dergelijke vorm van woordeloze communicatie kennen
mensen soms ook wel, wanneer ze een nauwe, geestelijke gemeenschap met elkaar
hebben. Ze begrijpen elkaar, verstaan elkanders gedachten, zonder dat zij spreken,
We denken hier ook aan de christenen die voor hun rechters moesten verschijnen;
dan schaarden hun geloofsgenoten zich zoveel mogelijk om hen heen, ten einde
door hun aanwezigheid, de broeders en zusters moed in te 'spreken'. De
gedachteoverbrenging of de telepathie zoals deze in de wereld beoefend wordt,
is echter te veroordelen, omdat de ene menselijke geest daarbij de andere gaat
overheersen. De sterke geest geeft dan opdrachten die de zwakkere geest moet
volvoeren. God wil dit 'amusement' niet, want in de geestelijke wereld stelt
Hij alle mensen ten opzichte van elkander gelijk en voor Christenen geldt het:
'Gij zijt allen broeders'. Zelfs van de oudsten zegt de Schrift dat zij
geen heerschappij mogen voeren over de kudde. Wij mogen alleen heersen over, de
boze geesten in de hemelse gewesten.
De engelen nu denken in woorden en zinnen, evenals de
mensen dit doen. Zij hebben daarvoor hun eigen taal die door de Heilige Geest
verstaan en dan overgebracht wordt op de menselijke geest die deze engelentaal
vertolkt met tong en mond. De boze geesten daarentegen brengen hun gedachten
rechtstreeks over op de mens en deze spreekt dan hun onheilige leugentaal.
Heilige engelen evenwel volvoeren het woord van God en luisteren naar de
'klank' van zijn woord (Ps. 103:20). Slechts in bijzondere gevallen worden
dezen gebruikt om met mensen te spreken. Dan lezen wij dat zij hen benaderen in
een droom of in een visioen, dus in feite van buitenaf. Het boek Openbaring
geeft hiervan vele voorbeelden, maar men vindt deze ook in Jesaja, in Daniël
en in de Handelingen der apostelen. Paulus gaat van de mogelijkheid uit, dat
men door middel van de glossolalie niet alleen de talen kan spreken die de
mensen gebruiken, maar ook die waarmee de engelen communiceren. Aangezien de
goede engelen allen dienende geesten zijn van de kinderen Gods en zij dus te
maken hebben met de denkwerelden en talen der verschillende volken, hebben zij
het vermogen zich aan te passen bij de geestelijke statuur van de mens onder
wie zij gesteld zijn. Zo is er ook bij hen verscheidenheid in 'spraak'.
De Heilige Geest kent niet alleen de talen der mensen,
maar ook die der heilige engelen. Hij draagt deze engelentaal over op de
christen, in wie Hij woont. Deze vertolkt de taal der engelen dan in klanken,
die overeenkomen met de gedachtewereld der engelen. De mens kent de inhoud
ervan niet, want zijn verstand is ook nu weer 'onvruchtbaar'. De klanken die
hij uitspreekt, stijgen op tot God. De glossolalie is dus niet een voortbrengen
van louter dierlijke en ongearticuleerde geluiden, maar de klanken hebben
inhoud en zin, want deze zijn dragers van gedachten, ook al begrijpt de mens
die niet. De hoorder, God, verstaat ze echter wél, 'want wie in een tong
spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door
de Geest spreekt hij geheimenissen' (1 Cor. 14:2). Op deze wijze brengt de
christen een lofoffer, namelijk de vrucht van zijn lippen. De tongenspreker
ervaart hierbij het klimaat kan het Koninkrijk Gods en die van de reine engelenwereld.
Zo wordt ook zijn geest opgetrokken tot Gods troon.
Ten slotte wijst de apostel erop dat bij het gebruik van
de glossolalie deze gave gepaard moet gaan met de liefde. Allereerst de liefde
tot God. Men spreekt immers niet
tot mensen en richt zich niet tot zichzelf, maar tot de
hemelse Vader. Deze liefde betekent evenwel ook de positieve gerichtheid ten
opzichte van de medegelovige. Wanneer iemand in de gemeente in tongen spreekt,
zal hij ook rekening moeten houden met zijn broeders en zusters, want zij
moeten ook stichting ontvangen.
Het rinkelende bekken en de schetterende cimbaal geven
uitdrukking aan het ongevoelige en koude klimaat dat een tongenspreker
verspreidt, wanneer hij in een gemeentesamenkomst alleen zichzelf bezig is te
stichten, daar hij zich niet voegt in het harmonische verband met zijn broeders
en zusters. Hiermee veroordeelt Paulus het spreken in tongen niet, maar hij
accentueert dat ook de begaafdste tongenspreker naar de eis der liefde moet
uitmunten tot opbouw van het gehele lichaam van Christus. Ook schept de apostel
geen valse tegenstellingen. zoals men wel hoort: 'Jullie zoeken het spreken in
tongen en wij jagen naar de liefde'.
Het spreken in veelheid
van geestestalen is een belangrijke gave die door het geloof
verkregen wordt, maar ook deze behoort ingezet te worden om door de liefde te
werken. Het spreken in tongen heeft zijn eigen plaats in de gemeente, maar dan
moet ook de gehele gemeente opgebouwd worden. Wij komen daarom tot de volgende
Paulinische opmerking:
Allen spreken in tongen
'Indien dan de gehele gemeente
bijeengekomen is en allen in tongen spreken, en er komen toehoorders of
ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen, dat gij wartaal spreekt?' (1 Cor.
14:23).
Van welke veronderstelling gaat de apostel nu uit? Het
antwoord is: de gehele gemeente spreekt in tongen! De vertaling van Brouwer
luidt: 'Wanneer dan de ganse gemeente te samen is gekomen, en allen met geestestalen
spreken, en onbegenadigden en ongelovigen komen binnen, zullen zij niet zeggen
dat gij waanzinnig zijt?' Wordt hiermee het te samen spreken in tongen in de
gemeente nu veroordeeld? Wanneer er in de volle-evangeliegemeenten, waartoe
wij behoren en waar ook vrijwel alle leden in tongen spreken, te samen in
tongen gebeden of gezongen wordt, is dit dan toegestaan? Het antwoord luidt:
ja, want ieder sticht dan zichzelf en wij worden met elkander opgebouwd.
Wanneer allen in tongen spreken, worden ook allen gezegend. Daarom spreken of
zingen wij ook gezamenlijk in vreemde talen. Maar als er dan buitenstaanders
komen of ongelovigen? Het antwoord is: dezen horen tijdens de dienst vele honderden
woorden in het Nederlands en zij mogen zelfs de geestesliederen meezingen in
hun eigen taal, zodat
zij niets tekort komen. In de
paar minuten dat wij in tongen spreken of zingen, kunnen zij, wanneer zij een
goede instelling hebben, onze geestelijke eenheid in Christus ervaren. Maar als
zij misschien zeggen dat wij 'uitzinnig' zijn, niet goed bij het verstand? Dit
is voor ons niet belangrijk: wij richten ons immers, geïnspireerd door de
Heilige Geest, eenparig tot God! Zij bevinden zich als gasten in de samenkomst
van een volle-evangeliegemeente, de kerk van Jezus Christus. In dit opzicht
nemen wij een voorbeeld aan de eerste gemeente op de Pinksterdag. Ook daar
spraken allen in vreemde talen en ook daar waren buitenstaanders en
ongelovigen, die dit alles maar zeer vreemd vonden. Dezen zeiden spottend: 'Zij
hebben te veel zoete wijn gehad!' Er waren evenwel anderen, die 'buiten
zichzelf van verwondering zeiden: wij horen hen in onze eigen taal van de
grote daden Gods spreken. Ook wij hebben dit zelf meegemaakt, toen bijvoorbeeld
iemand in het Italiaans God begon te loven en te prijzen. Een zendeling die in
Italië werkt, kon hem heel goed volgen.
Wanneer in een dienst met zieken gebeden wordt, wanneer
demonen bestraft en uitgeworpen worden, zal er misschien ook verzet komen van
'toehoorders en ongelovigen', maar dit mag nooit de reden worden dat wij onze
diensten gaan wijzigen ter wille van hen die geen inzicht in de hemelse zaken
hebben. Wij zullen het spreken in tongen niet belemmeren, maar dit integendeel
stimuleren, want wij verlangen ernaar dat allen in tongen spreken (1 Cor.
14:39.5). De oprechte kinderen Gods die deze gave nog missen, zullen er dan
naar gaan ijveren, want het geloven is ook hier uit het horen. Dit charisma is
immers een teken voor de ongelovigen en
bepaalt hen bij de boven-natuurlijke werking van de Heilige Geest in het
midden van de gemeente. Dit kan hen tot nadenken brengen en hun gedachten
richten op de hoge weg.
Wanneer enkele honderden mensen tijdens een samenkomst
van de gemeente met opgeheven handen in talen van mensen en engelen God de lof
toebrengen, doen zij iets dat volkomen overeenstemt met het bijbelse patroon
en gebeurt er iets in de hemelse gewesten, en de gehele gemeente wordt
opgebouwd.
Duidelijk ook is de tegenstelling tussen Babel en Pinksteren.
Oorspronkelijk waren er geen vreemde talen, want 'de gehele aarde nu was één
van taal en één van spraak' (Gen. 11:1). Wij weten evenwel dat deze eenheid in
dienst kwam van de demonen. Men bouwde zelfs een tempeltoren, een 'zikkurat',
die als een opgerichte ladder ten hemel zou voeren. Babel betekent 'poort
Gods' en men zocht naar een 'poort des hemels' (Gen. 28:17) ten einde contact
te krijgen met de geesten door middel van het occultisme. Dit was het begin van
hun streven, om langs de weg van de onzienlijke wereld der duisternis, het
onmogelijke, mogelijk te doen zijn. God verbrak dit eenheidsstreven en scheidde
de volken. Door de eenheid van taal was er de mogelijkheid dat een geestelijk
kwaad gemakkelijk kon doorwerken. Na de spraakverwarring bracht de taalbarrière
een verhindering, want de dwaalleringen en occulte zonden worden geblokkeerd
door de taalgrenzen. De eenheid van denken werd in Babel verbroken en ieder
volk en iedere natie begon eigen afgoden te dienen, en hun godsdiensten
stonden meestal vijandig tegenover elkander.
Stel nu in onze tijd een gemeente voor, waar allen in
vreemde talen spreken. De plaatselijke gemeente is dan beeld van de ene ware
kerk van Jezus Christus over de gehele aarde. Daar kan worden gebeden en
gezongen in talen van volken die de Heer nog niet kennen en in wier spraak nog
nimmer de ware God geloofd en geprezen werd. Dit gebeurt dan in een volle
evangelie gemeente waarvan de leden in de natuurlijke wereld vaak alleen hun
moedertaal spreken. Zij loven God, bidden en strijden onder andere in talen
van volken die zij niet kennen, maar uit wie God Zich óók een gemeente wil verzamelen.
Daarbij komt nog de taal van de engelenwereld. De stad Gods heeft immers in
zich de vertegenwoordigers van alle volken, maar binnen haar poorten wonen ook
de heilige engelen (Openb. 21:12).
De onderscheiden talen verbreken de eenheid van de
gemeente niet, maar alle leden weten dat dit spreken en zingen geïnspireerd
wordt door dezelfde Geest en allen zijn met die ene Geest gedrenkt. Het is één
Geest die alles in allen werkt! Ook op deze wijze wordt vervuld: 'Opdat thans
door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemels
gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, naar het eeuwig
voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd' (Ef. 3:10).
Een stem van vele wateren
'En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem
honderdvierenveertig-duizend, op wier voorhoofden zijn naam en de naam zijns
Vaders geschreven stonden. En ik hoorde een stem uit de hemel als de Stem van
vele wateren en als de stem van zware donder ... en zij zongen een nieuw gezang vóór de troon ...
en niemand kon het gezang leren dan de
honderdvierenveertigduizend, de losgekochten van de aarde' (Openb. 14:1-3).
In de dagen van het verblijf van onze Heer op aarde waren
er veel schriftonderzoekers die oprecht God wilden dienen en toch sprak Jezus
in verband met de wedergeboorte tot een van hen: 'Gij zijt de leraar
Israëls en deze dingen verstaat gij niet?' Wie in het ontwikkelingsproces van
het Koninkrijk Gods bij de tijd wil blijven, zal de Geest voortdurend
gelegenheid moeten geven om zijn denken te vernieuwen. In onze tijd zouden wij
aan vele rechtzinnige leraars in verband met de doop in de Heilige Geest en her
spreken in tongen, kunnen vragen: 'Hoe komt het toch dat jullie deze dingen
niet begrijpen? Waarom geloven jullie niet alles wat de apostelen en profeten
geleerd hebben?'
In 1 Corinthiërs 14:15 schreef Paulus: 'Ik zal bidden met
mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lofzingen met mijn geest,
maar ook lofzingen met mijn verstand'. Bij zijn gebeden en lofzangen met de
geest bewoog de apostel zich op een terrein waar zijn natuurlijk verstand hem
in de steek liet. Wanneer een gehele gemeente in tongen bidt of zingt, doet zij
dit krachtens het geloof aan het woord van God: de glossolalie behoort tot de
leer der apostelen. Zij maakt deel uit van 'een heil dat allereerst verkondigd
is door de Heer, en door hen die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons
is overgeleverd, terwijl ook God daaraan getuigenis geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten
en door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil' (Hebr. 2:3,4).
In Openbaring 14 schildert Johannes de voltooiing van de
ware kerk die het beeld van de Zoon gelijkvormig geworden is. Met het Lam staan
haar leden op de top van de berg Sion. In het nieuwe verbond zijn bergen beeld
van geestelijke machten, en de Sion is symbool van de Heilige Geest. Deze berg
is volgens Jesaja 2:2 in de laatste dagen verheven boven de hoogste der bergen.
Een hogere 'berg' bestaat er niet en het is het voorrecht van de gemeente in de
eindtijd om zijn top re bereiken. Al haar leden hebben op hun voorhoofden de
naam van de Vader en die van de Zoon geschreven; dit betekent dat de godheid
woning in hen gemaakt heeft, zoals de Heer sprak: 'Wij zullen tot hem komen en
bij hem wonen' (Joh. 14:23).
De voltooide gemeente die gereed staat om in een punt des
tijds van de aarde weggenomen te worden, zingt een lied dat in geen enkele
zangbundel voorkwam of voor zal komen. Het zingen met de geest kan men immers
niet leren, maar het is een begaafdheid van de inwonende Heilige Geest. Als het
geruis van talrijke wateren en het daveren van geweldige donder klinkt de hymne
van de losgekochten der aarde, dit wil zeggen van hen wier wandel tijdens hun
verblijf op aarde, geheel in de hemel is. Hun
lichamelijke transfiguratie is nu nabij en voor het laatst zingen zij een lied
met de geest zoals Paulus dit deed en ook wij dit weer doen. De stem van vele
wateren ziet hier op de menigerlei geestestalen die representatief zijn voor
vele volken (vergelijk Openb. 7:9 en
17:15).
Neen, het bidden en het zingen met de geest zijn niet
zinloos, maar zij behoren tot een hemelse dimensie, die men met schoolse
wijsheid niet bevatten kan. Wat Johannes in visioenen zag en hoorde, zal
vervuld worden en iedere ware gemeente zal ernaar jagen de top van de berg Sion
te bereiken en de voorspelde heerlijkheid te realiseren.
KvO 37e jaargang nummer ?, 22 juni 1973
(17)
Het einde van de glossolalie
Tongen. zij zullen verstommen' (1 Cor. 13:8)
In het dertiende hoofdstuk van de eerste Corinthebrief
schrijft Paulus over een gedeeltelijk kennen en over een volmaakt kennen, over
het verdwijnen van het onvolkomene om plaats te maken voor het volkomene. De
bouw van het huis Gods zal door middel van de geestelijke begaafdheden
voltooid worden. De apostel spreekt hier over een rijpingsproces dat eindigt,
wanneer wij Hem zullen zien, gelijk Hij is (1 Joh. 3:2). Zo spreekt de brief
aan de Efeziërs van de mannelijke rijpheid. Zo lang wij nog onvoldoende inzicht
in de geestelijke dingen hebben, is ons profeteren nog onvolkomen, dit wil
zeggen dat wij de gedachten van God nog niet haarscherp kunnen weergeven.
Er staat in dit hoofdstuk: ‘Want nu zien wij nog door een
spiegel, in raadselen' of 'aanschouwen in een spiegel een raadselachtig beeld'
(vert. Brouwer). Zoals men in een spiegel het beeld ziet van de werkelijkheid,
maar in feite niet de werkelijkheid zelf, zo heeft de Heer in beelden of
gelijkenissen gesproken over datgene wat in de onzienlijke wereld is. Deze
beelden moeten wij nog trachten te begrijpen en met onze geest transponeren in
een hogere dimensie, ten einde zo inzicht te krijgen in het Koninkrijk der
hemelen. Als het volmaakte gekomen is, hebben wij evenwel geen vergelijkingen
meer nodig, want dan bezitten wij het vermogen om ook de geestelijke wereld
rechtstreeks te aanschouwen. Er is dus nu nog een tekort aan zuivere kennis of
inzicht.
Natuurlijk bedoelt Paulus niet dat wij nu geen kennis meer
behoeven te verzamelen, of dat onze kennis van generlei waarde is, als hij
zegt: 'Kennis, zij zal afgedaan hebben'. Hij bedoelt hier het onvolmaakte en
gedeeltelijke kennen, dat plaats zal maken voor het volkomen kennen, want 'dan
zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben'. De profetieën die
betrekking hebben op het herstel aller dingen, zijn dan vervuld en hebben
'afgedaan'. Ook het spreken in menigerlei talen zal dan ophouden. De
glossolalie is immers spreken in bestaande talen maar het feit van de
verscheidenheid hiervan is een gevolg van de zonde, zoals uit Genesis 11
blijkt. De talen waren nodig om een barricade op te werpen tegen de doorwerking
van het kwaad. De volkomen gemeente, die geheel één is en onbevlekt, wordt ook
verlost van de taalbarrière die de geesten scheidt. De kinderen Gods zullen weer
als vóór de torenbouw van Babel, één van taal en spraak zijn, want ze zijn voor
eeuwig onafscheidelijk met God verbonden. Ze zijn de goddelijke natuur
volmaakt deelachtig en zullen dan ook één zijn met Gods gedachten en de taal
van hun Vader overnemen, zoals een klein kind dit doet van zijn moeder. Nu is
het nog zó. dat de Heilige Geest door hun mond talen van mensen en engelen
verklankt, maar dan zullen zij de gedachten van hun hemelse Vader door middel
van de Heilige Geest in de eigen taal van God kunnen overnemen en verklanken.
Wanneer de apostel schrijft: 'Spreekt iemand, laten het
woorden zijn als God' (1 Petr. 4: 11) is dit ten dele, want wij kennen zijn
gedachten slechts onvolkomen en bovendien is het voor ons moeilijk zijn
gedachten in onze eigen taal uit te drukken. Onze woorden schieten hierin
tekort en ze zijn te weinig genuanceerd. Het is immers ook moeilijk om een
technisch boek om te zetten in de taal der Papoea's, daar dezen voor
verschillende zaken en begrippen geen woorden hebben. Wat hebben de
bijbelvertalers al geen moeite om de gedachten die in Gods Woord vervat zijn,
uit te drukken in de talen en dialecten der primitieve volken en hoe geven de
verschillende vertalingen in onze eigen spraak al blijk, dat de overzetters
moeten worstelen om een juiste weergave van de oorspronkelijke tekst te
verkrijgen.
De taal van God die wij zullen spreken 'als het volmaakte
komt', heeft voor iedere gedachte van Hem het juiste woord en de eigen
verklanking. Het was voor Adam mogelijk ieder dier naar zijn wezen te kennen en
een naam te geven naar zijn aard. Deze kennis van Adam en
zijn taal betroffen alleen de zienlijke wereld. De woorden die in de hof van
Eden werden uitgesproken, waren onvoldoende om de hemelse zaken aan te duiden.
Vandaar dat wij nu nog bij het spreken over de onzienlijke wereld gebruik
moeten maken van beelden. De volmaakt geestelijke mens zal zowel de onzienlijke
als de zienlijke wereld naar haar wezen kennen, en woorden bezitten om die
kennis uit te drukken. Dan zal deze volkomen en rijk gevarieerde taal, de talen
van mensen en engelen vervangen in de tijd dat God zal zijn 'alles in allen'.
Wij spreken nu nog in beelden: van God die op de 'troon' zit, wiens 'ogen' de
ganse aarde over gaan en van de gemeente als een 'tempel', als een 'lichaam',
als een 'stad', als een 'leger' en als een 'tuin'. De geestelijke
werkelijkheid kunnen wij evenwel niet weergeven. Het is natuurlijk dwaas om uit
de tekst 'tongen, zij zullen verstommen' af te leiden, dat in onze tijd deze
charismatische gave niet meer zou functioneren, maar dat zij slechts bedoeld
zou zijn voor de tijd vlak na de Pinksterdag, toen de Heilige Geest werd
uitgestort. Onze gedeeltelijke kennis heeft immers ook nog niet afgedaan,
zomin als de profetieën geen waarde meer zouden hebben. Integendeel, de
apostel zegt dat wij de profetieën niet zullen verachten en dat wij acht
zullen geven op de godsspraken in het Oude en in het Nieuwe Testament, want
zij zijn als lampen die in duistere plaatsen schijnen (1 Thess. 5 :19 en 2
Petr. 1:19). Tot in onze tijd spreekt God door zijn knechten de profeten. Zo
zullen de tongen eerst dan verstommen, als het volmaakte gekomen is.
Ontmoeting met God
'Jaagt de liefde na en streeft naar de
gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren. Want wie in een tong spreekt, spreekt niet
tot mensen, maar tot God,
want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimenissen' (1 Cor.
14:1,2).
'Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf (1 Cor.
14:4). Er is 'een weg die nog veel verder omhoog voert'. Met deze woorden
eindigt de apostel het twaalfde hoofdstuk van deze brief. Wie omhoog wil
trekken om de berg Sion te bestijgen, zal dit moeten doen gelijk de Meester.
Deze bezat grote liefde en volmaakte, geestelijke begaafdheden. De liefde is
de positieve gezindheid ten opzichte van God en de naaste en zij geeft de
richting aan van het gebruik der geestelijke gaven. Geloof, hoop en liefde zijn
blijvende geestelijke waarden, omdat zij alle drie bindende factoren zijn.
Geloof verbindt de mens met 'de dingen die men niet ziet', dus met de
onzienlijke wereld; de hoop verbindt de christen met de beloften van God, en de
liefde legt het verband tussen het wezen van God en de medemens.
Liefde zonder gaven is evenwel krachteloos. Dit blijkt al
in het natuurlijke leven. Wanneer een man zijn vrouw en kinderen liefheeft, zal
hij ook begaafdheden moeten bezitten om zijn geliefden te kunnen onderhouden en
te helpen. Jezus had de Vader lief, maar door zijn gaven kon Hij ook de werken
Gods doen. Hij had de mensen lief, maar Hij kon ze ook bijstaan, hen genezen,
bevrijden en vertroosten door de kracht van de Heilige Geest in Hem. En zoals
de Meester was, behoren ook wij te zijn. De gaven dienen dus tot heil van de
naaste, zoals: de wijsheid, het spreken met kennis, de gave van genezingen, de
profetie, die van het dienen, onderwijzen, vermanen, meedelen, leiding geven,
enzovoort. Omdat wij Jezus liefhebben, gebruiken wij de gave die Hij ons
gegeven heeft, in zijn naam en in zijn dienst.
Merk op dat Paulus de gave van het profeteren de belangrijkste
vindt voor de gemeente. Profeteren is immers door inspiratie de gedachten van
God uitspreken tot stichting, vermaning en bemoediging, dus tot opbouw van de
geestelijke mens en zo tot opbouw van de gehele tempel Gods. De Heer is de
bouwer en Hij geeft de aanwijzingen door de mond van de profeten. Mozes sprak
al: ‘Och, ware het gehele volk des Heren profeten, doordat de Here zijn Geest
op hen gave! (Num. 11:29). Welk een rijke verscheidenheid zou er dan in de
samenkomst van de gemeente zijn, wanneer er telkens twee of drie het woord
voerden (1 Cor. 14:29) en God door zoveel arbeiders zijn instructies kwijt
kon. Het ijveren naar de gave der profetie is evenwel nog een streven naar het
onvolkomen profeteren, zoals Paulus in hoofdstuk 13:9 opmerkte. Dit onvolkomene
is evenwel nodig om het volkomene te bereiken. Hoe meer waarachtige profeten
er in een gemeente zijn en van hoe meer zijden de waarheid benaderd wordt, des
te meer komt het volkomene in zicht.
De glossolalie onderscheidt zich van het profeteren,
doordat zij alleen de spreker sticht en dus niet dient tot opbouw van de
gemeente. Buiten beschouwing valt natuurlijk het tegelijkertijd spreken in
tongen door de gehele gemeente, zoals wij eerder bespraken. Maar de opbouw van
zichzelf is ook niet verwerpelijk, integendeel: hij is absoluut noodzakelijk.
Zo zegt Judas: 'Maar gij. geliefden, bewaart uzelf in de liefde Gods, door
uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof en door te bidden in de Heilige
Geest' (Jud. 20). Hierdoor wordt men immers een geestelijk mens, die de weg van
de vleselijke gezindheid weigert te gaan, maar die in staat is in liefde tot
God door deze begaafdheid 'de weg omhoog' te gaan en vanuit deze situatie
'alle dingen geestelijk te beoordelen' (1 Cor. 2:14,15).
Duidelijk onderstreept de apostel in onze tekst het gebruik
van alle charismatische gaven in het midden van de gemeente. Alle moeten tot
ontwikkeling gebracht worden, want er moet naar gestreefd worden. Zij ontplooien
zich niet vanzelf, zomin als de natuurlijke begaafdheden dit automatisch en
zonder inspanning doen. Men moet ermee bezig zijn, erover nadenken, opmerkzaam
zijn of zich een gelegenheid voordoet zich in een gave te oefenen, opdat
allereerst de gemeente, maar ook eigen leven opgebouwd wordt.
De apostel geeft hier geen wazige aanduidingen of opwekkingen
om 'maar dicht bij de Heer te leven', of 'zijn al op het altaar te leggen'. Hij
vervalt niet in dromerijen die onbereikbaar zijn voor het gewone gemeentelid
dat een volle dagtaak heeft in de natuurlijke wereld. Deze behoeft geen
conferentieoorden te bezoeken om opnieuw opgeladen te worden, hij behoeft niet
deel te nemen aan nachtbidstonden die zijn slaap roven en hem ongeschikt maken
voor zijn normale bezigheden. Neen, het evangelie van Jezus Christus is voor
de grote massa, en zijn juk is zacht en zijn last is licht. Men kan bij Hem
kopen zonder geld en zonder 'de prijs ervoor te betalen'. Wie zichzelf stichten
wil, dichter bij God wil leven, de hoge weg wil gaan, moet in tongen bidden.
Dit kan hij overal doen en onder elke omstandigheid, wanneer hij geen creatieve
bezigheden heeft die ook zijn geestelijke inzet vragen. De huisvrouw kan dit
doen bij de afwas en de man tijdens zijn gang naar het werk, tussen het publiek
en op vakantie.
Wie in een geestestaal spreekt, richt zich niet tot mensen,
maar tot God. Welk een rijkdom ligt er in deze mogelijkheid verborgen. God is
geest en wij kunnen Hem ons niet voorstellen, zomin als wij van onze eigen
geest een beeld kunnen vormen. Ons natuurlijk denken belet ons vaak om zeker te
zijn dat wij in ons gebed werkelijk contact hebben met de Vader in de hemelen.
Ons verstand en ons gevoel zijn hiervoor geen steunpunten. Nu zegt evenwel de
apostel: wil je tot God naderen en direct gemeenschap met Hem hebben, begin in
tongen te bidden, want dit is een verheven weg. Ook zegt deze godsman: 'Ik dank
God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek' (1 Cor. 14:18). Paulus had
over deze verborgen omgang met God veel nagedacht. Hij kende de mogelijkheden
van de glossolalie. Hij beoefende haar meer dan enig ander christen, omdat hij
een ingewijde was in het 'geheimenis' van het Koninkrijk der hemelen, 'dat van
eeuwen her verborgen was gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat
thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse
gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden. naar het eeuwige
voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd' (Ef.
3:9-11).
U bevindt zich in een spannende situatie en ziet geen
uitkomst meer; begin dan in tongen te bidden. De machten vallen heftig op u
aan; gebruik deze gave. Is er reden tot vreugde; jubel het uit in tongentaal,
want uw loflied wordt door God gehoord. Wilt u zich losmaken van de zaken die u
obsederen, benauwen of tot zonde verleiden; maak u los van de wereld en nader
tot God door middel van de glossolalie.
Jezus sprak: 'De gelovigen zullen in nieuwe tongen
spreken'. Paulus geloofde en sprak veel op deze wijze en ook wij willen zijn
navolgers zijn. Paulus was een autoriteit in de glossolalie. Hij sprak met
kennis van zaken, want hij begreep wat het was om 'door de Geest geheimenissen
uit te spreken'. Hij sprak zelfs zovele malen in tongen (en bovendien nog in
menigerlei talen), dat hij wist dat niemand hem hierin voorbijgestreefd was.
Het gebruik van deze gave heeft groot nut en verandert de mens; het brengt hem
in de geestelijke wereld in de onmiddellijke nabijheid van God. Mogen
ongeestelijke christenen deze bijzondere gave verachten, misschien bespotten,
wees ervan verzekerd: wie in tongen bidt, spreekt tot God. In de profetie
spreekt God tot de mens, in de glossolalie spreekt de mens tot God. De belofte
is: 'Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen' (Jac.
4:8).■
No virus found in this incoming message. Checked by AVG - http://www.avg.com Version: 8.0.138 / Virus Database: 270.5.12/1594 - Release Date: 5-8-2008 21:49