KvO 36e jaargang nummer 10, 30 juni 1972                                                            

J.E. van den Brink            

 

 

                       SPREKEN IN TONGEN

 

 

Bijbels en belangrijk

 

In de bijbel wordt ons meegedeeld dat de eerste chris­tenen met de Heilige Geest gedoopt werden en daarna in tongen begonnen te spreken. Deze mensen hadden een geestelijke ervaring die vanwege de merkwaardige tongentaal door een buitenstaander geconstateerd kon worden. Zo werd op de Pinksterdag de Heilige Geest uitgestort, waardoor alle volgelingen van Jezus werden vervuld. Op datzelfde ogenblik hoorde men hen in ton­gen spreken. In de oude kerk bleef dit het zichtbare te­ken dat de Heilige Geest bezit van een gelovige had genomen (Hand. 2:4. 10:46 en 19:6). Men noemt deze tongentaal met een Grieks woord 'glossolalie', afgeleid van glossa, dat is tong of taal, en van lalein, dat is spre­ken.

 

In Handelingen 2:4 staat dat de discipelen op de Pinksterdag in tongen of in andere talen begonnen te spreken. Wanneer een zendeling Portugees begint te spreken, betekent dit dat hij een aanvang heeft gemaakt deze taal te gebruiken, welke begaafdheid hij voortdurend zal trachten te ontwikkelen. Zo is ook de tongen­taal geen gave voor slechts één maal, maar een begaafdheid die de gelovige houdt, geregeld kan gebruiken en verder kan ontwikkelen. De glossolalie is een blijvend charisma en deze gave staat in verband met de doop in de Heilige Geest. In 1 Corinthiërs 14:23 deelt Paulus mee dat in een gemeentesamenkomst alle leden zonder uitzondering in tongen konden spreken. Er staat: 'Indien dan de gehele gemeente bijeengekomen is en allen in tongen spreken'.

 

Voor vele christenen in onze tijd is de begaafdheid om in tongen te spreken zonderling en dwaas. Zij zien er geen enkel nut in en waarschuwen er zelfs tegen. Hoe­wel zij zeggen in de bijbel te geloven, keren zij zich toch tegen de uitspraak van Jezus zelf, dat 'de gelovigen in nieuwe tongen zullen spreken' (Marc. 16:17). Hoe komt dit toch? De oorzaak hiervan ligt in het feit dat in de loop der geschiedenis de doop in de Heilige Geest uit de kerk verdwenen is en daarmee ook het spreken in tongen. In plaats van geestelijke christenen kwamen er ongeestelijke mensen, die alleen nog maar aanvaardden hetgeen vanuit het natuurlijke denken begrepen kon worden. De onzienlijke wereld verschoven zij in gedach­ten tot het stadium na de dood.

 

Door onverschilligheid, onkunde, ongeestelijk denken en liefde tot de tegenwoordige wereld, zijn de geestelijke begaafdheden verloren geraakt en verdwenen. Het treu­rige ervan is dat men dit niet meer als een verlies be­schouwt, maar als een vanzelfsprekende ontwikkeling. Men zegt dat de gaven welke Jezus aan zijn gemeente wil schenken niet meer nodig zijn. Charismatische ga­ven als die van genezing, van wijsheid en kennis aan­gaande de geestelijke wereld, van onderscheiding van geesten, ontbreken nu allerwegen. Toch heeft de apostel Paulus gezegd: 'IJvert naar de gaven des Geestes' (1 Cor. 14:1), maar men heeft het bijbelse patroon losgelaten, en de methode die Jezus en de apostelen gebruikten om het rijk der duisternis te bestrijden acht men verouderd, onbruikbaar en zelfs gevaarlijk. Zo wierp Jezus dagelijks duivelen uit (Luc. 13:32) en Hij sprak dat de gelovigen ook zo zouden moeten handelen, maar men veracht dit bevel, hoewel men toch beweert de gehele Schrift te aanvaarden.

 

Waar staat in de bijbel dat de geestelijke gaven niet meer nodig of niet meer van essentieel voor de gemeente zouden zijn? Waarom moesten de eerste christenen wel demonen uitdrijven volgens Marcus 16:17 en zouden wij dit niet meer behoeven te doen? De boze geesten zijn immers niet uitgestorven; integendeel, wij leven in een demonische tijd, waarin de duivelen meer dan ooit de mensen trachten te beïnvloeden en te binden.

 

Waar leest men ook dat de gave der tongen opgehouden heeft of niet noodzakelijk meer is? Neen, de begaafd­heden van de Heilige Geest zijn altijd nog nodig om de boze te overwinnen en als volwaardige christenen te le­ven in de hemelse gewesten, want daar is immers onze wandel, onze strijd en onze overwinning. Alleen geestelijk onderontwikkelde christenen verachten de hemelse gaven.

 

De eerste openbaring na de doop met de Heilige Geest is het spreken in tongen. Dit is een zeer belangrijke gave. Waarom? Omdat de Heer zelf sprak dat wij als gelovigen in nieuwe tongen zouden spreken, en Hij schenkt niet iets dat onbetekenend zou zijn. Ook al achten de meeste christenen deze gave onbeduidend, op grond van de Schriften is zij dit zeker niet. In Jacobus 1:17 staat: 'Iedere gave die goed is en elk geschenk dat volmaakt is, daalt van boven (uit de onzienlijke wereld) neder van de Vader der lichten, bij wie geen verande­ring is of zweem van ommekeer'. De glossolalie is zo'n goede gave, en wat God goed noemt, zullen we niet verachten. Paulus sprak ontzaglijk veel in tongen. Hij beroemt zich erop, want hij schreef: 'Ik dank God dat ik meer dan gij allen in tongen spreek' (1 Cor. 14:18). De apostel wist wat hij deed en dat het spreken in tongen goed voor hem was. Hij wist dat hij zichzelf daarmee opbouwde in zijn gemeenschap met God (1 Cor. 14:4). En wat goed voor Paulus was, is ook goed voor ons! Ge­loof daarom niet wat verschillende dwaalleraars aan­gaande dit onderwerp vertellen, maar aanvaard hetgeen Paulus sprak. Tracht een navolger van deze apostel te worden, zoals hij dit was  van Christus.

 

Op de Pinksterdag spotten sommigen met de in tongen sprekende gelovigen. Zij lachten en zeiden: 'Zij hebben te veel zoete wijn gehad!' Petrus reageerde op deze minachtende uitlating met de woorden: 'Deze mensen zijn niet dronken, zoals gij onderstelt, want het is het derde uur van de dag; maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: 'En het zal zijn in de laatste dagen zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees' (Hand. 2:13-17). De apostel wist dat de uitingen van deze eerste christenen op de Pinksterdag overeen­kwamen met wat in de laatste dagen gebeuren zou. Uit alle natiën en volken zullen mannen en vrouwen, jon­gelingen, jonge dochters en ouden, dienstknechten en dienstmaagden opnieuw vervuld worden met de Geest van God en dan zal het Pinksterteken zich herhalen. Petrus citeerde Joël 2:28 naar de Griekse vertaling van het Oude Testament, de septuagint. In de Hebreeuwse bijbel, waaruit onze vertaling is overgezet, staat in plaats van 'alle vlees' de uitdrukking ‘al wat leeft’, dit wil dus zeggen op alle kinderen Gods. Indien iemand niet wedergeboren is, leeft hij immers niet voor God, maar is hij dood in zonden en misdaden. Slechts op de wedergeboren mensheid zou Gods Geest nederdalen. Wij zien dus reeds in de Joëlsprofetie deze regel: eerst wedergeboorte en daarna de doop met de Heilige Geest!

 

Bekering

 

Het is van groot belang dat wij als christenen het ver­schil leren zien tussen bekering en wedergeboorte enerzijds, en de doop met de Heilige Geest anderzijds. Het is immers bekend dat velen menen dat men bij de wedergeboorte de doop met de Heilige Geest ontvangt. Toch wijst de Schrift duidelijk de weg, wanneer er staat: 'Bekeert u en een ieder late zich dopen op de naam van Jezus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen' (Hand. 2:38). In dit geval gesproken tot godvruchtige mensen die de Here oprecht wilden dienen, maar die breken moesten met hun zonden en ook met hun oude inzichten en gedachten. Zij moesten behouden worden uit een verkeerd geslacht, dat geen enkele kennis had van geestelijke wereld (Hand. 2:5,40).

Ook in Handelingen 8 zien wij duidelijk de gang van za­ken. De Samaritanen geloofden het evangelie dat Filip­pus bracht, zij lieten zich als gelovigen dopen en ont­vingen daarna de Heilige Geest onder oplegging van handen.

In Handelingen 19:1-7 zien wij eveneens deze volgorde. De discipelen van Johannes aanvaardden het evangelie dat Paulus predikte, toen werden zij gedoopt en daar­na ontvingen zij de Heilige Geest. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de Heer Zich verder niet aan deze volgorde zou houden.

Bij het optreden van onze Heiland klinkt uit zijn mond: 'Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen' (Matth. 3:17). Deze woorden wijzen erop dat de mens niet alleen geschapen is om op de aarde te !even, maar ook bestemd is in de hemelse gewesten te functioneren. De geest van de mens is zodanig gescha­pen dat hij hiertoe bij volledige ontplooiing ook in staat is. De oproep van Jezus: 'Bekeert u' blijft ook nu nog van kracht voor ieder mens, en Jezus zelf opende de weg dat ieder mens die wil, dit Koninkrijk kan binnen­gaan.

 

Onder de mensen die naar de woorden van Jezus luiste­ren, zijn hongerigen en dorstigen naar de gerechtig­heid. Zij vernemen dat er een weg tot ontkoming is uit de duisternis waarin zij zich bevinden. Zij beginnen daarom de naam des Heren aan te roepen en te breken met iedere vorm van ongerechtigheid (Hand. 2:21 en 2 Tim. 2:19). Hun belaste en vermoeide geest richt zich op God, dat wil zeggen op zijn woord. Hun geest is gewillig om voortaan het goede te doen, hoewel hun vlees, dat gewend is de machten der duisternis te ge­hoorzamen, nog zwak is. Maar met hun verstand en hun wil dienen zij God (Rom. 7:26). Zij erkennen dat Gods geboden goed zijn, hebben de Here Jezus lief en nemen zijn woord gaarne aan. In Hebreeën 6:1 worden deze bekering en dit geloof in God genoemd als de twee eerste pijlers van het fundament waarop de Heer zijn gemeente bouwt. Het allereerste wat de bekeerde mens moet geloven, is dat Jezus zijn zondeschuld betaald Heeft, door zijn leven op Golgotha te offeren. Hij is 'het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt'. Ieder mens heeft immers gezondigd en hierdoor zijn in de onzienlijke wereld 'schatten des toorns' verzameld. Het is deze last van zonde-schuld die bij de bekering door Jezus wordt weggenomen. Door zijn geloof in het verzoenend bloed van Jezus wordt iedere zondaar die zich bekeert, een rechtvaardige.

 

 

KvO 36e jaargang nummer 11, 21 juli 1972                                                            (2)

 

Wedergeboorte

 

Na de bekering moet een verandering van leven komen. In Marcus 1:15 zegt Johannes de Doper: 'De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie'. Bij zijn bekering breekt de mens met zijn oude leven, maar ook met zijn oude inzichten­, en door het geloof in het evangelie wordt hij innerlijk vernieuwd. Deze hervorming of verandering van gedachten noemt de bijbel wedergeboorte. Zij is niet een geheimzinnige zaak die buiten de mens omgaat waarvan hij dus niet geheel zeker is, zij is niet een uitdrukking voor het begin van een nieuw leven waarvan oorsprong in nevelen gehuld is, maar zij is de overgang van de menselijke geest in een nieuwe levensfase. De kracht die deze overzetting bewerkt, is het woord van God.

Voor de bekering functioneerde de menselijke geest alleen in de natuurlijke wereld en in het rijk der duisternis. Jezus sprak: 'Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de geest geboren is, is geest' (Joh. 3:6). De on­wedergeboren mens leeft vanuit zijn natuurlijke overwegingen en wordt geleid door gedachten die uit het vlees zijn, dus die geboren worden vanuit de zintuiglijke waarneming. Hij rekent alleen met de situatie, met hetgeen hij ziet en hoort of met hetgeen hij op enigerlei andere natuurlijke manier kan waarnemen. Wie evenwel uit de Geest geboren is, rekent met de onzienlijke wereld, met God, met zijn woord, met de kracht van de Heilige Geest, met de bescherming van de heilige engelen, maar ook met de realiteit van de machten der duisternis. Hij heeft de mogelijkheid ontvangen om met de innerlijke mens ook in deze wereld te leven en zijn positie aldaar in te nemen.

 

De uitdrukking 'wedergeboorte' is een beeld of een ver­gelijking ontleend aan de natuurlijke geboorte. Het on­geboren kind leeft en ontwikkelt zich in de schoot van zijn moeder. Het heeft ogen, maar ziet niet en oren, maar hoort niet. Het leeft dus in het duister. Dan komt het ogenblik dat het de moederschoot verlaat en het levenslicht aanschouwt. Moeder zegt: 'Ik heb een kindje ge­kregen’ terwijl zij er juist van 'verlost' is! Zij rekent dus niet met de periode dat het kind onzichtbaar was; maar alleen met de tijd dat het kind een eigen plaats in de wereld inneemt. Deze entree of overstap is een beeld van de wedergeboorte van de menselijke geest, die zich eerst heeft ontwikkeld in de natuurlijke wereld die in de duisternis verkeert. De wereld is immers het terrein waar de overste dezer wereld, de boze zijn macht uit­oefent. De mens had 'ogen' maar zag niets van de heerlijkheid Gods. Hij hield zich slechts bezig met de dingen van deze aarde die verworden zijn door de beïnvloeding van de demonen. Voor de natuurlijke mens geldt: 'De god dezer eeuw heeft hem met blindheid geslagen' (2 Cor. 4:4).

 

Met de wedergeboorte is het ogenblik aangebroken dat de mens onttrokken wordt aan de macht der duisternis en overgebracht of overgeplaatst wordt in het Koninkrijk van God (Col. 1:13). Dan ziet zo'n mens 'het licht des levens' (Joh. 8:12). Hij begint aan een nieuwe levensperiode. In het Koninkrijk Gods wordt zijn geest eerst met melk gevoed en daarna met vaste spijze, want de melk (de eenvoudige, fundamentele waarheid) is voor de zuigelingen, 'maar de vaste spijs is voor de volwasse­nen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad' (Hebr. 5:13,14). De wedergeboren mens komt in het huisgezin Gods en daar is vreugde, niet alleen bij de engelen vanwege zijn bekering, maar ook bij al de huisgenoten des geloofs. Hij is nu een kind van God en hij leeft waar zijn Vader is, namelijk in de hemelse gewesten, in Christus Jezus (Ef. 2:6).

 

Wij schreven reeds dat het woord van God de bewerker is van de wedergeboorte. De bijbel leert niet dat wij door de Heilige Geest zijn wedergeboren, maar door het levende woord van God. Door de werking van de gedach­ten Gods wordt een mens vernieuwd en daardoor weder­omgeboren. Er staat: 'Wedergeboren, en niet uit vergan­kelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God' (1 Petr.1:23). 'Doch allen die Hem (het Woord) aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden' (Joh. 1:12). De wedergeboorte is dus een vernieuwingsproces want er is sprake van kinderen Gods wórden. Jacobus 1:18 luidt: 'Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voort­gebracht door het woord der waarheid'. Ook voor de herschepping geldt: 'Alle dingen zijn door het woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat ge­worden is' (Joh. 1:3).

Door het aanvaarden van de prediking van het evangelie wordt de menselijke geest toebereid om het duister te verlaten en zijn intrede te doen in het Koninkrijk Gods. Zo sprak de Heer aangaande de kracht van het woord: 'De ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen le­ven' (Joh. 5: 25). Kunnen doden dan horen? Jazeker, want hier wordt niet gesproken van mensen die biologisch dood zijn, maar van geestelijk doden, die in staat zijn met hun oren het woord van God op te vangen en met hun inwendige mens de gedachten Gods die erin vervat zijn, te verwerken.

 

Na de wedergeboorte kan de mens zich zowel in de na­tuurlijke als in de geestelijke wereld bewegen. Hij kan zich bezighouden met de aardse dingen, hoewel op een andere wijze als hij dit vroeger deed, maar hij kan zijn hart ook verheffen in de geestelijke wereld en wandelen op 'de hoge weg'. Wie uit vlees geboren is, richt de aandacht slechts op het uiterlijk waarneembare, maar wie uit de geest geboren is, richt de aandacht op God en zijn Zoon Jezus Christus. Zulk een mens houdt de woorden Gods vast en beoordeelt de situatie in zijn leven vanuit het woord van God, want 'het zaad Gods (het woord) blijft in hem' (1 Joh. 3:9). Dit woord is de vaste spijs die hem ook doet groeien naar de mannelijke rijpheid zoals er staat: 'Dan groeien wij, ons aan de waarheid (het woord) houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus' (Ef. 4: 15).

 

De wedergeboorte heeft dus betrekking op de geest van de mens en het woord van God. Door de wedergeboorte komt iemand in het Koninkrijk van God, de lichtzijde van het Koninkrijk der hemelen. De voorwaarde tot wedergeboorte is rechtvaardigheid of schuld-loosheid. In het oude verbond kende men geen wedergeboorte, door­dat de gelovige zijn gehele leven bezig moest blijven zijn rechtvaardigheid naar de wet te bewerken. Alleen in het nieuwe verbond is sprake van wedergeboorte, doordat het bloed van Jezus die volkomen rechtvaardiging en schuldloosheid bewerkt, zodat aan de voorwaarde vol­daan is om tot het nieuwe leven in de geestelijke wereld te komen. Allen die gerechtvaardigd zijn door het ge­loof in het bloed van Christus, hebben vrede met God en kunnen wandelen in zijn Koninkrijk. In de wederge­boren mens heeft God een welbehagen.

 

In Johannes 14:23 zegt de Heer: 'Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren'. Hier zien wij dus de verbinding (liefde) tot stand komen tussen de geest van de mens en het woord van Jezus, die het vleesge­worden Woord genoemd wordt. Daarop volgt dan: 'Mijn Vader zal hem liefhebben', omdat zo'n mens zich richt naar de gedachten van God. Ten slotte volgen dan deze woorden: 'Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen’. Dit laatste wijst erop dat de Geest die van de Vader en van de Zoon uitgaat, Zich verbindt met de wedergeboren geest van de mens en zó zijn lichaam maakt tot een tempel Gods in de geest.

 

Het plan van God

 

Voordat wij ons nu bezighouden met de doop in de Heilige Geest en het spreken in tongen, is het nuttig ons een voorstelling te vormen van de onzienlijke we­reld, waarin wij ons dan gaan bewegen.

Allereerst weten wij dat God geest is, die van eeuwig­heid bestaat en tot in eeuwigheid zijn zal (Joh. 4:14). Een geest is niet aan een plaats of tijd gebonden. Hij heeft kracht en gedachten die in woorden geopenbaard kunnen worden. Van eeuwigheid is het de gedachte of het plan van God geweest de onzienlijke wereld te be­volken met geestelijke wezens, die los van Hem stonden en gehoorzame dienaren zouden zijn. Maar ook was het zijn plan, door zijn kracht de stof te scheppen en deze te verbinden met leven. Als hoogtepunt van het goddelijke denken zou de mens geschapen worden naar Gods beeld en naar zijn gelijkenis. De Schepper zou deze formeren uit dezelfde aardse elementen waaruit ook de andere levende wezens waren geschapen, maar Hij deed een geest in hem wonen die alle levensgeesten en alle he­melgeesten te boven ging.

 

Wij merken op, dat er hemelgeesten of engelen zijn en wereldgeesten of menselijke geesten. De engelen komen uit God voort, die immers geest is. Zij hebben een zelf­standig bestaan, kennen evenwel geen ontwikkeling en ook geen voortplanting. Toen zij geschapen werden, wa­ren zij geheel toebereid. Doordat zij zelfstandig waren, was het mogelijk dat een deel van de engelen ontrouw werd aan het plan en de bedoeling van God. Dit deel verbrak de band der gehoorzaamheid en werd door God verworpen. Ook dit geschiedde ineens en geheel. Vanaf dit ogenblik waren de gevallen engelen vijanden van God; dezen gebruikten hun krachten en begaafdheden nu tegen Hem.

 

Geheel anders verliep de geschiedenis van de mens. Het was Gods bedoeling deze door ontwikkeling te verheffen tot zijn niveau, hem deel te doen hebben aan de godde­lijke natuur en Zich met de geest van de mens te verbin­den tot een liefdesgemeenschap als vrouw van God en tot een arbeidsgemeenschap, door hem te stellen over al de werken zijner handen.

In Psalm 8:6 staat, dat de mens bijna goddelijk gemaakt is. Dit betekent ondermeer dat de mensen zich kunnen vermenigvuldigen, niet alleen naar de stoffelijke zijde, maar ook naar de geest. Eenmaal blies God de levensgeest in Adam en deze geest heeft met het lichaam de mogelijkheid zich te vermenigvuldigen. Op deze wijze is de mens uitgebroken in menigte en zijn de wereldgeesten ontstaan. Met het ontplooien van de levensgeest groeit ook het lichaam, maar het is niet de bedoeling van God dat bij de volwassenheid van het lichaam, de geest zich niet verder ontwikkelt. De geest van de mens moet heerschappij gaan voeren over het lichaam en bewust zijn plaats gaan innemen in de hemelse ge­westen in het Koninkrijk Gods.

 

Door verleiding van buitenaf kwam de geestelijk onvol­wassen mens tot ongehoorzaam-heid. Maar God ver­wierp hem niet. Wel stond voortaan de aarde en dus ook de mens onder de heerschappij van de boze, die met zijn engelen als een bezettende macht hier opereert, maar de mens werd evenmin als de schepping op aarde, geheel verdorven. Zijn zondeschuld hield hem evenwel verwijderd van de tegenwoordigheid des Heren en ver van diens Koninkrijk. De mogelijkheid om het doel van God te bereiken, was op deze wijze afgesneden. Er ontbrandde een felle strijd tussen God en de boze om het bezit van de mens. De overste dezer wereld tracht iedere nieuwe wereldburger door verleiding en pressie onder zijn heerschappij te brengen en door diens schuld al­maar zwaarder te maken, de afstand tussen God en de mens op deze wijze steeds te vergroten.

 

In het eeuwige plan van God was evenwel ook met deze gang van zaken rekening gehouden. Het lam van God dat de schuld van het menselijke geslacht zou wegne­men, was geslacht vanaf de grondlegging der wereld. In de volheid des tijds werd het grote woord tot herstel gesproken. Dit woord werd vlees, en geboren als de Zoon des mensen uit een vrouw. Hij is het die de barrière van de schuld wegnam en die de toegang tot het hemelse Koninkrijk voor een ieder die in Hem gelooft, geopend heeft. Jezus nam niet alleen de schuld der wereld weg, maar als eerste mens bereikte Hij het doel dat de Vader voor het menselijke geslacht bereid had. Reeds hier op aarde maakte God, toen Zijn Zoon volwassen was, woning in Hem, door Hem te dopen in de Heilige Geest. Toen de Heer de plaats op de troon van God ontvangen had, schonk de Vader Hem alle macht in hemel en op aarde. Hij kreeg ook de beschikking om de Heilige Geest te geven aan alle wedergeborenen die zich hiernaar uit­strekten en zich ervoor openstelden. Op deze wijze ontvangt de mens de mogelijkheid tot bevrijding, tot herstel, tot overwinning en tot groei naar de volwassenheid. De Heilige Geest is niet zelfstandig, zoals de hemel­geesten en de menselijke geesten, maar Hij is onlosma­kelijk en eeuwig met God zelf verbonden, zoals een hand of een arm met het lichaam één geheel vormt.

 

 

KvO 36e jaargang nummer 12, 11 augustus 1972                                                    (3)

 

De doop in de Heilige Geest

 

Wanneer iemand zich in water laat dopen, is dit een ge­tuigenis van het feit dat hij als christen het oude leven heeft afgelegd en een nieuw leven is begonnen. Door het woord van God weet hij gereinigd te zijn van de zonde­schuld vanwege het bloed van Jezus. Dit geloof in het woord van God werkt dus reinigend op de innerlijke mens. De doop is hiervan dus een goed beeld, want wa­ter werkt reinigend op de uitwendige mens. Er is dus bij de doop sprake van 'een bad der wedergeboorte' (Tit. 3:5). Door zijn waterdoop openbaart de christen in de zienlijke wereld hetgeen in de geestelijke wereld bij hem gebeurd is, namelijk de reiniging van de zondeschuld. Na zijn bekering werd tot Paulus gezegd: 'Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping van zijn naam' (Hand. 22:16). Door de waterdoop bevestigt de dopeling dus zijn wedergeboorte. Hij is nu door de vernieuwing van zijn denken in de geestelijke wereld gekomen. Hij weet dat hij daar moet leven, wandelen, werken, strijden en overwinnen.

 

Om als geestelijk mens goed te kunnen functioneren in deze onzienlijke wereld die de Heer openbaarde, is de doop in de Heilige Geest nodig. Daarom is de water­doop ook tegelijkertijd 'een bede van een goed geweten (dus van een rechtvaardige) tot God' om deze doop in de Heilige Geest (1 Petr. 3:21). Het is het gebed om aangedaan re worden 'met kracht uit de hoge', ofwel kracht uit de onzienlijke wereld (Luc. 24:49). De gelo­vige wil ook deel krijgen aan de begaafdheden van de Geest Gods. Hij heeft in de geestelijke wereld leiding en onderwijzing nodig.

 

Gebed om de Heilige Geest

 

Het is van groot belang te weten dat na de wedergeboorte de doop in de Heilige Geest volgen moet. Wie deze elementaire kennis van het Koninkrijk der hemelen mist, zal bemerken dat hij geestelijk niet vordert. Geen wonder dat vele christenen met hun wedergeboorte hun geestelijk plafond bereikt hebben. Zij weten dat zij een kind van God zijn en dat hun zonden vergeven zijn, maar zij weten niet hoe zij van al hun vijanden verlost kunnen worden (Luc. 1:74), genezing kunnen ontvangen en evenmin hoe ze kunnen opgroeien tot krachtige, geestelijke mensen voor wie satan bevreesd is, omdat hij te doen heeft met medearbeiders van God, wiens goddelijke kracht hun heeft begiftigd met alles wat tot leven en godsvrucht strekt' (2 Petr. 1:3). Zij kunnen daardoor niet gebruikt worden tot herstel, tot genezing, tot bevrijding en tot verlossing van anderen die door de duivel overweldigd zijn. Hun geestelijk niveau komt niet hoger dan dat van de rechtvaardigen uit het Oude Tes­tament.

 

Wij wijzen er dan ook op, dat Jezus dezelfde doop met de Heilige Geest nodig had, ten einde zijn werk op aarde te kunnen doen. Petrus getuigde van Hem hoe God Hem met de Heilige Geest en met kracht had gezalfd en hoe Hij was rondgegaan, weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren (Hand. 10:38). Door de doop in de Heilige Geest begonnen de krachten van het Koninkrijk Gods in Hem te werken, zodat Hij met kennis van zaken het evangelie van het Koninkrijk kon verkondigen, demonen uitwerpen, zieken genezen en bezetenen bevrijden, teneinde de obstakels weg te nemen, die de mens belemmeren het Koninkrijk Gods binnen te gaan.

 

Hoe ontving Jezus de Heilige Geest? Toen Hij volwassen geworden was en tot de arbeid geroepen werd, bad Hij erom en ontving Hem. In Lucas 3:21 staat dat Jezus allereerst in water gedoopt werd. Hij stond daar met Johannes de Doper in de Jordaan. Het water droop nog van zijn hoofd en handen. Toen sloeg de Zoon des mensen de ogen naar de hemel en bad. Bidden is: bezig zijn in de hemelse gewesten. De geest van Jezus richtte zich geheel op de hemelse Vader en op de belofte die deze aan Hem geschonken had. Hij begeerde 'de kracht uit de hoge', de gave van de Heilige Geest. 'En het geschiedde, terwijl al het volk gedoopt werd dat, toen Jezus gedoopt werd en in gebed was, de hemel zich open­de, en de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neder-daalde'. Op zijn waterdoop volgde ogenblikkelijk de Geestesdoop. Zowel Johannes als Jezus blikten in de onzichtbare wereld en beiden zagen hoe dit heilsfeit zich voltrok. Gods Geest vertoonde Zich aan hen in de vorm van een duif. Deze behoorde niet tot de zichtbare wereld, maar tot de visionaire, want er staat 'als een duif’. Deze duif was het teken voor Jezus en bovenal voor Johannes dat op dat ogenblik de menselijke geest van Jezus met de Heilige Geest verbonden werd.

 

Ook wij als christenen ontvangen op het gebed de Heilige Geest. Ook wij zullen bezig moeten zijn in de hemelse gewesten, want er staat: 'Gij zult de hemel geopend zien' (Joh. 1:52). Ook wij zullen na onze weder­geboorte tot God moeten naderen met onze innerlijke, geestelijke mens des harten. Wij zullen dan ons vertrouwen niet moeten stellen op iets hoorbaars of iets zicht­baars van deze aarde, niet op onze gevoelens of emoties, maar alleen op Jezus, ten einde op dezelfde wijze als Hij de Heilige Geest te ontvangen. Hij sprak immers: 'Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?' (Luc. 11:13). Deze belofte is gege­ven aan allen die reeds kinderen Gods zijn, want er is sprake van 'uw Vader'. Ieder kind van God kan dus de Heilige Geest ontvangen, indien hij erom bidt. Er is geen andere voorwaarde, maar deze weg is dan ook ex­clusief. Indien u daarom nog niet gedoopt bent met de Heilige Geest, bid er dan om, dat wil zeggen treed ook met uw 'hart' of innerlijke mens deze geestelijke wereld binnen. Bid om deze Geest en geloof dan dat gij Hem ontvangen hebt, en het zal u geschieden (Marc. 11:24). 'En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet' (Openb. 22:17).

 

Merk op, dat Jezus ook hierin ons een voorbeeld nage­laten heeft, opdat wij in zijn voetstappen zouden treden (1 Petr. 2:21). Van deze doop behoeft u in de natuur­lijke wereld niets te voelen en niets te ervaren. U moet alleen de hand des geloofs gebruiken. Men ontvangt de Heilige Geest alleen ten gevolge van de prediking des geloofs (Gal. 3:2). Deze doop brengt wel ervaringen mee: hij wordt gevolgd door blijdschap, vrede en ge­rechtigheid, het klimaat van het Koninkrijk Gods.

 

Het ontvangen van de Heilige Geest

 

Wanneer een christen in water gedoopt wordt, kunnen wij daarbij drie dingen onderscheiden: de broeder die doopt of de doper, het element waarin gedoopt wordt, het water, en degene die gedoopt wordt, de dopeling. Deze doop voltrekt zich geheel in de zichtbare wereld. Bij de doop in de Heilige Geest onderscheiden wij ook drie dingen: Jezus de Doper, de Heilige Geest waarin of waarmee gedoopt wordt, en de dopeling. Deze doop voltrekt zich in de onzienlijke of geestelijke wereld.

 

Jezus de Doper. Eenmaal sprak Johannes de Doper: 'Ik doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die zal u dopen met de Heilige Geest (Matth. 3:11). De voorloper voelde zich ten opzichte van Jezus onwaardig, omdat deze een evangelie bracht van een andere dimensie, namelijk van de geeste­lijke wereld. Dezelfde distantie kende de hoofdman van Kapernaüm die beleed: 'Here, ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt' (Matth. 8:8). Deze centurio werd slechts door aardse knechten gehoorzaamd, maar Jezus had gezag over de geestenwereld in het Koninkrijk der hemelen.

 

Jezus is de Sterkere, omdat Hij als lam van God in de hemelse gewesten de schuld der wereld wegnam. Jezus is de Sterkere, want door Hem kwam de lichtzijde van de onzien-lijke wereld, het Koninkrijk Gods, over ons. Wij zijn immers overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Jezus is de Sterkere. omdat Hij de Doper is in de Heilige Geest. De wedergeboren mens ontvangt door de doop in de Heilige Geest levenskraçht uit de onzienlijke wereld, die sterker is dan de kracht van de boze, zodat deze erdoor overwonnen kan worden. Jezus is de Sterkere, omdat Hij met de Heilige Geest ook diens begaafdheden toedeelt. Alleen toegerust met de gaven van de Heilige Geest kan de mens rijpe en ga­ve vruchten voortbrengen, die als een schat in de on­zienlijke wereld ten eeuwigen leven bewaard worden. Vreugde en vrede dalen neer in het hart van degene, die de doop van de Sterkere heeft ondergaan.

Jezus is de Doper in de Heilige Geest en Hij leeft nu in de onzichtbare, geestelijke wereld, want er staat: 'Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de be­lofte des Heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort wat gij en ziet en hoort' (Hand. 2:33). Jezus sprak tot zijn discipelen, maar ook tot ons: 'Doch Ik zeg u de waarheid: het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden' (Joh. 16:7).

 

De Heilige Geest waarin gedoopt wordt. Wij schreven reeds dat de Heilige Geest onafscheidelijk met God verbonden is en blijft. Hij opereert niet zelfstandig zoals de wereldgeesten en de hemelgeesten. Door middel van de Heilige Geest zoekt God met de menselijke geest contact. Hij ziet om naar zijn volk (Luc. 1:68) met als doel het zijn liefde, barmhartigheid en ontferming te bewijzen en het deel te geven aan de goddelijke natuur. Door de verbondenheid met de Heilige Geest en het bewaren van de woorden Gods, worden de wereldgeesten of menselijke geesten één, zoals de Heer in zijn gebed sprak: ‘Opdat zij  één zijn, gelijk Wij één zijn; Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één’ (Joh. 17:22). Op deze wijze wordt de mens gelijkvormig aan Jezus Christus, die de afdruk van God is.

Een beeld van deze gemeenschap is het huwelijk tussen man en vrouw. Er staat: 'En de Here God zei: Het is niet goed dat de mens alleen zij, Ik zal hem een hulpe maken die bij hem past' (Gen. 2:18). Ook God wil niet alleen zijn. Hij zocht een geest die bij Hem paste, die dus van hetzelfde niveau was en Hij verkoos de menselijke geest. Jezus was de eerste mens met wie God zijn doel bereikte, en door Hem zullen vele zonen tot dezelfde heerlijkheid gebracht worden.

 

Wij lezen reeds op welke wijze deze eenheid met God tot stand komt, want Jezus sprak: 'Ik in hen en Gij in Mij’. In de zienlijke wereld is langs deze weg de christen dan een tempel Gods geworden, want ‘De Here nu is de Geest’ (2 Cor. 3:17). God nam zijn intrek bij Jezus en de Héér doet dit in de gelovige. Zo maken Vader en Zoon woning in de mens door de Heilige Geest. Met el­kander vormen de tempeltjes één grote tempel, zoals de (levende) stenen te samen het gebouw vormen, of de levende stenen het lichaam.

Bij de doop in de Heilige Geest wordt vervuld: 'Wij (de Vader en de Zoon) zullen tot hem komen en hij hem wonen' (Joh. 14:23). Zo zoekt God een liefdesgemeenschap, maar ook een arbeidsgemeenschap met de mens. De liefdesgemeenschap wordt uitgedrukt door de woorden: 'Maar die zich aan de Here hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor. 6:17) en de arbeidsgemeenschap door de woorden: 'Gods medearbeiders zijn wij’ (1 Cor. 3:9).

 

Bij de doop in de Heilige Geest wordt de mens ook met deze Geest vervuld, evenals hij vervuld is met zijn men­selijke geest. Er is geen plaats in ons lichaam, waarin de menselijke geest zich niet bevindt, want zonder geest is het lichaam, maar ook elk lichaamsdeel dood (Jac. 2:21). Wie met de Heilige Geest gedoopt is, mag dus weten dat hij ook geheel met deze geest doortrokken of doordrenkt is. Deze Geest versterkt de begaafdheden van de menselijke geest en helpt ze ontplooien, want de gaven van de Heilige Geest komen overeen met die van de menselijke geest, want de mens is immers naar  beeld van God geschapen.

Onze geest is capabel om het lichaam in stand te hou­den en hij kan ook de ziel goed laten functioneren. Ook is hij in staat contacten te leggen in de geestenwereld en

kan zelfs gemeenschap zoeken met God. Hij is evenwel zwak en vaak krachteloos geworden door de pressie van de boze geesten, die hem aanvallen en verdrukken. Wie nu gedoopt is met de Heilige Geest, bezit een geest die oneindig sterker en rijker begaafd is dan de menselijke geest. De apostel verweet de Galaten dat zij hun vertrouwen weer gesteld hadden op de ‘zwakke en armelijke wereldgeesten’ in plaats van op de Geest Gods, die zij in hun inwendige mens ontvangen hadden (Gal. 4:6,9). ‘God heeft ons immers niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht’ (2 Tim. 1:7).

 

Het verschil tussen het oude verbond en het nieuwe is, dat de rechtvaardige eertijds de wet moest volbrengen met de zwakke menselijke geest, terwijl hij nu Gods Geest bezit, die hem ondersteunt, 'opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons' (Rom. 8:4). Zonde en ziektemachten die ook de gelovige trachtten te verleiden, te beïnvloeden en te bedreigen, worden nu met behulp van de Heilige Geest overwonnen. Zo is er de belofte voor het lichaam: 'Indien de Geest van Hem die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u  woont, dan zal Hij die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook Uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest die in u woont' (Rom. 8:11). Door de geest kan ons vernedert lichaam niet alleen biologisch goed functioneren, maar wij mogen ook door onze handel en wandel 'God verheerlijken met ons lichaam'. De Heilige Geest is het ook die onze ziel troost en leidt, zodat haar smarten geheeld worden en zij de ontplooiing bereikt die past hij de mens Gods.

 

In de bijbel lezen wij dat kinderen Gods die gedoopt waren met de Heilige Geest, opnieuw werden vervuld (Hand. 4:31). Deze Geest existeert op dezelfde wijze als de menselijke geest. Deze werkt ook niet altijd op volle capaciteit. Hij kan inzinken en mat worden, maar hij kan zich ook verheffen tot grote, scheppende prestaties. Zo zijn er  tijden dat de Heilige Geest in de mens wel aanwezig is, maar niet in sterke mate functioneert. Het kan zelfs gebeuren dat de christen zo bezig is met dingen die God niet behagen, dat hij de Geest uitblust (1 Thess. 5:19). Maar de gelovige kan ook vervuld worden met Gods Geest. Dan komen er sterke en krachtige impulsen rechtstreeks van God door de mens heen, want deze is immers door de Heilige Geest met God verbon­den. Daarom schreef de apostel dat wij onze geest niet moeten stimuleren door wijn of sterke drank, maar dat wij vervuld moeten worden met de Geest (Ef. 5:18).

 

 

KvO 36e jaargang nummer 13, 1 september 1972                                                   (4)

 

De dopeling.

 

Wij zeiden dat de doop in de Heilige Geest geheel in de onzienlijke wereld plaatsvindt. Jezus, de Doper bevindt Zich in de hemelse gewesten en de Heilige Geest waarin gedoopt wordt, is onzichtbaar, maar ook de dopeling vertoeft naar de inwendige mens in de geestelijke wereld. Bij de doop in water wordt de uitwendige mens ondergedompeld, maar bij de doop in de Heilige Geest, de inwendige. Ziel en geest komen dus in aanraking met de Heilige Geest en worden met Hem doordrenkt. Zo wordt de geest van de mens bij deze doop verenigd met de Geest van God, die de eigenschappen en begaafdheden van God zelf bezit. De Heilige Geest is de krachtigste geest die bestaat. Jezus sprak dat zijn discipelen aangedaan, bekleed of toegerust zouden worden met kracht uit de hoge, dus met kracht uit de geestelijke wereld (Luc. 24:49). Bij zijn afscheid her­haalde Hij de belofte; 'Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt' (Hand. 1:8).

De kracht die in de inwendige mens komt, is de energiebron waardoor de beloften van God in hem realiteit worden, want 'zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem' (2 Petr. 1:3). Wie in de Hei­lige Geest gedoopt wordt, mag zeggen dat 'God hem met de Heilige Geest en met kracht gezalfd heeft', even­als dit voor onze Heer gold (Hand. 10:38).

Door de wedergeboorte gaat iemand in door de enge poort en komt hij op de hoge weg. Door de doop in de Heilige Geest wordt hij toegerust om erop te wandelen, want deze Geest geeft hem niet alleen innerlijke kracht, maar ook kennis, wijsheid, onderscheiding, herstel, kort­om alles wat hij nodig heeft om waardig zijn plaats in het Koninkrijk Gods in te nemen en daar ook dienst­baar te kunnen zijn. Wanneer hij aangedaan wordt met deze kracht uit de hoge, wordt de koninklijke mantel om hem heengeslagen en krijgt hij autoriteit in de gees­telijke wereld. De doop met de Geest verheft de mens, maakt hem krachtig en sterk en geeft hem zekerheid dat hij het voorgestelde doel van de volkomenheid bereiken zal. Hij opent de weg tot een geheel ander leven, waarbij de christen zich telkens realiseert dat de Geest van de Allerhoogste woning in hem gemaakt heeft en dat deze Geest zijn geest leidt, opricht, sterkt en inspi­reert.

 

Een dwaling die onder een groot deel van de christen­heid aangehangen wordt, leert, dat een mens bij zijn wedergeboorte de Heilige Geest ontvangt. Toch is het wonderlijk dat deze overgrote meerderheid nimmer zeg­gen zal: 'Ik ben aangedaan met kracht van omhoog, of ik ben gedoopt in de Heilige Geest, of mijn lichaam is een kostbare tempel van de Heilige Geest'. Liever belijdt men zijn krachteloosheid en zijn onmacht. Men noemt zichzelf een arme zondaar en men zegt: 'Wij blijven al­lemaal maar mensen en in ons vlees woont ... geen goed!' Wat men aangaande de doop in de Heilige Geest theoretiseert, loochent men, zo belijdende, metterdaad. Wij willen ook nog wijzen op een andere dwaling die te­genwoordig gebracht wordt, namelijk dat er een onder­scheid zou zijn tussen het ontvangen van de Heilige Geest en de doop in de Heilige Geest. Men zegt dan dat de mens de Heilige Geest bij zijn wedergeboorte ont­vangt, maar dat bij de doop in de Heilige Geest een geestelijke kracht over hem komt, die van buiten af op hem werkt. Dopen, beweert men dan, heeft alleen be­trekking op de buitenkant. Bij de doop in water wordt men immers ook alleen aan de buitenkant nat, terwijl men neus en oren sluit, opdat het water niet zal binnen­dringen. In Johannes 7:38 en 39 wordt evenwel gezegd: 'Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwa­men, ontvangen zouden'. Men redeneert dan: 'Deze stroom die van binnen uit de mens komt, kan nooit veroorzaakt worden door de doop in de Heilige Geest, want deze ziet op een bekleed worden aan de buiten­kant. Dit ontvangen van de Geest moet dus geschied zijn bij de wedergeboorte'.

Op deze wijze tracht een verwaterd pinksteren de ker­kelijke wereld in het gevlij te komen en spaart het de kool en de geit. Wij wijzen deze dwaling met beslistheid van de hand, want zij vindt geen grond in de Schrift. Wanneer iemand de Heilige Geest in zich heeft als een sproeiende fontein, wat heeft deze uitwendige bekleding dan nog voor zin?

 

Wij zagen reeds dat de doop in de Heilige Geest niet de uitwendige mens geldt, maar de inwendige. Wie in de Heilige Geest gedoopt wordt, is in de geestelijke wereld bekleed met kracht uit de hoge. Hierdoor wordt de mens van binnen uit vernieuwd en deze kracht wordt door hem ook gebruikt om anderen tot zegen te zijn.

De geestelijke begaafdheden die de Heilige Geest mee­deelt, zijn tot opbouw van de gemeente. Men kan er zijn broeder en zijn zuster in de Heer, mee dienen en verkwikken. Daarom wordt deze doop in de Heilige Geest vergeleken met een bronwel of fontein, waaruit voortdurend stromen van water vloeien. Om een ander beeld te gebruiken: 'De bladeren van het geboomte des levens zijn tot genezing der volken' (Openb. 22:2). Zo­als er onder het bladerdak van een boom beschutting en verkwikking zijn tegen de brandende en verzengende zonnestralen, zo is er heil en herstel voor allen die tegen de beïnvloeding en beschadiging van de boze beschut worden door een gemeente, waarin de geestelijke gaven krachtig werken.

Petrus sprak tot de verlamde aan de Schone Poort te Jeruzalem: 'Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb (in de onzienlijke wereld) geef ik u'. Van deze geestelijke kracht konden de apostelen zeggen, dat het niet 'hun eigen kracht' was (Hand. 3:6 en 12).

In Handeling 8:1-18 lezen wij dat Filippus aan de Sa­maritanen 'de Christus predikte'. Zowel mannen als vrouwen schonken geloof aan deze prediker, die het evangelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus verkondigde. Daarna lieten zij zich do­pen. Hadden deze mensen, die aan alle voorwaarden van de waterdoop voldeden, nu de Heilige Geest ontvangen? Neen, want enige tijd later baden Petrus en Johannes voor hen, ‘dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen'. Zij hadden dus als christenen weken en weken lang geleefd zonder de Heilige Geest. Dit was dus mogelijk, hoewel de Heilige Geest op Pinksteren uitgestort was. Maar evenmin als een onbekeerde automatisch de vergeving der zonden ontvangt, doordat Jezus de schuld der we­reld verzoende, zomin ontvangt een wedergeboren mens vanzelf de Heilige Geest. Hij zal erom moeten bidden en dan moeten geloven dat hij Hem ontvangen heeft. De apostelen zeiden niet tot de Samaritanen: 'De Hei­lige Geest is uitgestort en jullie hebben deze bij de we­dergeboorte gekregen. Jullie, of ook wij, behoeven daar niet meer om te bidden, want dan beledig je God', maar 'daar aangekomen, baden zij voor hen, dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen, want deze was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen ge­doopt in de naam van de Here Jezus. Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest'. Deze Samaritanen functioneerden dus niet in het nieuwe ver­bond, hoewel zij in Jezus geloofden en ook op bijbelse wijze in water gedoopt waren. Omdat zij niet in de Hei­lige Geest gedoopt waren, behoorden zij niet tot het li­chaam van Christus. Hun geest was immers nog niet verbonden met de Geest die van Christus uitgaat. Aan de Corinthiërs, die wel in de Heilige Geest gedoopt wa­ren, schreef de apostel evenwel: 'Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, het­zij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt' (1 Cor. 12:13). Wie de Geest niet ontvangen heeft, is niet één geest met de Heer, be­hoort dus niet tot de vrouw des Lams (vergelijk 1 Col. 6:17). Paulus schreef in Romeinen 8:9: 'Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die be­hoort Hem niet toe'.

 

Apollos was een man Gods. Hij was ervaren in de Schrif­ten en in de weg des Heren onderwezen. Hij leerde nauwkeurig al wat Jezus betrof, maar toch kende hij al­leen de doop van Johannes en dus niet de doop in de Heilige Geest. Evenals vele evangelisten in onze tijd bracht hij een boodschap van bekering en vergeving van zonden. Priscilla en Aquila moesten hem echter de weg Gods nauwkeuriger uitleggen (Hand. 18:24-28). Hier­uit blijkt dat hij een zeer belangrijk onderdeel van het heilsplan niet kende. De twaalf discipelen in Efeze, die ook de doop van Johannes hadden ondergaan en in Jezus geloofden als lam van God dat hun zonden weggenomen had, waren van dezelfde geestelijke statuur als Apollos, want zij hadden zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest was. Niemand had dus met hen ge­sproken over het ontvangen van de Heilige Geest. Pau­lus legde deze mannen de handen op en toen kwam de Heilige Geest over hen (Hand. 19:1-7).

 

Op het niveau van deze discipelen in Efeze en van de Samaritanen na hun waterdoop leven ook nu nog vele gelovigen; we zouden hen oudtestamentische christenen willen noemen. Zij zijn misschien 'doorkneed in de Schriften', maar blind voor de pinksterdoop en voor het eerste teken van het nieuwe verbond, het spreken in tongen. Hoewel hun bijbel op vele plaatsen Jezus de Do­per in de Heilige Geest noemt, gebruiken zij deze uit­drukking nimmer. Zij loochenen deze concrete ervaring. Zij hebben nimmer het ogenblik gekend dat zij konden zeggen: 'Ik herinnerde mij het woord des Heren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden' (Hand. 10:16). Op de vraag: 'Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, toen gij tot het geloof kwaamt?', kunnen zij alleen theore­tisch antwoord geven, daar zij zich nimmer uitgestrekt hebben om enige begaafdheid van die Geest in hen werkzaam te doen zijn, hoewel toch ook voor hen geldt: ‘Streeft dan naar de Geestesgaven' (1 Cor. 14:1).

Tenslotte nog een opmerking. In Mattheüs 3:11 staat: 'Ik doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die zal u dopen met de Heilige Geest'. De kanttekenaren van de Statenvertaling merken bij het voorzetsel 'met' op: 'In het Grieks staat er 'in'. Waarom zij dan geen 'in' vertaalden, laat zich wel ver­staan. In hun strijd tegen de dopers vonden zij het voor­zetsel 'in' niet goed bruikbaar. Omdat het hetzelfde voorzetsel betreft, kunnen wij dus spreken over de doop 'in' water maar ook over de doop 'in' de Heilige Geest.

 

 

KvO 36e jaargang nummer 14, 22 september 1972                                                   (5)     

 

Wat is spreken in tongen?

 

Een van de heerlijkste gaven die God aan de menselijke geest geschonken heeft, is het vermogen om met andere menselijke geesten en zelfs met God te communiceren en te converseren, dit wil zeggen gemeenschap te hebben en gedachten uit te wisselen.

Onze geest creëert gedachten en kan deze doorgeven door middel van de taal. De gedachten worden door het verstand via de hersenen tot woorden en zinnen ge­maakt en dan in de natuurlijke wereld gebracht, waar ze kunnen worden opgetekend of op een band vastge­legd. De mens gebruikt daarbij klanken die op zichzelf geen betekenis hebben, maar die systematisch geordend de gedachten vertolken. Zoals de regels bij het schaken een oneindig aantal mogelijkheden bieden aan het spel der deelnemers, zo zijn deze klanken een soort code om in telkens nieuwe combinaties over nieuwe onderwerpen bij andere mensen voorstellingen op te roepen.

Het taalgebruik is dus een functie van de hogere geesten­wereld, evenals bijvoorbeeld het geloof. Daarom kunnen ook engelen met elkander spreken, maar dieren en planten niet. Dieren kunnen slechts klanken voortbrengen om aan hun gevoelsleven uitdrukking te geven. Dit komt bij de mens ook voor, bijvoorbeeld wanneer hij schrikt, pijn heeft of blij is.

De engelen die alleen tot de onzienlijke wereld behoren, kunnen zich natuurlijk niet hoorbaar uitdrukken, maar zij brengen hun gedachten rechtstreeks over. Wij laten hier de mogelijkheid buiten beschouwing dat zij zich zichtbaar manifesteren, zoals bijvoorbeeld bij Abraham, Gideon, Manoah of op de velden van Efratha. Zo kunnen leugengeesten of dwaalgeesten de mens beïnvloeden. Wie hier geen inzicht in heeft, meent, dat deze gedach­ten door hem zelf zijn voortgebracht, maar Johannes schreef waarschuwend: 'Beproeft de geesten, of zij uit God zijn' (1 Joh. 4:1). Ook de Heilige Geest wil onze menselijke geest en daarmee ons gedachteleven inspi­reren, zodat wij in staat zijn de woorden Gods uit te spreken (1 Petr. 4:11).

Er staat: 'Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken' (Hand. 2:4). Bij de doop in de Heilige Geest wordt in geloof en vertrouwen de menselijke geest met de goddelijke Geest verbonden. Deze neemt bij de mens zijn intrek Onze geest is niet door en door verdorven, maar gereinigd zijnde, is hij een waardige partner van de Heilige Geest, zoals er staat: 'Die Geest getuigt met onze geest' (Rom. 8:16), Vanaf dat ogenblik zal de christen zich moeten leren bewegen in de geestelijke wereld van het Koninkrijk der hemelen. Er gaat een nieuwe wereld voor hem open en dit vereist dat zijn geestelijk oor en zijn geestelijk oog beginnen te functioneren en zich verder ontwikkelen. De natuurlijke mens moet een geestelijk mens worden.

 

Nu leert de natuur dat de ontwikkeling van de menselijke geest begint bij het gebruik van de taal. De baby neemt de woorden van zijn moeder over en reproduceert deze al pratende, hoewel hij van de inhoud niets begrijpt. Op gelijksoortige wijze vangt de ontplooiing van het geestelijke kind van God aan, doordat het in de onzienlijke wereld het spreken van God in een vreemde taal hoort en reproduceert. Na de ontplooiing van de na­tuurlijke mens behoort die van de geestelijke mens te volgen, want 'het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke en daarna het geestelijke' (1 Cor. 15:46), De gelovige neemt dus de klanken en woorden in gehoorzaamheid over, en door ze uit te spreken, brengt de menselijke geest ze in de natuurlijke wereld, hoewel hijzelf niets verstaat van de zin, van de inhoud en van de bedoeling ervan, 'want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij verborgenheden' (1 Cor. 14:2).

Doordat tussen de onontwikkelde geest van het kleine kind en zijn moeder een verbinding gelegd wordt. kan de laatste bouwen aan de geestelijke ontwikkeling van haar kleine. Indien zij niet het kind praat, kan zij de ontplooiing van zijn geestje niet stimuleren. De peuter begrijpt in aanvang niets van wat zijn moeder vertelt, maar deze tracht toch contact met haar kind te krijgen. Hoe heerlijk is het dan voor haar, wanneer zij bij de kleine de eerste spontane reacties waarneemt. Zij be­merkt dan dat haar kind zich op haar afgestemd heeft, haar hoort en haar gaat napraten. Hierdoor bouwt de

                   kleine zichzelf op!

 

Wanneer de Geest van God in zijn tempel komt, wil Hij ook voortdurend in gemeenschap zijn met de menselijke geest. Hij wil met hem spreken en hem beïnvloeden. Hij wil ook de menselijke geest leren luisteren. Om deze bedoeling en het wezen van het spreken in tongen duidelijk te maken, leerde Paulus: 'In de wet staat ge­schreven: Door lieden van een andere taal en door lip­pen van vreemden zal Ik tot dit volk spreken, en toch zullen zij naar Mij niet luisteren, zegt de Here' (1 Cor. 14:21). Door de invasie van de Assyriërs die met een barbaarse tongval spraken, wilde God eenmaal iets tot zijn volk zeggen, maar het weigerde te luisteren en het reageerde niet naar Gods wil (Jes. 28:11 en 12). Zo spreekt de Heilige Geest in de onzienlijke wereld van het hart, tot de geest van de mens. De gelovige die dit 'hoort', spreekt deze klanken en woorden in gehoor­zaamheid na.

Het spreken in tongen is de eerste reactie van de met de Heilige Geest gedoopte christen. Deze zegt dan 'ge­heimenissen' vanuit dit contact. Geen wonder dat dit spreken in tongen een opbouwende begaafdheid is voor het persoonlijke, geestelijke leven, want ‘wie in een tong spreekt, sticht zichzelf' (1 Cor. 14:4).

Het kind dat zijn moeder napraat, leert luisteren, horen en weergeven. Het ontwikkelt zich op deze wijze. Het leert zijn moeder naspreken in de beslotenheid van eigen huis en het herkent haar stem. De Heilige Geest woont in ons 'huis' en er is zelfs sprake van zijn tempel; daarom spreken wij Hem ook na.

Soms zijn ouders tweetalig en dan leert het kind twee talen spreken. De Heilige Geest heeft kennis van alle dingen en kent alle talen, zowel van de mensen als van de engelen. Daarom is het mogelijk dat de christen de 'ton­gen der mensen en der engelen' van de Heilige Geest als het ware opvangt en overneemt. Paulus schrijft over de gave van 'allerlei tongen' (1 Cor. 12:10). Vóór dit spre­ken in tongen moet het kind van God leren zich op de Heer te oriënteren, naar Hem te luisteren en te reageren door Zijn woorden weer te geven.

Wanneer een kind naar zijn moeder luistert en haar na­spreekt, leert het ook het klimaat te onderscheiden dat van zijn moeder uitgaat. De liefdevolle sfeer maakt de kleine blij. Op deze wijze leert het kind van God, in tongen sprekende, het klimaat van de Heilige Geest kennen en zich daarin verblijden. Paulus schreef niet voor niets: 'Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek' (1 Cor.14:18). Ook hier geldt bij het luisteren naar de stem van de Heilige Geest: 'Wie een oor heeft, die hore'. Wij merken op, dat degene die zich in tongen gaat ui­ten, geen broeder of zuster mag naspreken, maar zich in geloof moet richten op de Geest die woning in hem ge­maakt heeft. Wanneer de menselijke geest zich op deze wijze aan de Heilige Geest hecht en met Hem verbonden is, zal hij zich ook koesteren in het klimaat van het Ko­ninkrijk Gods en daardoor vertroost en opgebouwd wor­den. Het spreken in tongen voert ons in de gemeenschap en in de nabijheid van God.

Zoals een kind rustig speelt en intussen zijn moeder na­babbelt, zo kan de gelovige steeds in tongen spreken, ook al moet hij zijn natuurlijke bezigheden verrichten. Men kan al sprekende in tongen de auto besturen, de vaat wassen, de kamer stoffen, de akker ploegen en de koeien melken, maar men kan niet in tongen spreken en tege­lijkertijd geestelijk werk doen, zoals onderwijs geven of creatieve arbeid verrichten.

Men heeft vaak beweerd dat het spreken in tongen bij de kinderleeftijd van de kerk behoorde. Men schrijft daar­om: 'Nu de kerk volwassen geworden is, hebben wij dit spreken in tongen niet meer nodig'. Onder deze vol­wassenheid verstaat men dan de ouderdom der kerk van bijna twintig eeuwen en haar uitbreiding over haast alle landen der wereld. Het christendom is een groot lichaam geworden, maar dit wil niet zeggen dat al haar leden nu ook geestelijk volwassen zouden zijn. Al is de akker groot, dan zal toch iedere aar afzonderlijk tot rijpheid moeten komen. In de natuurlijke wereld kan ook een debiel een volwassen lichaam hebben, terwijl zijn geest is achtergebleven. Het is evenwel noodzakelijk dat ieder lid de geestelijke volwassenheid bereikt en zich ontplooit tot een man Gods, die tot alle goed werk volkomen toegerust is (2 Tim. 3:17). Tot deze gees­telijke opbouw heeft ieder het spreken in tongen nodig ten einde niet te verachteren in de genade, 'want wie in een tong spreekt, sticht zichzelf!' Hij keert door het gebruik van dit charisma telkens weer terug tot God in de onzienlijke wereld. Daarom kon de apostel in verband met deze opbouwende werking, schrijven: 'Ik wens u allen toe dat gij in talen moogt spreken' (1Cor. 14:5 vert. Canisius).

 

 

KvO 36e jaargang nummer 15, 13 oktober 1972                                                     (6)

 

De betekenis van het spreken in tongen

 

Het spreken in tongen is de begaafdheid van de mens om hetgeen zijn geest in de onzienlijke wereld ver­neemt, hoorbaar in de natuurlijke wereld te brengen. Dit is dus geheel iets anders dan het vermogen van de inwendige mens om zelf in de geestelijke wereld ge­dachten te produceren en deze door middel van de taal door te geven, dus het gewone spreken. Er staat: 'En begonnen met andere tongen te spreken, zoals Géést het hun gaf uit te spreken' (Hand. 2:4). Bij het spre­ken in tongen richt de christen zich op God en zijn Geest begint te luisteren naar wat de Heilige Geest tot hem spreekt. Ook hier geldt: 'Wie een (geestelijk) oor heeft, die hore wat de Geest zegt'. Door dit luisteren en spreken komt de christen in het klimaat van het Ko­ninkrijk Gods, dat resulteert in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap' (Rom. 14:17). Deze bediening van de Geest is vanwege deze sfeer immers overvloedig in heer­lijkheid (2 Cor. 3:8 en 9).

 

Er zijn ontzaglijk veel dingen die de mens van God af­trekken, maar door de begaafdheid van de glossolalie bezit hij een middel, dat bewust in werking gesteld kan worden om de natuurlijke wereld enige tijd los te laten ten einde zichzelf op te bouwen in de geestelijke wereld, want 'wie in een tong spreekt, sticht zichzelf’ (1 Cor. 14:4). Dit betekent dus een innerlijke of geestelijke versterking, een bekrachtiging van de inwendige mens, zoals er staat: 'Opdat Hij u geve, naar de rijkdom zij­ner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens' (Ef. 3:16). Op deze wijze heeft de Heilige Geest gemeenschap met de mens en kan Hij langs deze weg in hem werken, zijn gaven aan hem meedelen, omdat de gelovige zich aan zijn lei­ding toevertrouwt. Zo is de christen op weg zich te ont­plooien tot de mens Gods die tot alle goed werk volkomen is toegerust. Deze samenwerking van de menselijke geest met de goddelijke Geest gaat van de mens uit.

Ten einde in tongen te spreken, nadert hij tot God en Deze nadert tot hem (Jac. 4:8). Ook dan geldt: 'Wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een be­loner is voor wie Hem ernstig zoeken' (Hebr. 11:6).

 

Wanneer de apostel Paulus de gemeente te Corinthe vermaant de liefde na te jagen en te streven naar de begaafdheden van de Heilige Geest, is dit woord voor al­le gemeenten van Jezus Christus en voor alle tijden be­doeld (1 Cor. 14:1). De brieven van Paulus gaven richtlijnen aan voor de gelovigen in Macedonië en voor de gehele antieke wereld, maar zij doen dit ook voor hervormden, gereformeerden, evangelischen en volle­evangeliechristenen in onze tijd. De apostel brengt het bezit der geestelijke gaven in verband met het uitzien naar de openbaring van de zonen Gods, want hij schrijft: 'Zodat gij ten aanzien van geen enkele genade­gave te kort komt, terwijl gij uitziet naar de openba­ring van onze Here Jezus Christus' (1 Cor. 1:7). Want de Heer zal met verbazing aanschouwd worden in allen die geloven (2 Thess. 2:10). Zonder de uitingen des Geestes wordt de weg der heiligmaking geblokkeerd. Paulus schrijft dat het spreken in tongen de geestelijke opbouw van de christenen bevordert. Daarom kon hij­zelf God voor deze gave danken (1 Cor. 14:18).

 

De vrucht des Geestes en de gaven des Geestes zijn in de bijbel onafscheidelijk verbonden. De begaafdheden van de Heilige Geest dienen tot ontwikkeling van de gelovige en van de gehele gemeente. Wanneer deze gaven door de liefde werken, vormen zij de 'weg, die nog veel verder omhoog voert', dit wil zeggen de christen verder brengt in het Koninkrijk Gods (1 Çor. 12:31). Daarom dankte de apostel dat hij meer dan allen in nieuwe tongen sprak. Hij kende uit eigen leven het nut der geestelijke begaafd-heden in het bijzonder de be­tekenis van het spreken in tongen als begin van zijn geestelijke groei.

 

Wie de woorden van Paulus serieus neemt, zal dan ook ongetwijfeld het advies opvolgen om naar de geestelijke gaven te ijveren. Wie gedoopt is met de Heilige Geest, heeft de drager van alle gaven in zich. Hij behoeft niet op te klimmen naar de hemel, maar hij moet de Geest slechts gelegenheid geven door hem heen te werken.

Gods Woord is niet vaag of nevelachtig, wanneer het spreekt over het verwerven van geestelijke zegeningen en over het ontvangen van kracht in de hemelse gewes­ten. Maar men zal de wetten van het Koninkrijk der hemelen in acht moeten nemen, de weg des geloofs moeten gaan en zich willen toevertrouwen aan de leiding van de Heilige Geest. Daarom is de glossolalie de basis­gave van de geestelijke mens. Deze kan zeggen: 'Ik heb geloofd, daarom heb ik in tongen gesproken'.

De glossolalie is het eerste zogenaamde charisma om zich in de hemelse gewesten te bewegen. Ieder kind van God moet daarom dit Pinksteren beleven, want voor al­le gelovigen geldt: 'In nieuwe tongen zullen zij spreken'. Dit spreken is niet zinloos, maar heeft een bedoeling. Wij willen enkele punten noemen om aan te tonen. hoe belangrijk de glossolalie is:

 

Men verheerlijkt God. In Handelingen 2:11 wordt aan­gaande het spreken in tongen met betrekking tot de dis­cipelen opgemerkt: 'Wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken'. In Handelingen 4:46 staat: 'Zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken'. Hoe is dit mogelijk? Omdat de christen door deze begaafdheid zich los kan maken van de zuig­kracht van het natuurlijke leven; zó kan hij zijn hart of de inwendige mens tot God verheffen. Hij bouwt zich­zelf op in deze gemeenschap en erkent God als zijn God, dat wil zeggen als zijn Inspirator en Voorwerp van ver­ering. Dan komt het klimaat van het Koninkrijk Gods over hem; dit verschaft hem de vreugde om God te lo­ven en te prijzen voor alles wat Hij voor de mens ge­daan heeft en nog doet. In 'tongentaal' kan de geest nu zeggen: 'Ik laat een loflied horen en vertel uw wonde­ren' (Ps. 26:7). Dan wordt waarheid: 'De tong der stamelaars zal in staat zijn tot duidelijk spreken' (Jes. 32:4).

De christen mag dus in de geestelijke wereld voor de troon van God zijn getuigenis uitspreken en 'wie lof offert. eert Mij en baant de weg dat Ik hem Gods heil doe zien' (Ps. 50:23). Hier geldt: 'Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond' (Jer. 1:9). De tongenspreker kan zeggen: 'Ik wil de Here te allen tijde prijzen, be­stendig zij zijn lof in mijn mond' (Ps. 34:2).

'Wie talen spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God, want niemand verstaat het, maar in geestverruk­king spreekt hij geheimzinnige woorden uit' (1 Cor. 14:2 vert. Canisius). Wanneer een zuigeling met onverstaan­bare, zelf geproduceerde, onverstaanbare klanken God kan loven, omdat hij in de natuurlijke wereld aan het doel van zijn Schepper beantwoordt (Ps. 8:3), dan mag het kind van God door vreemde talen zijn Herschepper grootmaken, omdat het rijk Gods in hem existeert.

 

Men baant de weg tot profetie. Profeteren is het door­geven van de gedachten Gods in de eigen taal van de hoorders hoewel het niet zeker is dat dezen de inhoud van de profetie direct goed begrijpen. Vaak geldt in dit geval: gij zult het na dezen verstaan. Het is dan zaak de geprofeteerde woorden in het hart te bewaren, ten einde er later winst mee te doen. Ook degene die de profetie uitspreekt, begrijpt niet altijd direct de dingen waarover hij het heeft. Evenals bij het spreken in ton­gen is zijn verstand op dat ogenblik vruchteloos. Later zal hij kunnen naspeuren op wie en voor welke tijd de Geest van Christus in hem doelde (1 Petr. 1:10). Zulk een profetie wordt dikwijls voorafgegaan door het spre­ken in tongen en kan beginnen met de woorden: 'Zo spreekt de Heer'.

Door middel van de glossolalie stelt de profeet zich vol­komen af op de Heilige Geest, die Zich door Hem wil openbaren en aan de hoorders, een vermaning, een ver­troosting of een bemoediging wil geven. De profetie is dus, in tegenstelling met de glossolalie, opbouwend voor de gemeente. opdat de luisteraars Gods gedachten kun­nen vernemen.

 

Opmerkelijk is dat het spreken in tongen van de disci­pelen op de Pinksterdag voor de Parthen, Meden, Ela­mieten. enzovoort overkwam als profetie, want dezen hoorden hen in hun eigen taal de grote werken Gods verkondigen. Bij de profetie waarover wij hier spreken. geldt - evenals bij het spreken in tongen - dat de menselijke geest wel bezig is om de gedachten van God over te nemen, maar dat het verstand niet werkzaam is.

Het spreken in tongen vóór de profetie is een introduc­tie; want hierdoor wordt de geest in bijzondere mate op God gericht en begint de profeet te luisteren. De weg tot profeteren wordt dus geëffend, want de geest raakt los van zijn omgeving en van de natuurlijke situatie en gaat zich geheel afstemmen op de Heilige Geest. In deze sfeer is het mogelijk zonder vermenging met eigen gedachten of inspiratie van boze geesten, rechtstreeks de gedachten van God te vertolken, want de schapen kennen de stem van de goede Herder en zij zullen de stem van de vreemde zeker niet volgen.

 

Wij merken in dit verband op, dat wanneer in Handelingen 19:6 gezegd wordt: 'Zij spraken in tongen en profeteerden' bij vele profeten de glossolalie de springplank is tot profeteren. Beide gaven functioneren dus op dezelfde wijze, maar bij de glossolalie wordt alleen de spreker opgebouwd, terwijl de profetie door de ge­hele gemeente wordt verstaan en haar leden sticht. Profeteren is het spreken van de woorden Gods. Dit kan bijvoorbeeld ook geschieden in een toespraak, waarin de Geest tot de gemeente spreekt. Hierbij is evenwel het verstand niet onvruchtbaar. God sprak dan door zijn Woord en door zijn Geest tot de voorganger en deze ver­werkte de goddelijke gedachten met zijn verstand, be­greep ze en bracht ze al sprekende over aan zijn hoor­ders. De spreker zelf is volledig bij het gesprokene ge­ïntegreerd. Voor hem in het bijzonder geldt dan: 'Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God' (1 Petr. 4:11). Zulk een 'profetie' kan in de binnenka­mer wel voorafgegaan zijn door tongentaal. maar in het openbaar wordt zij niet aldus geuit.

 

 

KvO 37e jaargang nummer 16, 3 november 1973                                                    (7)

 

De betekenis van het spreken in tongen

 

Men kan onder verdrukkingen tot de Heer roepen. Als men in moeilijkheden verkeert. of wanneer men de noden van anderen voor de Heer brengt, kan men in verstaanbare woorden zijn gedachten en gevoelens uit­drukken, maar men kan dit ook al tongen sprekende doen.

In Romeinen 8 :26 en 27 schrijft Paulus: 'En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit'.

Uiteraard spreekt de Geest altijd in 'woordeloze' taal tot ons. In zijn zuchten verlangt Hij evenals wijzelf. naar de volledige openbaring van het zoonschap Gods in ons, hetgeen de boze tegenwerkt. Daarom 'komt Hij onze zwakheid te hulp', dat is: Hij neemt deel aan onze zwakheid. of Hij tilt ons op in onze zwakheid; in onze zwakheid openbaart zich immers eerst ten volle zijn kracht (2 Cor. 12:9). De Geest zucht, omdat Hij in een aarden vat woont, in een sterfelijk lichaam. Hij woont liever in een onverderfelijk en onaantastbaar opstandingslichaam dan in een vergankelijk vlees, dat zwak en verleidbaar is, dat aangevallen wordt en onder pressie van de demonen staat.

 

Bidden is bezig zijn in de onzienlijke wereld en de Geest bidt daar voor ons. opdat wij stand zullen hou­den en het doel van God, de volkomenheid, zullen be­reiken. Door in tongen te spreken is het mogelijk deze onhoorbare verzuchtingen van Gods Geest over te nemen met onze geest, en door middel van de glos­solalie in de natuurlijke wereld openbaar te maken, hoorbaar maar niet verstaanbaar.

Een mens zucht ten einde ruimte te verkrijgen, omdat er pressie op hem uitgeoefend wordt. Deze druk wil hij afwentelen en bovendien in dit verband aan de hoop op de volkomenheid een grotere plaats geven. De Geest ondersteunt onze geest in deze strijd. ten einde de pressie van de machten te weerstaan. God ziet wat zich innerlijk in ons afspeelt en Hij kent het verlangen van de Geest als pleitbezorger en trooster, want het is zijn eigen begeerte. Het kind van God zucht immers naar het zoonschap en de Geest zucht mee, omdat dit naar de wil van God is. De Geest pleit, geeft dus bij­stand. omdat de mens in nood verkeert en het de wil van God is hem te helpen en uit te redden. De Geest kent immers 'het gemaakt bestek' van God voor de mens en Hij kent óók de diepste gedachten van God. In onze benauwdheden bidt Hij mee, opdat wij door zijn ondersteuning het doel zullen bereiken. In deze worsteling tegen de boze geesten gebruikt de Heilige Geest de taal als een wapen van Godswege en voor zijn aangezicht. Neemt de mens haar als tongentaal over, dan geldt wel in het bijzonder: 'Wie in tongen spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimenissen' (1 Cor. 14:2).

 

In Efeziërs 6:18 vermaant de apostel in verband met de strijd in de hemelse gewesten: 'En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid In de geest, daartoe wakende met alle volharding en smekingen voor alle heiligen'. Men moet zich als christen nimmer laten verleiden om op het natuurlijke terrein de strijd voort te zetten, hetzij door lichaamskracht, hetzij door redeneringen of door gevoelsargumenten. Wanneer men werkelijk de goede strijd des geloofs strijdt, moet men het natuurlijke leven buiten de worsteling houden en zijn vrede en blijdschap onder geen beding laten roven. Tijdens dit aanhoudend bidden moet in de inwendige mens de smeekbede zijn: 'Ver­schaf mij recht tegenover mijn tegenpartij, Here. toon wie Gij zijt en dat uw woord met zijn beloften de waarheid is, waarvoor de vijand wijken moet'. Voortdurend en onafgebroken moet men dus in de geestelijke wereld zijn verwachting op God en zijn woord gericht houden. De mogelijkheid bestaat immers dat men de geestelijke strijd opgeeft en staakt, en agressief in het vlees verder gaat met het zoeken van de oplossing, of depressief en nalatig geworden, door matheid van ziel verslapt.

 

Wij merken op, dat de strijd in de geest door de on­dersteuning van de Heilige Geest niet vermoeit, omdat de ziel in rust en in vrede blijft. Een gelovige strijdt dan in de onzienlijke wereld met gezag en zekerheid. Om deze kamp te kunnen winnen, moet men wakker zijn en de ogen en de oren open hebben in de geestelijke wereld, ten einde het contact met God vast te houden en een juiste visie op de vijand te hebben. Op deze wijze waken en strijden wij niet alleen voor ons zelf, maar voor alle heiligen...en voor het gehele huis­gezin Gods.

 

Bij dit bidden of bezig zijn in de geestelijke wereld is het spreken in tongen een aparte genadegave. Onze noden en zorgen vertrouwen wij aan God toe en dan bidt de Heilige Geest voor ons en door ons op de juiste wijze. Wij mogen deze goddelijke gebeden immers op­vangen en door middel van de glossolalie hoorbaar weergeven. Zonder deze gave gaat het bidden van de in­wonende Heilige Geest buiten ons om en wijzelf heb­ben daar geen deel aan. Wanneer wij naar de woorden luisteren die wij door middel van de tongentaal uiten, hebben wij de absolute zekerheid dat wij bidden naar de wil van God. Op deze wijze kunnen wij ook voor anderen op de bres staan: voor onze kinderen. onze zendelingen, onze zieken en onze gemeenteleden.

 

Enkele jaren geleden baden wij eens voor een Indonesische vrouw die in nood was. Opmerkelijk was het voor ons dat, toen wij vóór de bediening in tongen spraken, wij overgingen in een waarschijnlijk oosterse taal, die wij voorheen nooit tijdens het spreken in tongen gebruikten. Blijkbaar had de Heilige Geest in de onzienlijke wereld reeds de strijd aangebonden tegen de machten uit haar vaderland die deze vrouw gevangen hielden. De apostel sprak over 'de tongen der mensen en der engelen' (1 Cor. 13:1). In deze verscheiden­heid van talen ligt een rijkdom van genade.

 

Neen, de glossolalie is niet voor de kinderkamer, en de apostel die van zichzelf sprak: 'Nu ik een man ge­worden ben, heb ik afgelegd wat kinderlijk was' (1 Cor. 13:12), getuigde ook: 'Gode zij dank, meer dan gij allen spreek ik in geestestalen' (1 Cor. 14:19 vert. Brouwer). Ook noemt Paulus het spreken in 'allerlei tongen' een apart charisma (1 Cor. 12:10).

 

Men kan onder het spreken in tongen duivelen weerstaan of uitdrijven. Jezus sprak aangaande de gelovigen: ‘In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken' (Marc. 16:17). De bijbel leert, dat geen enkele wetteloosheid van God komt. Van Hem zijn alleen goede gaven (Jac. 1:17). In Jesaja 54:15 getuigt God van Zichzelf: 'Valt men heftig aan, dan gaat dat van Mij niet uit!' Alle ziekte, verslaving, afwijking, gebondenheid, gedeprimeerdheid, leugen en angst, komen voort uit de activiteiten van de boze geesten. Ook hier geldt de waarheid uit Hebreeën 11:3, dat de dingen die men ziet, niet ontstaan zijn uit het waarneembare, maar dat zij uit de onzienlijke wereld tot ons komen.

Wie aangevallen wordt door boze geesten, onder pressie komt van doodsmachten, overmeesterd wordt door angst, of wie de zonde moet doen hoewel hij dit niet wil, moet zich allereerst van de gedachte bevrijden dat deze wetteloosheden in zijn eigen geest, ziel of lichaam ontstaan zouden zijn. Hij zal te allen tijde de boze verwekker de schuld moeten geven, ook al is hij medeverantwoordelijk, doordat hij evenals Kaïn de deur voor de vijand opende. Wie deze geestelijke realiteit inziet zal de strijd tegen de vijand van God en van de mens aanbinden. Daarom moet men voor zulk een worsteling niet aan de aarde gekluisterd zijn, maar men zal zijn geest moeten verheffen naar het terrein van de strijd, namelijk naar de hemelse gewesten. Daar zijn ook de helpers: de Vader in de hemel die groot van barmhar­tigheid is, Jezus Christus die gezeten is op de troon, van de Vader en daar voor ons pleit, de Heilige Geest die van de Vader en van de Zoon uitgezonden wordt om ons te versterken en te troosten, en ten slotte de heilige engelen die uitgezonden worden ten dienste van degenen die de zaligheid zullen beërven.

 

Door het bidden in tongen verplaatst men zich naar de onzienlijke wereld, spreekt niet meer tot mensen maar richt zijn aandacht op God. Men bouwt zich al spre­kende in tongen, op in zijn geloof (1 Cor. 14:2 en 4). Veronderstel dat u op een lange rit in de auto door onreine demonen aangevallen wordt. Als christen wilt u dit niet, maar uw gedachten cirkelen steeds om dat ene punt. Wilt u hiervan loskomen, dan moet u zich eerst bewust zijn dat u met de geestenwereld te maken heeft, die uw gedachteleven wil infiltreren. Daarna zult u het wapen mogen gebruiken dat God u geschon­ken heeft. U gaat bewust in tongen bidden. U neemt daarbij de gedachten van de Heilige Geest over en dan zult u bemerken dat de boze nu op moet houden langer uw aandacht in beslag te nemen. Doordat men zich bewust op de inspiratie van de Heilige Geest afstemt, worden de ingevingen van de onreine geest afgesneden. Niemand toch kan tegelijkertijd twee heren dienen. Wij willen immers onze leden, maar ook ons gedachte­leven, Gode ten dienste stellen tot heiliging. Door mid­del van dit charisma kunt u de boze weerstaan en ver­drijven met woorden van kracht en gezag.

 

Wij schreven al dat wanneer wij geroepen worden om anderen in de geestelijke strijd terzijde te staan, gebruik kan worden gemaakt van de tongentaal. Door het overnemen van de gezaghebbende gedachten van de Heilige Geest weten wij ons sterk tegenover de boze geesten en het krachtig gebed van de rechtvaardige dat erop volgt, in de eigen taal, zal de machten der duisternis verdrijven, de gebondene vrijmaken en de zieke genezing brengen. Zo staat er van Jezus, dat Hij de geesten uitdreef met zijn woord (Matth. 18:16). Het is dan als op een schoolplein waar een jongen door een grotere op de grond geworpen wordt. Eerst zal hij zich nog verzetten, maar hij is niet sterk genoeg. Dan komt de onderwijzer te hulp en scheidt met het woord van zijn gezag de aanvaller en de aangevallene. Het is voor de jongen op dat ogenblik niet meer nodig zelf te vech­ten, maar hij moet zijn vertrouwen volkomen stellen op de autoriteit die van zijn meester uitgaat. Wanneer iemand voor zich laat bidden en zich de handen laat opleggen, wordt van hem op dat ogenblik alleen geloof gevraagd. Hij behoeft zelf niet in tongen mee te bidden. Dit kan zelfs verwarrend en storend zijn.

In de strijd met de boze geesten geldt ook voor de 'zonen Gods' dat zij met de Heilige Geest en met kracht ge­zalfd zijn en dat zij hen bevrijden zullen, die door de duivel overweldigd zijn (Hand. 10:38). Wanneer na het behalen van de overwinning de Heer in nieuwe ton­gen geprezen wordt, zal de bevrijde daar van harte aan kunnen meedoen.

 

Men kan bidden en zingen in nieuwe tongen. De apostel schrijft in 1 Corinthiërs 14: 15: 'Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand'.

Paulus bad in tongen, dus met zijn geest luisterde hij naar de stem van de Heilige Geest die in hem woonde, en hij begon te bidden in een taal die de Geest hem deed uitspreken. De Heilige Geest die alle dingen door­zoekt en alle dingen kent, was niet alleen op de hoogte van de moeite, de strijd en de zorgen van de apostel, maar ook van diens vreugde en vrede. Wanneer hij aan de gemeenten dacht, kon hij, geleid door de Heilige Geest, door middel van de tongentaal de noden en de zorgen van zijn broeders voor God brengen, maar hij kon ook danken en lofprijzingen uitspreken vanwege de voortgang van het volle evangelie door zijn predi­king. Volgens zijn eigen woorden was het bidden in tongen of het bidden in zijn geest een essentieel deel geworden van zijn gemeenschap met God en dit be­tekende voor hem innerlijke geestelijke opbouw, dus het met kracht versterkt worden naar de inwendige mens. Op deze wijze was het de apostel. als instrument van de Heilige Geest, vergund om het gebed van de Geest voor de troon van God in de natuurlijke wereld te openbaren. Zo kon hij met aandacht luisteren naar de woorden en de zinnen die in hem gevormd werden, zoals een musicus op zijn orgel de klankencombinaties weergeeft, die in zijn eigen menselijke geest geprodu­ceerd worden.

 

Wij kunnen ons voorstellen dat Paulus met zijn met­gezellen op hun lange voetreizen veel in tongen baden. Zo konden zij ook reeds slag leveren in de hemelse ge­westen, voordat zij een heidense stad binnenkwamen. Wij herinneren ons uit eigen ervaring hoe wij eens ge­drongen werden voor een bepaald persoon geruime lijd in nieuwe tongen te worstelen. Wij verlieten deze per­soon en gingen naar huis. De volgende dag ontvingen wij een brief waarin deze persoon verrelde, dat hij ter­nauwernood aan een dodelijk gevaar ontkomen was. Het gebed in tongen kon bij de apostel overgaan in het lofzingen met zijn geest. In Efeziërs 5:19 roept hij de gemeente op dit ook te doen. Hij schrijft daar: 'Wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in psalmen. lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte'. Deze geestelijke liederen zijn geen verzen uit onze zangbundels naast de psalmen en gezangen der kerk, maar geestesliederen gezongen in nieuwe tongen.

 

In vele gemeenten zingt men tegenwoordig op de melo­die van bekende hymnen, in nieuwe tongen, ieder dus in een taal die de Geest geeft uit te spreken. Dit is bijbels verantwoord. Daar ieder zichzelf in de geest sticht, wordt de gehele gemeente opgebouwd, terwijl door muziek en zang ook de zielen verkwikt worden. Wanneer het mogelijk is dat in een gemeente allen in tongen spreken, is het zeer zeker ook geoorloofd dat allen in tongen zingen (1 Cor. 14:23). Hoewel de broeders en zusters de geestes-liederen niet verstaan. worden zij er toch door opgebouwd. Ditzelfde geldt im­mers ook vaak, wanneer men bijvoorbeeld vierstemmig een canon zingt. Voor de meeste leden vraagt dit zowel aandacht en inspanning, dat zij ook niet meer aan de inhoud van hetgeen zij zingen, kunnen denken. Het ver­stand is dan ook ‘vruchteloos'. Toch wordt het zielen­leven door zulk gezang verkwikt.

Vele kinderen Gods zingen in nieuwe tongen wanneer zij alleen zijn. Misschien doen zij dit op melodieën die de Geest erbij geeft, maar wellicht ook op bekende wij­zen. Soms komt het voor dat in de gemeente een lid in nieuwe tongen een solo zingt. Soms geeft ook de Geest een meerstemmig lied dat zuiver klinkt. Het is een manier om de Heer groot te maken, en: wie lof offert, baant de weg dat God hem zijn heil doet zien.

 

Wanneer de apostel betuigt dat hij met zijn geest in tongen God loofde, ligt het voor de hand te denken dat Paulus en Silas in de kerker te Filippi te midder­nacht ook in tongen God verheerlijkten. Juist in deze situatie was het nodig volkomen in de geestelijke wereld te vertoeven, ten einde de duivel te verhinderen hen te deprimeren en te beangstigen. Is het wonder dat er toen wonderen gebeurden en God zijn heil deed zien? ‘Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zon­gen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen. Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los' (Hand. 16:25-27).

 

Ook in de lofprijzing en in het zingen in tongen heeft de nieuwtestamentische gemeente er een dimensie bij gekregen om haar Heer groot te maken. Laten wij deze mogelijkheid benutten en ons houden aan het bijbelse patroon en luisteren naar wat de apostelen zeiden, ten einde niet verstrikt te raken in allerlei negatieve be­naderingen door een theologie die in haar verblindheid en kortzichtigheid bewust deze goddelijke waarheden en zegeningen loochent en verwerpt.

KvO 36e jaargang nummer 17, 24 november 1972                                                  (8)

                                                  

Men kan in tongen een zegen of dankzegging uitspreken.

 

Want anders, indien gij een zegen uitspreekt met uw geest, hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen spreken?' (1 Cor. 14:16).

 

Men is bijvoorbeeld dankbaar voor een redding, gene­zing, uitkomst, of men uit zijn vreugde omdat Gods Geest krachtig in de gemeente werkzaam is. De geest van de mens wil hiertoe een dankzegging of zegen uit­spreken. Zo sprak Zacharias bij de geboorte van zijn zoon: 'Geloofd (of 'gezegend.') zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht' (Luc. 1:68). Bij de intocht van onze Heer te Jeruzalem riep de schare: 'Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren' (Matth. 21:9). Zo zullen wij bijvoorbeeld ook zegenen wie ons vervolgen (Rom. 12:14). Bij het avondmaal zegenen wij 'de beker der dankzegging' (1 Cor. 10:16).

 

Wanneer de Geest in 'woordeloze' taal kan zuchten naar de openbaring van de zonen Gods, kan Hij eveneens op dezelfde wijze danken en zegenen. Door het spreken in tongen is het mogelijk deze dankzeggingen en zegenin­gen over te nemen in hoorbare maar niet verstaanbare talen, in de gemeente te brengen. Ter wille van de an­dere gemeenteleden is het nodig zulk een dankzegging te vertolken, want de tongenspreker wordt er wel door verkwikt en opgebouwd, maar de buitenstaander kan er geen 'amen' op zeggen: 'Want gij spreekt weliswaar een voortreffelijk dankgebed uit, maar de andere wordt er niet door gesticht!' (1 Cor. 14:17 vert. Brouwer). Merk op dat er sprake is van een voortreffelijk dankge­bed, want het is immers overgenomen van de Geest. Wat men door het verstand gecontroleerd en geformuleerd kan uitspreken, is ook mogelijk door de glossolalie. De Heilige Geest wekt bij ons in de innerlijke mens vreemde elementen op. Wanneer bijvoorbeeld de Heilige Geest in ons zucht, wordt ook onze innerlijke mens opgewekt om naar de volkomenheid te verlangen. Wan­neer de Heilige Geest zegent of dankzegt, worden ook onze eigen geest en ziel in de sfeer van de lofprijzing gebracht. Bij het spreken in tongen inspireert immers de Heilige Geest onze geest en wij stemmen ons met onze gehele persoonlijkheid op Hém af.

Het spreken in tongen is geen nieuwe begaafdheid die in de mens gebracht wordt, maar door de doop in de Heili­ge Geest begint dit sluimerende talent te ontwaken en te ontwikkelen, om in dienst gesteld te worden van de Heer. Men kan in verstaanbare taal: bidden, zingen, profeteren, onderwijzen, vermanen of zichzelf opbou­wen, maar men kan dit ook  doen in tongen. Slechts één ding is voor de christen die zijn geloof op God richt, niet mogelijk: hij kan niet in tongen sprekende vloeken of de naam van Jezus ontheiligen: 'Daarom maak ik u bekend, dat niemand, door de Geest Gods sprekende, zegt: Vervloekt is Jezus' (1 Cor. 12:3).

 

Enkele teksten.

 

Het is van belang om in verband met het spreken in tongen enkele teksten te behandelen, waarin deze gees­telijke gave genoemd wordt. Allereerst beginnen wij met Marcus 16:16,17 te citeren:

 

'Wie gelooft en zich laat dopen zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als te­kenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: ... in nieuwe tongen zullen zij spreken'.

 

 Geen vervalsing

 

Vele vertalers en uitleggers hebben moeite met het slot van het evangelie van Marçus. In de kanttekeningen van de nieuwe vertaling, uitgave Kok, lezen wij: 'Dit slot van Marcus de verzen 9-20, is waarschijnlijk niet oor­spronkelijk. Enkele zeer oude en voorname handschriften missen dit gedeelte; andere tekstgetuigen vermelden het ontbreken ervan. Ook zijn er handschriften die een veel korter en ouder slot hebben. Gewoonlijk houdt men het hier gegeven slot van Marcus voor een later toegevoegd resumé uit andere berichten, dat het met Marcus 16:8 niet compleet gedachte evangelieverhaal moet aanvul­len. Het is intussen zeer wel mogelijk dat Marcus 16:8 het oorspronkelijke slot van het evangelie heeft ge­vormd'.

De uitdrukking ‘later toegevoegd resumé' of korte sa­menvatting, ziet dan beslist niet op iets dat in onze tijd zo aangevuld zou zijn, want er is geen gedeelte van de evangeliën dat aan het natuurlijke denken zoveel aanstoot geeft, als juist deze verzen; zij bevatten namelijk de pinksterboodschap in de evangeliën, uitgesproken door Jezus zelf. Hij geeft daar een generaal overzicht van de wijze waarop de levende kerk zich in deze wereld presenteren zou. Geen rooms-katholiek concilie, geen protestants kerkelijke synode, geen jaarvergadering van de baptisten, geen maranathaconferentie, of organisatie van de Jehova's getuigen, zouden ooit deze teksten ingevoegd hebben. Veel liever stellen bijna alle groeperin­gen deze verzen discutabel.

Natuurlijk kunnen wij ons voorstellen dat in sommige handschriften bij het overschrijven enkele letters of woorden per vergissing zijn weggelaten, maar bij de slotverzen van Marcus gaat men van de veronderstelling uit, dat de overschrijver opzettelijk teksten toegevoegd heeft, dus dat hij een falsaris was die bewust de woorden Gods vervalste.

 

In zijn inleiding tot het Nieuwe Testament schrijft dr. J. de Zwaan 'dat het oorspronkelijke slot van de schrijver door slijtage of ongeval bij enkele oude handschriften was weggeraakt'. De inhoud van dit slot vindt men even­wel in de drie andere evangeliën haast gelijkluidend terug!

De twee oudste handschriften waarin het slot van Marcus ontbreekt, zijn de Codex Vaticanus en de Codex Sinaïticus. beide in de vierde eeuw ontstaan.

De Codex Vaticanus mist niet alleen het slot van Mar­cus, maar ook ontbreken Genesis 1: 46, Psalm 105 – 137, Hebreeën 9:14 – 13:25 en verder de brieven aan Timotheüs, Titus, Filémon en de Openbaring van Johannes. Bij het slot van Marcus is er een witte ruimte in dit handschrift.

Wat de Codex Sinaïticus betreft, ook daarin ontbreken dus behalve het slot van Marcus ook verschillende blad­zijden in het Oude Testament. Er is geen enkel hand­schrift of men mist bepaalde bijbelgedeelten. Indien wij vandaag eens een heel oude bijbel vonden die enkele pericopen niet had, zouden wij hieruit toch ook niet con­cluderen dat de ontbrekende teksten niet in het origi­neel te vinden waren. Er zijn ongeveer 4200 handschrif­ten, waarvan er 613 de evangeliën bevatten en daarvan hebben er slechts twee deze verzen in Marcus niet!

Er is bovendien nog wat anders; het slot van Marcus 16 ontbreekt in de twee bovengenoemde oudste Griekse handschriften, maar de Vulgata, de Latijnse vertaling

die de rooms-katholieken gebruiken, heeft bijvoorbeeld deze verzen wel. Er bestaan reeds Latijnse vertalingen van de oorspronkelijke Griekse tekst uit de tweede en derde eeuw. In 382 kreeg Hiëronymus de opdracht deze oude vertalingen te reviseren. Deze kerkvader kende het Griekse Nieuwe Testament van zijn dagen en ook de Vetus Itala uit de tweede eeuw, die ook de slotverzen van Marcus bevat. De Vulgata is dus eerder vertaald uit het Grieks en is dus ouder dan het oudste Griekse manuscript dat bewaard is gebleven. De Vulgata bezit derhalve oudere rechten dan de oudste Griekse hand-schriften. Deze zijn later overgeschreven en het kon ge­makkelijk gebeuren dat daarbij enkele teksten zijn ver­geten.

Verder bestaat er nog een handschrift van de vier evan­geliën in het Syrisch, de zogenaamde Syro-Sinaïtcus. Deze is in het midden van de tweede eeuw ontstaan, dus ongeveer in het jaar 150 n. Chr. Men denke dit zich eens in! Nog geen honderd jaar nadat de evangelisten hun geschriften voltooiden, waren hun evangeliën in Syrisch overgezet; geen zestig jaar nadat het evangelie van Johannes het licht zag, was voor de onontwikkelde christenen die geen Grieks kenden, de overzetting het Syrisch al een feit. In deze oeroude kopie staat Marcus 16:9-20!

Wij concluderen uit deze gegevens, dat de oude christelijke kerk in het slot van Marcus 16 geloofde. In de Syrische vertaling voor het Midden-Oosten, in de Koptische vertalingen in tal van dialecten voor de bewoners van Egypte, waaronder de Sahidische van ongeveer150 n. Chr., in de Latijnse vertalingen voor Italië en het noorden van Afrika, die alle voor de vierde eeuw na Christus geschreven waren, vinden wij dus Marcus 16 in zijn geheel. Dan zijn er nog de Gotische (350 n. Chr.) en de Armenische (vijfde eeuw) die beide deze verzen hebben. Bovendien zijn er ongeveer honderd schrijvers die oudere geschriften hebben nagelaten dan de oudste bijbelse handschriften en zij allen hebben zich in hun werken beroepen op de gewraakte teksten in Marcus 16 als deel van het evangelie. De oude kerkvaders die voor het concilie van Nicéa (525 n. Chr.) leefden, verwijzen zestien maal naar deze verzen.

Zouden zij die deze teksten dubieus stellen, het niet daarom doen, omdat zij met de duidelijke uitspraken van Jezus die erin vervat zijn, geen raad weten?

 

Tekenen die volgen

 

Wanneer de Heer na zijn opstanding aan zijn discipelen onderricht geeft aangaande ‘alles wat het Koninkrijk Gods betreft', is een van de voornaamste punten hierbij  ontegen-zeggelijk: de belofte des Vaders. In Handelingen 1:5 stelt Jezus de waterdoop van Johannes tegenover de geestesdoop van Hemzelf. Het is daarom duidelijk dat woordje 'doop' in Jezus' toespraken voor zijn heen­gaan, een dubbele betekenis moet hebben. Deze am­biguïteit (tweevoudige inhoud) komen wij ook tegen in Hebreeën 6:2, waar het zelfstandige naamwoord ‘doop' het meervoud gebruikt wordt: 'een leer der dopen'. In de uitspraak: ‘Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden' ligt het voor de hand, dat het woord ‘dopen' niet alleen ziet op de doop in water, maar vooral op de doop in de Heilige Geest.

 

Enige tijd geleden verzocht een zuster die zich bij onze gemeente gevoegd had, om gedoopt te worden. De re­den zij opgaf, luidde: zij was als kind van zeven jaar gedoopt in water. In de groepering waar dit gebeurde, leert men dat de Heer spoedig wederkomt en dat deze gebeurtenis iedere nacht (men spreekt daar niet van: iedere dag!) te wachten staat. Velen zullen dan bij de opname van de gemeente achterblijven, omdat zij niet voldaan hebben aan de voorwaarde zich te laten dopen in water. Zulke ongedoopten konden niet 'behouden worden', of opgenomen. De angst van jonge kinderen om achter te moeten blijven bij de komst van Jezus 'op de wolken', drijft hen naar de waterdoop. Onnodig te zeggen dat wij ook dit soort kinderdoop verwerpen. Wij beloofden deze zuster daarom haar zo spoedig moge­lijk op haar geloof, op bijbelse wijze te dopen.

Wij ontkennen niet dat de doop in water zeer belangrijk is als getuigenis van hetgeen bij bekering en wedergeboorte met de gelovige in de onzienlijke wereld ge­schiedde, maar de doop in de Heilige Geest is absoluut noodzakelijk om het einddoel des geloofs, ‘het behoud', te bereiken, namelijk 'de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus' (Ef. 4:13). Deze doop leidt tot het behouden worden, waarvan Petrus sprak in verband met de uitstorting van de Heilige Geest in de gelovigen: 'En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden' en 'Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht' (Hand. 2:21 en 40).

De al wat gegroeide christen gelooft niet alleen dat zijn schuld vergeven is, maar aanvaardt ook dat hij op zijn geloof bewust gedoopt werd met de Geest van God. Alleen dan worden de geestelijke begaafdheden in hem openbaar, die noodzakelijk zijn voor een volkomen be­houdenis. Het geloof in de verzoening van zijn zonden verzekert de mens een plaats als rechtvaardige in het nieuwe Jeruzalem, maar de doop en de inwoning van de Heilige Geest maakt hem geschikt als 'levende steen gebruikt te worden voor de bouw van een geestelijk huis', de tempel Gods in de geestelijke wereld (1 Petr. 2:5).

Er staat niet: 'Wie niet geloofd zal hebben en wie bo­vendien niet gedoopt zal zijn, zal geoordeeld worden', maar alleen: wie geen geloof heeft zal geoordeeld wor­den. Zelfs een aanvankelijk geloof in de schuldvergeving door het bloed van Jezus heeft waarde voor God. De doop in water, maar bovenal de doop in de Heilige Geest, voeren de christen evenwel op de weg omhoog. De ontwikkeling van de geestelijke begaafdheden met de liefde voeren nog 'verder omhoog' in de geestelijke wereld (1 Cor. 12:31).

Wanneer er staat: 'Deze tekenen zullen de gelovigen volgen', worden met 'gelovigen' uitdrukkelijk bedoeld degenen die naast het geloof in hun rechtvaardigmaking, ook geloven in de doop met de Heilige Geest. Zonder deze doop, dus uit kracht van de eigen innerlijke mens, komen deze tekenen niet voor.

Wanneer gezegd wordt: 'Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping', gaat dit niet alleen over het evangelie van de schuld­vergiffenis, dat van het kruis, maar ook over het evan­gelie Van het Koninkrijk der hemelen, waarin de overwinning geproclameerd wordt over het rijk der duister­nis. Jezus sprak: 'En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getui­genis voor alle volken, en dan zal het einde (de volle vrucht) gekomen zijn' (Matth. 24:14). Voor zijn heen­gaan gebood de Heer daarom zijn discipelen en ook de gelovigen van onze tijd, niet uit te trekken voor zij de belofte des Vaders ontvangen hadden (Hand. 1:4). Dan zal de volle evangelieprediking gelovigen voortbrengen die het beeld van Jezus gelijkvormig zijn geworden. Wanneer voorspeld wordt, dat de gelovigen in nieuwe tongen zullen spreken, is hier geen sprake van een bijzonder charisma, dat slechts aan enkele geselecteer­den ten deel zou vallen. De apostel Paulus wenste te­recht, dat 'allen' in tongen zouden spreken (1 Cor. 14:5). De glossolalie is immers een 'vanzelfsprekend' gevolg van geloof en doop in de Geest, evenals de an­dere genoemde tekenen, die behoren bij de ontwikkeling van de geestelijke mens.

Daarom zullen allen die in de gehele Schrift geloven, ook in nieuwe tongen spreken. Wij kunnen begrijpen dat de duivel een hekel heeft aan het slot van Marcus, omdat Jezus zelf hier een kort begrip geeft van zijn leer en van de werkwijze der gelovigen in de hemelse gewesten. Laten wij daarom deze laatste woorden van Jezus hier op aarde, serieus accepteren en als kostbare beloften in ons hart bewaren en er ons naar uitstrek­ken, ze te realiseren.

 

 

KvO. 36e jaargang nummer 18, 15 december 1972                                                  (9)

 

PINKSTEREN

 

Teneinde ons inzicht in de glossolalie te vermeerderen, is het vanzelfsprekend van belang ons een ogenblik be­zig te houden met het pinksterfenomeen in Handelingen 2:1-4. Wij lezen daar:

'En toen de Pinksterdag aanbrak waren allen te samen bijeen. En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken zoals de Geest het hun gaf uit te spreken’.

 

Beeld en werkelijkheid

 

In het prille begin van de kerk van Jezus Christus ont­vingen haar leden de vervulling van 'de belofte des Va­ders', dat is 'de doop in de Heilige Geest' (Hand. 1:4,5). Allen werden naar de eigen woorden van de Heer 'be­kleed met kracht uit de hoge' (Luc. 24:49). In de vroe­ge morgen van de Pinksterdag werden de honderdtwintig discipelen uit de bovenzaal allen innerlijk op­getild naar de hemelse gewesten. Daar vertoefden zij in het Koninkrijk Gods. Op deze wijze kon ook later Stéfanus die vol van de Heilige Geest was, getuigen: 'Zie, ik zie de hemelen geopend' (Hand. 7:56), terwijl van Johannes op Patmos staat, dat hij in vervoering des geestes opklom, ten einde een open deur in de hemel binnen te gaan (Openb. 4:I,2).

 

Er zijn in het menselijk leven en ook in dat van de ge­meente van Jezus Christus, keerpunten, waar God on­verwacht ingrijpt en die gemarkeerd worden door bij­zondere gebeurtenissen in de natuurlijke of in de geestelijke wereld. In de gevangenis te Filippi, waar Paulus en Silas opgesloten zaten, kwam er in de zichtbare we­reld 'plotseling’ een zware aardbeving, die de oorzaak werd van hun bevrijding. (Hand. 16:9-34). Hier vernemen de discipelen 'eensklaps' een geruis uit de he­mel als van een hevige windvlaag en verschijnen vurige tongen die zich verspreiden en zich op een ieder van hen neerzetten. Het gebed van de gelovigen uit het oude verbond werd verhoord: 'Ach,scheur toch de he­mel vaneen en daal neer' (Jes. 64:1 Canisius vert.).

Met Pinksteren gaat er iets in de geestelijke wereld gebeuren. Het Koninkrijk der hemelen dat door de predi­king van Jezus óver de discipelen gekomen was, komt nu in hen. Petrus begreep ogenblikkelijk deze situatie, want hij sprak: 'Dit is het' en citeerde vervolgens de Joëlsprofetie: 'En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen'. Profeteren, gezichten zien en dromen dromen hebben te maken met het verkeren van de in­nerlijke mens in de hemelse gewesten. Hij gaat daar horen en zien, ten einde daar ook te kunnen wandelen, strijden en overwinnen. Wie deze bijbelse weg niet gaan wil, wordt door de Heer doof en blind genoemd.

Wij wijzen nu op twee merkwaardige verschijnselen die het pinkstergebeuren vergezelden, zowel in beeld als in de werkelijkheid:

 

Ten eerste horen de discipelen een geluid als van een geweldige, gedreven wind. Het gehele huis waarin zij zaten, werd ermee gevuld. Er wás evenwel geen storm, maar hun geestelijk oor functioneerde in de onzienlijke wereld. Zij verstonden ook de betekenis van dit beeld. Zij wisten dat de wind des Geestes opgestoken was. Zij ervoeren een machtige beweging in de geestelijke we­reld. Daarom zetten zij de deur van hun levenshuis wa­gen-wijd open, opdat zij gedoopt en vervuld zouden wor­den met de Heilige Geest. Later werden de discipelen opnieuw vervuld met de Heilige Geest, want telkenma­le wanneer deze in antwoord op hun gebed Zich verhief, openden zij de deur van hun hart om een nieuwe wind­vlaag binnen te laten. Zo vermeldt Handelingen 4:31: 'En terwijl zij baden werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoe­digheid'. In Handelingen 13:8 en 9 lezen wij dat Pau­lus door de tovenaar Elymas in zijn bediening gehinderd werd en dat de apostel toen vervuld werd met de Hei­lige Geest, ten einde deze handlanger van satan uit te rangeren. In hetzelfde hoofdstuk wordt in vers 52 mee­gedeeld dat de discipelen 'werden vervuld met blijd­schap en met de Heilige Geest'. Gods Geest verheft Zich om zijn volk krachtig bij te staan en alle gelovigen worden daarom opgeroepen 'vervuld te worden met de Heilige Geest'. dit wil zeggen, zich te laten vullen met de kracht van God (Ef. 5:18).

De werkelijkheid van hetgeen door de stormwind op de Pinksterdag werd uitgebeeld. was dus dat de Heilige Geest woning in de discipelen maakte. Hij daalde neer in grote kracht en dit maakte hen geschikt om geeste­lijke mensen te worden, zoals er staat: 'De laatste Adam werd (voor allen die gedoopt zijn in de Heilige Geest) een levend makende geest' (1 Cor. 15:45). Bij de doop in de Heilige Geest wordt de geest van de mens ver­bonden met de Geest van God: die twee zullen tot één geest zijn (1 Cor. 6:16,17). Alleen langs deze weg kan de christen leren in het onzienlijke Koninkrijk Gods goed te functioneren.

De doop met de Heilige Geest in het leven van de ge­lovige voltrekt zich slechts één keer, maar zo dikwijls deze Geest Zich verheft en tot actie komt, wordt ge­sproken van 'vervuld worden met de Geest'.

 

In de tweede plaats is er sprake van een gezicht. Er ver­schenen aan de discipels tongen 'als' van vuur. In de natuurlijke wereld was er geen vuur en men zou er waarschijnlijk geen foto van hebben kunnen nemen. De honderdtwintig zagen dit vuur in een visioen, zoals Petrus, Jacobus en Johannes eenmaal gezamenlijk Jezus met Mozes en Elia in heerlijkheid op de berg zagen (Matth. 17:9). Ook dit stemde overeen met de Joëls­profetie, waarin gesproken werd over 'gezichten zien', Het was geen beeld van een smeulend haardvuur, maar er zat beweging in. Het was vuur in actie, een tafereel zoals men dit ziet wanneer droog hout met lekkende vlammen verbrandt. Er daalde geen massieve vuurbal uit de geestelijke wereld, maar er werden levendige vuurtongen gezien, die zich verdeelden en zich op ieder van hen neerzetten. Deze vlammende tongen waren geen symbool van de verterende werking van boze gees­ten, maar wel van de lichtglans, activiteit en beweeg­lijkheid van de Heilige Geest.

Ten tijde van Mozes zag het volk een vuurkolom als uit­drukking van de Geest Gods die hen door de woestijn leidde. Mozes zelf zag eenmaal een heilig vuur in een brandend braambos. Ezechiël zag 'brandende vuurkolen, als van fakkels, zich bewegende tussen de wezens' (Ez. 1:13). In onze tekst zijn de vurige tongen het beeld van de Heilige Geest die Zich gaat openbaren in tongentaal en profetie. De realisering van dit beeld vinden wij dan in de volgende ervaring: 'En zij begonnen met ande­re tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken'.

In het bovenstaande zien wij dus de beschrijving van twee beelden: dat van het geluid van een hevige wind­stoot en dat van vurige tongen. Deze beelden dienden om de discipelen duidelijk te maken wat er gebeurde. Zij verdwijnen, maar de werkelijkheid is blijvend: de doop in de Heilige Geest en het spreken in tongen. Het gaat dus niet om het beeld, maar om de werkelijkheid! Dit is Pinksteren!

 

Andere talen

 

Wij maakten reeds duidelijk dat in de uitdrukking 'ton­gen als van vuur' het woord 'tong' figuurlijk gebruikt wordt. Er is sprake van een vergelijking of een overeen­komst die er bestaat tussen lekkende en beweeglijke vlammen én tongen die tijdens het spreken bewegen. In de uitdrukking 'spreken met andere tongen' wordt de tong evenwel als spraakorgaan aangeduid en kan het dus vervangen worden door het woord 'talen', Zo zeggen de buitenlandse Joden dat zij ieder in hun eigen 'taal' horen spreken. In de Openbaring wordt het woordje 'glossa' ook meestal weergegeven door 'taal'. We den­ken hier aan de uitdrukking 'elke stam en taal en volk en natie'. De Statenvertaling, de Leidse vertaling en de Canisiusvertaling hebben daarom 'andere tongen' weer­gegeven door: andere of verschillende talen.

 

Wat gebeurde er nu bij de discipelen van Jezus op de Pinksterdag? De Heilige Geest daalde neer en bracht in allen een sluimerend, geestelijk talent in beweging, na­melijk het vermogen om in andere talen te kunnen spreken. Wij kunnen de glossolalie dus definiëren als de geestelijke begaafdheid van de mens om de taal van een inwonende geest over te nemen. Dit betekent dus voor de christen die bevrijd is van boze, inwonende machten en in wie de Heilige Geest woont, dat hij de taal van deze Geest kan overnemen. Hij kan deze Geest weliswaar niet met zijn natuurlijk oor beluisteren, maar dat is ook niet nodig. Wij hebben immers zelf ook het vermogen om onhoorbaar onze eigen taal te denken en zinnen en woorden te vormen. Bij de glossolalie hoort men dus de Heilige Geest 'spreken' en men brengt deze taal in de natuurlijke wereld in klanken over. Wanneer wij een vreemde taal leren, gebruiken wij ons verstand, maar iedereen weet dat men een taal pas goed leert, wanneer men met de geest ook het taaleigen over­neemt. Wie deze laatste begaafdheid mist, zal altijd moeite hebben zich in een vreemde taal uit te drukken. Op deze laatste wijze neemt men bij het spreken in ton­gen door middel van de eigen geest de taal over, waarvan de Heilige Geest zich bedient.

Nu heeft Gods Geest kennis van alle dingen, dus ook van alle talen. Hij kent 'de talen der mensen en der en­gelen' {I Cor. 13:1), Zomin als men bij het spreken in tongen de aardse talen rechtstreeks van mensen over­neemt, zomin neemt men de talen der engelen direct over. Men luistert slechts welke taal de Heilige Geest gebruikt, hetzij die van mensen of van engelen. De goe­de engelen zijn immers geen inwonende geesten. De re­gel blijft dus altijd: 'Zoals de Geest gaf uit te spreken', of: 'Door de Geest spreekt hij geheimenissen' (1 Cor. 13:2).

 

Naargelang iemands vermogen om geestelijk te horen en over te nemen, groter is, en zijn geest zich meer ont­wikkelt, naar die mate zal hij zich ook gemakkelijker in tongen kunnen uitdrukken. Hoe meer de christen in de geestelijke wereld vertoeft en naarmate hij de gemeenschap met God zoekt door de Heilige Geest, des te sneller zal zijn geest zich in de hemelse gewesten ont­wikkelen en des te gemakkelijker zal hij de taal van de Heilige Geest uitspreken. De apostel Paulus getuigde daarom, dat hij meer dan anderen in tongen sprak. Een navolgenswaardige gewoonte voor ieder geestelijk chris­ten!

Op de Pinksterdag spraken de discipelen in talen van mensen. Wij Weten niet of ook de begaafdheid van ‘veel­heid van talen’ bij hen voorkwam: (1 Cor. 12:10 Cani­siusvert.). Het is heel goed mogelijk dat zij telkens in een andere taal overgingen, maar met elkander was het een bonte verscheidenheid van buitenlandse dialecten en tongvallen. Zelf begrepen zij niet wat zij zeiden ‘want hun verstand was onvruchtbaar' (1 Cor. 14: 14), Zij spraken alleen tot God (1 Cor. 14:2), Zij brachten Hém lofprijzingen, verkondigden zijn grote werken en werden hierdoor zelf opgebouwd. De verrassende bij­komstigheid was evenwel dat de omstanders deze 'ton­gentaal' herkenden als hun moedertaal. De Heilige Geest liet dus deze kinderen Gods spreken in de taal van de buitenlandse bezoekers. Hiermee was het spreken in tongen, tegelijkertijd op bijzondere wijze ook een teken voor de ongelovigen geworden (1 Cor: 14:22). De spot­ters beschuldigden immers deze 'tongensprekers' dat zij teveel zoete wijn gedronken zouden hebben en daar­door wartaal uitsloegen. Dezelfde profane en platvloerse spot met deze goddelijke begaafdheid komt ook nu nog wel voor bij hen die wel christen zijn, maar die geen inzicht hebben in de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen. Het gehele conglomeraat van nationaliteiten dat zich in de tempel bevond, getuigde evenwel dat hier sprake was van normale talen, want 'zij hoorden hen in hun eigen taal van de grote daden Gods spreken'. Wie op bijbelse wijze in tongen spreekt, stoot geen dier­lijke klanken uit maar spreekt talen van engelen of mensen.

 

Het is niet zo dat de Heer de glossolalie gaf in dienst van de zending. want de aanwezige Joden en proselieten spraken allen de Griekse taal en de toespraak van Pe­trus werd door allen gevolgd. Het spreken in tongen was ook op de Pinksterdag tot stichting van de gelovigen en tot een 'teken voor de ongelovigen', zoals dit charisma het ook nu nog is, want ook nu komt het voor dat de hoorder de glossolalie als een hem bekende taal herkent en zich verwondert hoe correct deze gesproken wordt.

 

 

KvO 37e jaargang nummer 1, 5 januari 1973                                                        (10)

 

EEN WAARNEEMBAAR TEKEN

 

Bij de Samaritanen

 

In Handelingen 8 wordt ons verhaald hoe 'het evangelie van het Koninkrijk Gods  en van de naam van Jezus Christus' met grote kracht en met gezag in Samaria door Filippus gepredikt werd. Bij vele inwoners van de stad gingen de onreine geesten luid schreeuwende uit en lammen en kreupelen werden genezen. Het gevolg was dat vele mannen en vrouwen tot het geloof kwamen en zich lieten dopen in water. Onder hen bevond zich ook de stadstovenaar Simon, die alom bekend stond vanwege zijn paranormale begaafdheid. Deze occultist was 'gees­telijk' genoeg om te kunnen constateren dat in dienst­knecht van Jezus Christus een grotere kracht werkzaam was dan in hemzelf. Om dit geheim te doorgronden, bleef hij voortdurend in de nabijheid van Filippus en zag nauwlettend toe wat de oorzaak van deze kenmerken­de verschillen was. Deze tovenaar die het volk van Sa­maria 'verbijsterd' had, werd nu op zijn beurt ver­bijsterd door de tekenen en grote krachten die hij zag gebeuren. De schrijver Lucas attendeert ons in dit ver­band nog op iets heel merkwaardigs: in deze opwek­king onder de Samaritanen bekeerden velen zich wel en lieten zich dopen, maar de Heilige Geest was op nie­mand van hen neergedaald.

Men zou kunnen aanvoeren dat Filippus met zijn evangelieprediking, die gepaard ging met bevrijdingen en genezingen, het zo druk had, dat hij zich alleen bezig­hield met bekering, genezing en waterdoop, en niet toe­kwam aan de volgende stap op de weg des heil: de geestesdoop. Het ligt evenwel meer voor de hand aan te nemen, dat er in de hemelse gewesten een enorme de­monische tegenstand was ten opzichte van deze open­baring van de Geest Gods. Onder leiding van Simon de tovenaar waren immers alle inwoners van Samaria onder de ban en betovering van het occultisme gekomen, en de magie is in de geestelijke wereld de tegenhangster en opposante van de Heilige Geest, ook nu nog!

Het is de vraag of Filippus in deze situatie wel een volledig inzicht had; zeker is dat hij geen ervaring in dit opzicht bezat. In Jeruzalem was de doop in de Heilige Geest op de Pinksterdag immers vlot verlopen; daar waren godvruchtige mannen van Joodse origine en proselieten bij elkander, die allen belijders waren van de ene ware God en zich beslist niet hadden afgegeven met afgoderij en magische praktijken.

Het verschil in Samaria was nu, dat eerst de geestelijke barricaden uit de weg geruimd moesten worden, voordat de Heilige Geest woning in de nieuwe gelovigen kon ma­ken.

In de onzienlijke wereld kan soms grote weerstand zijn tegen de openbaring van de kracht Gods. Zo wordt in Mattheüs 13:58 meegedeeld dat Jezus in zijn vader­stad geen krachten kon doen vanwege het ongeloof zijner stadgenoten. De Geest werd daar weerstaan en verhin­derd te werken door geesten van verzet en verblinding. Uit ervaring weten wij dat de Heilige Geest dikwijls niet kan 'vallen' op hen die zich met occulte praktijken heb­ben beziggehouden. Menigmaal hebben wij bij zulke stagnaties aan de naar het heil verlangenden gevraagd, of zij vroeger misschien met een waarzegger, een hypno­tiseur, magnetiseur of andere soort occultist in aanraking waren geweest. Juist doordat de magie en het occultisme zonden zijn, zuiver in de geestelijke wereld, vormen zij zo'n remming voor de doop in de Heilige Geest.

 

Toen Petrus en Johannes in Samaria aankwamen, deden zij wat ook nu nog vele volle-evangeliedienaren doen in gevallen dat gelovigen niet spontaan de Heilige Geest ontvangen: de apostelen baden de Heer om wijsheid en inzicht, opdat de verborgen tegenwerkers geopenbaard zouden worden; beiden handelden op dezelfde wijze als wij dit ook doen. Zij legden de mensen die verlang­den gedoopt te worden in de Heilige Geest, een voor een de handen op. Zij bonden de ‘occulte' geesten en de doodsmachten en verbraken daarbij ook iedere ver­dere magische beïnvloeding. Onder oplegging van han­den claimden zij de broeder of zuster voor het Ko­ninkrijk Gods en ondersteunden hun geest in de strijd om de machten te verdrijven.

Ook hier stond Simon die geloofde in deze 'grote kracht Gods' en zich zelfs ook had laten dopen, als geïnteres­seerd en belanghebbend toeschouwer bij. Wij kunnen ons nu wel voorstellen onder welke moeilijke geestelijke omstandigheden het volle evangelie onder de Sama­ritanen gebracht moest worden. De grootmeester van de duivelskunstenarij had zijn stempel op 'allen, van klein tot groot' gezet en hij moest toezien hoe Zijn voormalige discipelen overgezet werden uit bet rijk der duisternis in het Koninkrijk van Jezus Christus. Maar Simon zelf werd niet bevrijd. Wij weten niet of hij hier­om ook verzocht had. Hij had dan met iedere vorm van paranormale begaafdheid moeten breken en zich mis­schien moeten openbaren als een van de minsten in het rijk Gods. Het is bovendien geheel iets anders, een mens die onder beïnvloeding van occulte geesten geweest is, te bevrijden, dan het medium zelf los te maken van de macht die hem gebruikte. Toen Simon daarom in zijn verblinding de apostelen geld aanbood om ook deze meerdere kracht te ontvangen, sprak Petrus, dat hij part noch deel aan deze zaak had, want zijn hart was niet recht voor God. Hij bevond zich in 'een gans bittere gal en in een samenknoping van ongerechtigheid'. De apostel zag dus hoe deze magiër door afschuwelijke machten gebonden was en daardoor tot dit absurde aan­bod kwam. De man was verstrikt in een net van leugens en van wetteloosheid. Zijn geval doet ons denken aan de gelijkenis van de zaaier, waarin vermeld wordt dat een deel van het zaad op steenachtige plaatsen was gevallen, waar het niet veel aarde had. De stenen zijn beeld van de inwonende boze geesten, en in het geval van Simon zou men wel van rotsblokken kunnen spreken.

Over het ontvangen van de Heilige Geest door de Sama­ritanen staat nu in vers 17-19: 'Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest. En toen Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Geest werd gegeven, bood hij hun geld aan'.

Uit de opmerking dat Simon zag dat door de handop­legging der apostelen de Heilige Geest meegedeeld werd, blijkt dus dat hij een duidelijke manifestatie van de Heilige Geest had opgemerkt. Hij zag dat de apostelen de handen oplegden en hij hoorde hen bidden. Na­tuurlijk kon hij niet zien dat de Heilige Geest op deze Samaritanen vanuit de onzienlijke wereld uitgestort werd, maar deze doop werd vergezeld door een uiterlijk waarneembaar teken.

Wat was dit voor een verschijnsel? Werden hier ver­schillende geestelijke gaven uitgedeeld? Ontving de een de gave van wijsheid of van kennis, een ander die van genezing, weer een ander die van geloof, van pro­fetie of  van onderscheiding der geesten? (1 Cor. 12:4-10). Waren het gaven om te onderwijzen, te vermanen, leiding te geven of van bijzondere activiteiten, waar­over Paulus later in Romeinen 12:6-8 schreef? Neen, want deze komen alleen naar voren in dienst van de gemeente en zij moeten na de doop in de Heilige Geest Zich nog ontwikkelen. Ook ging het niet alleen om een overstelpende vreugde die hier het kenmerk was van de geestesdoop, want deze blijdschap had men al gezien, toen Filippus met kracht van tekenen en wonde­ren het evangelie aan hen verkondigde (vers 7). Er was slechts één teken dat voor de buitenstaander onmid­dellijk te constateren viel: deze Samaritanen spraken in nieuwe tongen, evenals Filippus, Petrus en Johannes dit deden, en zoals de Heer zelf in Marcus 16:17 voor­speld had.

 

Bij Cornelius

 

In verband met het voorgaande wijzen wij nu op de doop in de Heilige Geest van Cornelius, diens bloedverwan­ten en vrienden, welke gebeurtenis in Handelingen 10 en 11 meegedeeld wordt. Hoe geheel anders lag het in het huis van deze hoofdman van een Romeinse legerafdeling. Hij was een godvruchtig mens en een vereerder van God en wel met zijn gehele gezin. Hij was een man van ge­bed en stond bekend om zijn liefdadigheid jegens de armen. Ook droeg hij kennis van het optreden van Je­zus en ongetwijfeld zal hij hierover dikwijls hebben nagedacht. Zijn 'beste vrienden' die bij hem waren om Petrus te horen, zullen wel van dezelfde geestesgesteld­heid geveest zijn. Hier zien wij dus een aantal mensen te samen, die geen door de vijand bezet gebied waren, maar vrij. Zij hadden alleen de sleutels van het Ko­ninkrijk der hemelen nodig om geestelijk vooruit te komen.

Wij lezen nu in Handelingen 10:44-46; 'Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op al­len, die het woord hoorden. En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, ston­den verbaasd, dat de gave van de Heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken’.

Welk een totale verandering van denken moesten de gelovigen uit het Jodendom meemaken. Zij zagen de tussenmuur die hen van de volkerenwereld scheidde met de grond gelijk gemaakt. Petrus moest erkennen dat bij God geen aanzien des persoons is. Wij horen la­ter hoe hij enigszins timide zich bij zijn Joodse broeders te Jeruzalem verontschuldigt met de woorden; 'Wie was ik dan wel, dat ik God zou tegenwerken?' (Hand. 11:17 Canisiusvert.). Waarom konden de broeders uit de besnijdenis nu niet meer ontkennen dat de heiden Cornelius met zijn gezin de geschonken doop in de Heilige Geest hadden ontvangen? Het antwoord is: 'Want zij hoorden hen spreken in tongen en God groot­maken'. Dit was voor hen het einde van alle tegenspraak. Paulus schreef dat 'de tongentaal een teken zijn voor de on­gelovigen' (1 Cor. 14:22). De Joodse broeders  waren ongelovigen inzake de gave van Gods Geest die ook aan de heidenen geschonken werd. De glossolalie was voor hen het teken van het nieuwe verbond. Is het dan vreemd dat ook wij in onze tijd nog in dit teken der talen geloven als bewijs van de doop in de Heilige Geest? Laten wij daarom evenals de Joodse broeders, al­le vooroordelen terzijde zetten en ons onderwerpen aan de uitspraken van Gods Woord, ook al gaan zij in tegen de  gevestigde meningen. Het spreken in tongen is on­afscheidelijk verbonden met de doop in de Heilige Geest!

 

 

KvO 37e jaargang nummer 2, 26 januari 1973                                                       (11)

 

De twaalf mannen in Efeze

 

De leer van Johannes

 

Op zijn derde zendingsreis ontmoet Paulus in de haven­stad Efeze een twaalftal discipelen (Hand. 19:1-7). Hij stelt deze mannen twee vragen. De eerste is: 'Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, toen gij tot het geloof kwaamt?' Deze leerlingen erkennen volmondig dat zij zulk een ervaring missen en dat zij bovendien in onwe­tendheid leven aangaande het feit dat de Heilige Geest zou zijn uitgestort en nu bewust door iedere gelovige ontvangen wordt. Zij antwoorden dan ook: 'Wij hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is'. Zij be­grepen dus wel dat Paulus hier vroeg naar een reële belevenis. Het onbijbelse dogma dat tegenwoordig zo vaak onderwezen wordt als zou iedere gelovige vanzelf­sprekend en automatisch met Gods Geest gedoopt zijn, was hun dus onbekend,

Ogenblikkelijk komt de apostel nu met de volgende vraag: 'Waarin zij gij dan gedoopt?' Indien jullie niet in de Heilige Geest gedoopt zijn en toch volgelingen beweren te zijn van Jezus, welke doop hebben jullie dan ondergaan? 'En zij zeiden: In de doop van Johannes'. Deze baptisten komen er eerlijk voor uit, dat zij in wezen volgelingen zijn van de leer van Johannes, de baptist. Ook bij Johannes ging een fundamenteel onderricht aan de doop vooraf; deze rustte op bekering en op verge­ving van zonden door het bloed van de komende Chris­tus. Wanneer de zondaar met zijn kwaad brak en zich in geloof tot God wendde, was zijn schuld vergeven. Een offer was hierbij niet meer nodig. Johannes leerde de schuldvergeving op nieuwtestamentische wijze zonder offers, heen wijzende naar het Lam Gods en op grond van de innerlijke barmhartigheid van onze God' (Luc. 1: 78).

Johannes kende de raad Gods voor zijn tijd. Daarom veroorzaakte hij een grote geestelijke omwenteling, maar de verblinde, conservatieve en traditionele ‘Farizeeën en wetgeleerden verwierpen voor zichzelf de raad Gods, daar zij niet door hem gedoopt waren' (Luc. 7:30). Hun leer der vaderen was in strijd met die van de nieuw­lichter Johannes, die door zijn prediking eigenlijk de tempeldienst afbrak.

De Doper predikte reeds de komst van het onzienlijke Koninkrijk der hemelen, dat niet samengaat met de ce­remoniële werken der wet en niet gebonden is aan enig uiterlijk vertoon. De drie fasen van het komende rijk Gods worden getypeerd door de volgende uitdrukkingen: bij Johannes was dit Koninkrijk nabij gekomen; toen Jezus tot de scharen predikte en de duivelen uitdreef, kwam het over hen (Matth. 12:28); en van hen die zijn prediking in geloof aanvaard hadden, sprak de Heer: 'Het Koninkrijk Gods is binnen ulieden' (Luc. 17:21 St. Vert.).

De repliek van Paulus is dan ook: 'Johannes doopte een doop van bekering en zeide tot het volk, dat zij moes­ten geloven in Hem, die na hem kwam, dat is in Jezus'. Hoogstwaarschijnlijk waren deze leerlingen ook onder de prediking van Apóllos geweest, die vóór Paulus in Efeze was. Ook deze kenner der Schriften wist alleen van de doop van Johannes, maar leerde tegelijkertijd toch nauw­keurig hetgeen op Jezus betrekking had, dit wil Zeggen dat hij een evangelie over Jezus bracht. Hij bewees immers uit de Schriften dat Jezus de Christus moest zijn en dat de zonden vergeven worden door het geloof in zijn bloed (Hand. 18:24-28). Hij predikte dus dat Jezus het Lam van God was, dat de zonde der wereld wegnam (Joh. 1:29). Apóllos leerde dus het begin van de weg Gods, maar Priscilla en Aquila 'namen hem tot zich en legden hem de weg Gods nauwkeuriger uit'. Zij brachten hem het evangelie van Jezus, dat is de bood­schap van het Koninkrijk der hemelen waarin ook over de doop in de Heilige Geest gesproken wordt. Op de­zelfde wijze zal ook Paulus aan deze discipelen dit evan­gelie van Jezus verkondigd hebben.

Johannes sprak over het Lam Gods dat de verzoening te weeg zou brengen, maar hij profeteerde ook over het meerdere dat komen zou: 'Ik doop u met (in) water tot bekering, maar Hij die na mij komt, is sterker dan ik: want ondanks hun aanvaarding van de prediking van Johannes over Jezus, stonden zij buiten het Koninkrijk Gods. De door hen ondergane doop stond hun in de weg om de zegeningen van het nieuwe verbond te kunnen ontvangen. Paulus zocht geen compromis om uit de im­passe te geraken. Er was slechts één oplossing, namelijk een nieuw begin, een herdoop! Opnieuw worden deze leerlingen ondergedompeld; voor de tweede maal sluit het doopwater zich boven hen. De twaalf mannen aan­vaarden de nieuwe tijd door deze daad van gehoorzaam­heid en God kon doorgaan met hun innerlijke vernieu­wing, ten einde hen te brengen tot de doop in de Heilige Geest.

 

De geschiedenis herhaalt zich.

 

Hoewel hij voor het oog met gelovige mannen te doen had, wist de apostel uit eigen ervaring hoe sterk de ban­den met het oude kunnen zijn en welke weerstanden zij vormen om de nieuwe weg te accepteren en de doop in de Heilige Geest te ervaren. Ook hij had eenmaal ge­aarzeld (Hand. 22:16).

In onze tijd zien wij dit verzet tegen de gedachten Gods opnieuw. De leer aangaande de doop in de Heilige Geest vindt niet zozeer tegenstand bij de leden van de histori­sche kerken, want daar ligt de moeilijkheid meestal in het punt om te belijden dat men een rechtvaardige is door het geloof. Uit ondervinding weten wij dat de heil­begerige kerkelijke christenen na een kort onderricht spontaan in de Heilige Geest gedoopt worden. Het felle verzet komt evenwel bijna altijd uit de evangelische hoek. Hier vindt men ook een grote overeenkomst met de leer­lingen van Johannes de doper. Men spreekt daar over belijdenis van zonden en over schuldvergeving door het bloed van het Lam. Velen uit deze richting zijn zelfs op bijbelse wijze in water gedoopt. Het ziet er allemaal serieus en schriftuurlijk uit maar nergens is groter te­genstand tegen de geestelijke begaafdheden dan juist onder deze zogenaamde fundamentele christenen. Nogmaals, de evangelischen gaan in wezen geen stap verder dan de discipelen van Johannes de Doper. Geen wonder dat zij een heiligingsleer aanhangen die zich richt op het uiterlijk waarneembare. Evenals bij de heidense godsdien­sten is er bij hen sprake van verbrijzeling van het eigen ik, van lange gebeden, van onthoudingen, van het be­spelen van het gevoelsleven door liederen en door sen­timentele verhalen van veel geween, terwijl zij tegelijker­tijd afgoderij bedrijven met het natuurlijke volk Israël dat eenmaal in de oude bedéling zijn betekenis had als schaduw van de werkelijkheid. Zo worden vele oprechte kinderen Gods misleid door een leer die niet verder reikt dan de prediking van Johannes de Doper, die de weg des heils barricaderen door de leugen dat bij de wedergeboorte de Heilige Geest zijn intrek in het hart van de christen genomen heeft.

De evangelischen leren dat een kind van God niet mag bidden om de Heilige Geest, terwijl Jezus zelf gezegd heeft: 'Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen die Hem daarom bidden' (Luc. 11:13). Zij houden zich evenwel aan de kanttekeningen van de Scofieldbijbel die hierover schrijft: 'Een beroep doen op Lucas 11: 13, is de Pinksterdag vergeten en ontkennen dat iedere gelo­vige de inwonende Geest bezit'. Aangezien het voor de Pinksterdag niet mogelijk was om te bidden om de Hei­lige Geest heeft de evangelische richting dit woord van Jezus krachteloos gemaakt en metterdaad uit haar bijbel gestreept. Met de doop in de Heilige Geest verwerpt zij ook de ontwikkeling en het functioneren van de geeste­lijke gaven en er is nauwelijks één belofte in de schrift die betrekking heeft op bovennatuurlijke kracht, op won­deren en tekenen, op heil en herstel, die niet door haar voor de gemeente van onze eeuw geloochend wordt.

Het is zeer moeilijk door deze binding der geesten, aan­hangers van de evangelische richting of maranathabeweging ertoe te brengen, de doop in de Heilige Geest te aanvaarden. Daarom nemen deze evangelischen geen deel aan de charismatische beweging. Mensen die in tongen spreken worden onder hen niet geduld. De uitspraak dat God in de laatste dagen zijn Geest zal uitstorten op alle vlees, dat er een belofte is van een spade regen, is voor hen een Joodse aangelegenheid. Deze geloofsbarrière zal opgeruimd moeten worden, voordat de weg der waarheid voor hen openligt en de Geest der waarheid woning in hen kan maken.

 

Handoplegging noodzakelijk

 

Paulus wist de volgelingen van Johannes de Doper ervan te overtuigen dat zij zich op een dwaalweg bevonden. Zij lieten toen hun oude gedachtewereld los, geloofden in de Here Jezus en lieten Zich dopen in zijn naam. Het zou nu normaal geweest zijn, wanneer op de bede van een goed geweten (1 Petr. 3:21) ook de Heilige Geest spontaan zijn intrek had genomen in de harten van deze twaalf mannen, en zijn aanwezigheid gemanifesteerd zou zijn door het spreken in tongen. Petrus had immers op de Pinksterdag gezegd: ''bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus tot ver­geving van zonden, en gij zult de gave des Heilige Gees­tes ontvangen'. Het is vanzelfsprekend dat wie om de Heilige Geest in het geloof bidt, deze ook ontvangt (Luc. 11:13). Toen dit niet gebeurde achtte Paulus het noodz­akelijk deze broeders de handen op te leggen, teneinde hen te claimen voor het Koninkrijk Gods en de wederh­oudende machten te verbreken en uit te drijven. Hij deed dus bij deze broeders, die door dwaalgeesten gebonden waren, hetzelfde als Petrus en Johannes bij de Sama­ritanen die onder beslag lagen van occulte geesten.

 

Wij weten niet of dit ook door Priscilla en Aquila gedaan is toen zij Apóllos de weg Gods nauwkeuriger uitlegden. Het is ook niet zeker dat Apóllos later het­zelfde evangelie als Paulus bracht. Wel weten wij dat deze apostel later moest schrijven: 'Want wanneer de een zegt: Ik ben van Paulus; en de ander: Ik van Apóllos; zijt gij dan niet onveranderde mensen?' (1 Cor. 3:4). In Efeze greep Paulus radicaal in en in de gemeentel aldaar horen wij ook niet van partijschappen en afwij­kende meningen. Aan deze christenen kon de apostel later schrijven: 'In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt ge­hoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werd, ook ver­zegeld met de Heilige Geest der belofte' (Ef. 1:13). Wij lezen nu: 'En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de Heilige Geest over hen, en zij spraken in ton­gen en profeteerden’. De glossolalie was voor Paulus het bewijs dat deze twaalf leerlingen in de Heilige Geest gedoopt waren en wel zo machtig, dat zij ogenblikkelijk ook begonnen te profeteren, dit wil zeggen door de Heilige Geest geïnspireerd werden, woorden Gods te spreken in hun eigen taal.

Ook wij zullen in de voetsporen van de apostel moeten gaan en heel vaak de 'vrome' dwaalgeesten onder hand­oplegging moeten binden en uitwerpen, voordat de naar het heil verlangende mensen hun harten kunnen openen en de Heilige Geest zijn intrede kan doen. Laten wij goed beseffen dat deze weerhoudende 'vrome' machten moei­lijker te onderscheiden en gevaarlijker zijn dan enig andere boze geest. Zij dragen immers de schijn van be­trouwbaarheid, maar zij brengen een evangelie dat niet overeenstemt met de leer van Jezus, van de apostelen en van de profeten.

Uit het boek der Handelingen zien wij dus vier groepen mensen die de Heilige Geest ontvingen, nadat zij tot het geloof kwamen: Joden, Samaritanen, heidenen en volgelingen van Johannes de doper. God had niet duide­lijker zijn bedoeling kenbaar kunnen maken: 'Het zal zijn in de laatste dagen dat Ik zal uitstorten van mijn Geest alle  vlees'. De werkelijkheid ervan werd duidelijk gemanifesteerd door het spreken in tongen, waarna ook de andere begaafdheden van de Geest zich gingen openbaren.

 

 

KvO 37e jaargang nummer 3, 16 februari 1973                                                     (12)

 

Teksten uit 1 Corinthiërs 12

 

Kennis noodzakelijk

 

1. Ten aanzien van de uitingen des geestes, broeders, wil ik u niet onkundig laten.

 

Bij het begin van hoofdstuk 12 van de eerste Corinthebrief roept Paulus de gemeente aldaar op om niet in onwetendheid te verkeren aangaande de 'geestelijke' uitin­gen. zaken, gaven, of zoals ook vertaald wordt: 'van hen die de geestelijke gaven beoefenen’. Aangezien wij de leer der apostelen ook voor onze gemeenten accepteren, leggen wij deze oproep niet terzijde, maar zoeken ook nu nog kennis te verwerven van het onderwerp dat Paulus hier aansnijdt.

De apostel gebruikt hier het woord 'pneumatikos' dat 'geestelijk' betekent. Wij vinden dit woord ook in Romeinen 7:14 waar staat dat de wet 'geestelijk' is. In 1 Çorinthiërs 14:37 wordt 'pneumatikos' weergegeven door 'een geestelijk mens' en in Romeinen 15:27 door 'geestelijke goederen’. In Efeziërs 6:12 wordt ons voor gehouden te strijden tegen de 'geestelijke' (legerscharen) van de boosheid in de hemelse. gewesten. Wij moeten dus goed op de hoogte zijn van het geestelijke, want dit is belangrijker dan het vleselijke en het natuurlijke. Zomin als de apostel wil dat de lezers van zijn brieven 'onkundig' zouden zijn aangaande de geheimenissen van het geestelijke Israël (Rom. 11:25) aangaande de schaduwachtige betekenis van het Joodse volk (1 Cor. 10:1) of aangaande de toekomst van de ont­slapen christenen bij de wederkomst des Heren (1 Tess. 4:1), zomin wil hij dat wij onbekend zullen zijn met de geestelijke of onzienlijke wereld. Het volk van God gaat immers verloren, wordt dus een prooi van de machten der duisternis, omdat het geen kennis draagt van de onstoffelijke dingen. Het was Jezus zelf die van stad tot stad en van dorp tot dorp een evangelie verkondigde, dat de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen ontsluierde. Wanneer wij waarachtige volgelingen van Hem willen zijn, zullen wij ook begeren duidelijke inzichten te hebben in die onzichtbare, zintuiglijk niet waarneembare wereld, omdat zich daar de oorsprongen bevinden van goed en kwaad, van waarheid en leugen, van eeuwig geluk of eeuwige rampzaligheid. Voor wie weigert hierop in te gaan, wordt bewaarheid dat ‘een ongeestelijk mens niet aanvaardt hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan omdat het slechts geestelijk te beoordelen is’ (1 Cor. 2:14).

 

Door de doop in de Heilige Geest wordt de menselijke geest verrijkt door diens inwoning. Gods Geest heeft talenten en begaafdheden evenals de eigen geest, maar rijker en meer gevarieerd. Van deze geestelijke rijkdom wil Hij de gelovige meedelen naar diens vermogen en ijver. De Heilige Geest hebben wij ontvangen als eerste gave (Hand. 2:38) en Hij schenkt ons verder de be­gaafdheden die nodig zijn om ons in de geestelijke we­reld te kunnen bewegen. Zoals de natuurlijke talenten ontwikkeld moeten worden om op deze aarde met ere een plaats in te nemen, zo is het ook met de gave van de Heilige Geest, om te leven en te functioneren in de onzichtbare wereld. Paulus schreef aan zijn medewerker: 'Veronachtzaam de gave in u niet' (1 Tim. 4:14). Wie dus in de natuurlijke wereld vooruit tracht te komen, moet zijn menselijke talenten ontplooien. maar wie in de geestelijke wereld zijn plaats in wil nemen, daar strijden en overwinnen wil, zal de begaafdheden van de Heilige Geest in zich tot ontwikkeling moeten brengen door van Hem te leren. Daarom: 'Streeft naar de gaven des Geestes' (1 Cor. 14:1). Deze zijn zeer belangrijk en men benadeelt zichzelf, indien men deze opdracht terzijde schuift.

Ondanks de oproep van de apostel om zich kennis te verschaffen van de geestelijke mogelijkheden en uitin­gen, merken wij overal in kerken en kringen een ont­stellend manco op. Er is bij vele christenen niet alleen grote onkunde, maar zelfs afkeer te  bespeuren. van alles wat met de charismatische gaven te maken heeft.

 

Men hoort wel eens de opmerking dat Paulus in zijn brieven alleen tot de gemeente in Corinthe over de gees­telijke gaven spreekt, dus ook over het spreken in ton­gen. Men concludeert daaruit dat de charismatische uitingen in de andere gemeenten niet zouden voorkomen. Men voegt er dan soms de insinuatie aan toe, dat het van de leden dezer gemeente zo laag was, dat zij door het gebruik der gaven, met duistere prak­tijken zouden bezig zijn. Een ongelooflijke bewering, maar een die wel aantoont hoe sommige uitleggers zich in allerlei bochten moeten wringen om te 'verklaren', dat de geestelijke gaven voor vandaag aan de dag niet meer nodig zouden zijn.

Wij stellen voorop dat in Paulus zelf vele charismati­sche gaven tot ontwikkeling waren gekomen. Hij bezat de gaven van kennis en wijsheid, want hij schrijft: 'Daar­naar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus' (Ef. 3: 4). Tijdens zijn toespraken deed God 'buitengewone krach­ten door de handen van Paulus, zodat ook de zweetdoe­ken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken. ge­bracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren' (Hand. 19:  11,12) In Lystra genas onder zijn prediking ogenblikkelijk een man die nooit had kunnen lopen. (Hand. 14:8-10). Een jongeman met name Euthychus, werd door de walm van de vele olielampen zo bedwelmd, dat hij uit het raam viel en voor dood opgenomen werd. Toen de apostel zich op hem wierp en hem omarmde, werd de jongen weer levend (Hand. 20:8-12). In de broederkring was Paulus niet alleen leraar, maar hij bezat ook profetische gaven (Hand. 13:1). Hoewel Paulus er verder in zijn brieven niet over rept, vertelt hij juist aan de Ço­rinthiërs over zijn gezichten en openbaringen (2 Cor. 20:12) en dankt hij God ervoor, dat hij meer dan zij allen in tongen sprak (1 Cor. 14:18).

Wij kunnen er zeker van zijn dat in alle door de apos­tel gestichte gemeenten, de geestelijke gaven werkzaam waren. Aan de hem onbekende gemeente te Rome schreef Paulus dat hij verlangde deze broeders te zien 'om enige geestelijke gave mee te delen' (Rom.1:11). De nadruk valt in deze zin op het woordje 'geestelijk'. Hij wilde dus dat ook in Rome de geestesgaven zouden functioneren, waaronder het spreken in tongen en de  vertolking ervan. De apostel wilde hun dus, tot hun ‘versterking’, meer geestelijk licht verschaffen, door de weg bekend te maken die 'verder omhoog voert' (1 Cor. 12:31).

In de eerste Corinthebrief gaat Paulus zo uitvoerig op de charismatische gaven in en wel in het bijzonder de op het spreken in tongen, omdat hierover moeilijkheden gerezen waren. De Corinthiers hadden om opheldering gevraagd aangaande verschillende leerstellingen. Vanaf hoofdstuk 7 tot hoofdstuk 16 behandelt de apostel dan ook een twaalftal punten. Zo schrijft hij ook uitvoerig over het avondmaal, wat hij in andere brieven ook niet doet, hoewel men toch overal bijeenkwam om ‘brood te breken'. Neen, de Corinthiërs waren geen uitzondering toen de apostel opmerkte dat het hun aan 'geen enkele genadegave' ontbrak. Zij toch zagen uit naar de openbaring van Jezus Christus in hen (1 Cor. 1:7). Wij kunnen ons ook voorstellen dat Paulus aan de an­dere gemeenten niet over het spreken in tongen schreef, evenmin als hij elders rept over de avondmaalsviering. De glossolalie vormde nergens een problemen zij func­tioneerde overal goed. Ook in onze eigen gemeente spreken wij zelden over onderwerpen als doop, avond­maal en de glossolalie. Deze zaken behoren bij het fundament, waarvan de apostel schrijft: 'Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene' (Hebr. 6:1). Gemeentesamenkomsten zijn geen herhalingen van evan­gelisatiediensten waar men zich richt op de eerste begin­selen.

Uit de inhoud van de hoofdstukken 12, 13 en 14 van de eerste Corinthebrief blijkt, dat de apostel de meeste aan­dacht moest schenken aan de plaats die de glossolalie in de gemeentesamenkomsten inneemt.

 

Uitingen van de geestenwereld

 

2. 'Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heendrijven'.

 

Van hun jeugd af waren de Corinthiërs met de geeste­lijke wereld in aanraking geweest. Zij hadden zich im­mers laten 'heendrijven' naar de 'stomme afgoden', die hen op het verkeerde pad gebracht hadden. Zij hadden zich 'blindelings' aan hen overgegeven, zodat zij als blinden doolden aan de verkeerde kant in de hemelse ge­westen. De 'stomme afgoden' hadden hen in gemeen­schap gebracht met de boze geesten (1 Cor. 10:20). Tijdens hun tempel diensten werden zij 'geestdriftig', dit wil zeggen door geesten gedreven. Zij werden dan vol van god, dat is enthousiast. Om in dezelfde trance-toestand te geraken, maakten zij dikwijls gebruik van mu­ziekinstrumenten, zoals het 'schallend koper of een schetterende cimbaal' waar Paulus in 1 Corinthiërs 13:1 op zinspeelt. Wij denken ook aan Delphi dat eveneens in Griekenland lag. Daar zat een vrouw, de Pythia, op een drievoet boven een aardspleet. In een toestand van vervoering die misschien opgewekt werd door opstijgen­de bedwelmende dampen, stootte zij klanken uit die door de priesters als orakels werden vertolkt.

In onze eigen tijd gebruikt men ook allerhande slagin­strumenten zoals drums en bekkens bij de pop en un­dergroundmuziek, die een orgie van geluiden voort­brengen ten einde de luisteraars 'high' of uitzinnig te ma­ken.

 

Terwijl het huidige christendom weinig of niets van de onzienlijke wereld weet, dringen de mystieke oosterse godsdiensten in onze westerse maatschappij snel op en zij schenken wèl de mogelijkheid aan de zoekende mens om geestelijk te worden.

Zo is yoga voor velen het middel geworden om door lichamelijke versterving en concentratiemethoden tot ho­gere bewustzijntoestanden te geraken. Door de aandacht te richten op een beeld, of zelfs maar op een boomstronk, wordt de geest van de mens ‘blindelings heen­gedreven' en geleid op de dwaalwegen van het rijk der duisternis. De natuurlijke mens wordt op deze wijze tot inactiviteit gebracht en gefixeerd, en de geestelijke mens bij de hand genomen om te dolen in de hemelse ge­westen.

Ook bij het spiritisme wordt de geest losgemaakt van het natuurlijke leven en komt hij in rechtstreeks contact met de demonen. Waar op deze wijze de boze en on­reine geesten in de mens komen, behoeven wij ons niet te verwonderen dat een medium de taal van een inwonende geest overneemt en dus evenals het eerder genoemde orakel van Delphi, onbekende klanken doet horen. Langs occulte weg is het dus mogelijk dat een, in zijn geest overweldigd mens, de talen van boze en­gelen spreekt.

 

De christen zal zich evenwel verre houden van elke oc­culte praktijk, die buiten Christus om, de mens in de onzienlijke wereld brengt. Op de Pinksterdag wijst Petrus de weg om aan de goede zijde van het Koninkrijk der hemelen te komen, wanneer hij zegt: 'Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen' (Hand. 2:38). Hij geeft daar ook aan, hoe de gelovige in het Konink­rijk Gods blijft, en citeert daarvoor de uitspraak van de geïnspireerde psalmist: 'Ik zag de Here te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankele' (Hand. 2:25). Wie op de hoge weg wil wandelen en in de geestelijke wereld alleen contact met God wil hebben, moet de raad van de apostel opvolgen; 'Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs' (Hebr. 12:2).

 

Wij stellen ons Jezus evenwel niet voor in het vlees, want zo kennen wij Hem niet (2 Cor. 5:16), of in de natuurlijke wereld, of door middel van een beeld, een schilderij of een plaat, want de 'Here nu (in onze tijd) is de Geest' (2 Cor. 3:17). Het woord is de openbaring en de 'uiting' van deze Geest. Wie Jezus volgen wil in de hemelse gewesten, moet Hem volgen in zijn denken en zijn woord vasthouden of bewaren. Zo alleen blijft de christen op de weg des levens.

Bij het naderen tot God maken ook wij gebruik van 'psalmen. lofzangen en geestes-liederen (in nieuwe ton­gen)', die meestal instrumentaal begeleid worden. Het gaat daarbij evenwel in de eerste plaats niet om het rit­me of de intensiteit van het geluid. maar om de gedach­ten die wij voor het aangezicht van de Heer brengen, 'want wie lof offert, eert Mij, en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien' (Ps. 50:23). Wij naderen tot God met de geïnspireerde woorden van psalmen en gezangen en onze Heer belooft dat Hij dan tot ons zal naderen en ons vervullen zal met zijn Geest (Ef. 5:18,19).

 

 

KvO 37e jaargang nummer 4, 9 maart 1973                                                           (13)

 

Tweeërlei visie

 

3. Daarom maak ik u bekend, dat niemand door de Geest Gods sprekende, zegt: Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest.

 

Met het redengevende voegwoordelijke bijwoord 'daarom' wordt de betekenis van vers 3 in verband gebracht met de geestelijke wereld, waarin de gelovigen hun plaats gaan innemen. Hoe moeten zij zich daar nu opstellen om niet opnieuw als blinden bij de hand genomen te worden door de demonen? Wanneer de gemeente de hemelse gewesten binnentreedt, welke kennis en gezindheid des harten moet zij dan bezitten? Op dat ogenblik immers zal zij zich ervan bewust moeten zijn dat de overheden, de machten, de wereldbeheersers dezer duisternis en de boze geesten haar de gang op de hoge weg door het Ko­ninkrijk Gods willen versperren.

Paulus gebruikt nu twee uitdrukkingen ten einde de ver­keerde en de juiste instelling van de christenen te type­ren. Hij schrijft: niemand die door de Geest Gods spreekt, zegt: 'anathèma Jezus', dat betekent: 'Jezus een vervloeking', en niemand kan zeggen: 'Kurios Jezus', dat is 'Jezus is Heer', dan door de Heilige Geest.

Het woord 'anathèma' betekende letterlijk 'wijgeschenk' dat ter verzoening en ter vernietiging aan de godheid prijsgegeven was. Men noemde iemand een vervloeking of banvloek, indien hij voor het algemene welzijn op­geofferd moest worden, zodat door zijn dood de vloek van land of volk afgekeerd werd. In Romeinen 9:3 zegt de apostel: 'Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees'. Zijn genegenheid tot zijn volk was zo groot, dat hij wel 'anathèma' wilde zijn.

Aan het einde van het vorige hoofdstuk werden de Co­rinthiërs bepaald bij het vieren van het avondmaal. Men moest dan herdenken hoe de Zoon des mensen eenmaal een vervloeking was. Als hogepriester had Kajafas onbe­wust geprofeteerd dat Jezus voor het ganse volk moest sterven (Joh. 11:50-52). De Heer was door zijn Vader ter wille van de ganse mensheid als zoenoffer prijsgege­ven aan de doodsmachten. Het is noodzakelijk dat een christen op gezette tijden achterom ziet en herdenkt dat Jezus voor hem een vervloeking werd, opdat hij nu als rechtvaardige, zonder besef van kwaad mag zijn. Het is zelfs noodzakelijk zich dit offer voor ogen te stellen, indien men gezondigd heeft (1 Joh. 2:1), of indien men ziek is, want 'de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden' (Jes. 53:5). Ook zal men bij het evangelisatiewerk steeds moeten getuigen dat Jezus eenmaal 'vervloekt' was, teneinde de schuld van de ganse mensheid weg te nemen.

Wie belijdt dat Jezus voor hem 'vervloekt' was, gaat in door de enge poort. Dat is genade en waarheid. Maar het is niet Gods bedoeling dat de christen hierbij blijft staan. Hij mag zich niet 'vastklemmen aan Golgotha's kruis tot de Heer komt', zoals het lied zegt. Hij moet door de poort gaan om de hoge weg te betreden die naar het doel van God voert: de volmaakte mens op de troon van God. Hij moet dus gelijkvormig worden aan het beeld des Zoons (Rom. 8:29). Hij zal moeten getui­gen: 'Maar één ding doe ik: vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus' (Filip. 3:14).

In de rooms-katholieke kerk wordt de gedachte aan 'Jezus een vervloeking' voortdurend levend gehouden door het crucifix met de lijdende Verlosser. Zelfs de 'geestelijke' leiders dragen dit symbool als onderdeel van hun gewijde kleding altijd bij zich. Wij vragen ons af of zij met dezelfde intensiteit waarmee zij de stadia van het lijden des Heren willen overpeinzen, ook bezig zijn met Hem, die met eer en heerlijkheid gekroond, bekleed is met alle macht in de hemel en op aarde, die Heer is.

 

De leer aangaande de verzoening van de zonden behoort tot de eerste beginselen, waarvan de apostel zegt dat wij voor de gevorderde christen dit onderwijs kunnen laten rusten om ons te richten op het volkomene (Hebr. 6:1). In ons hoofdstuk voert Paulus zijn lezers de geestelijke wereld binnen, waar de opgestane Meester geen vervloe­king meer is, maar Koning en Heer.

De Kurios-titel werd bij het hellenistische heidendom ook voor zijn goden gebezigd en hij werd ook opgeëist door de Romeinse keizers. In dit verband kon Paulus schrijven: 'Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde - en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte - voor ons noch­tans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus. door wie alle dingen zijn, en wij door Hem' (1 Cor. 8:5,6).

Duidelijk wijst de apostel er nu op, dat men als chris­ten bij het verkeren in de onzienlijke wereld, evenals de heidenen kan gaan dolen. Er kunnen gedachten opkomen en woorden uitgesproken worden, die wel passen bij de poort, maar niet bij een wandel op de hoge weg. Wie streeft naar de uitingen van de Geest, zal zich enkel en alleen aan de leiding van de Heilige Geest moeten toe­vertrouwen. Men moet zich dan terdege bewust zijn van diens aanwezigheid in het binnenste, juist omdat het dan op het zuiver geestelijke aankomt. Wanneer het aan rechte onderscheiding ontbreekt, zullen de boze geesten, vooral de 'vrome', hun slag slaan, en grote ver­warring veroorzaken. Wanneer daarom in de pinkster­beweging iedere inspiratie en opkomende gedachte zon­der onderscheid klakkeloos als van God komende, ge­accepteerd wordt, zal de chaos in het geestelijke leven ook volledig zijn.

In dit vers worden wij bepaald bij twee gedachtegan­gen die zich in het christendom ontwikkeld hebben. Velen belijden Jezus als de verzoener van hun zonden, dus degene die als Zoon des mensen voor hen aan het vloekhout der schande gehangen heeft. Zij zijn zich be­wust van de waarheid dat zij nu rechtvaardigen zijn door het geloof, maar de bijbel spreekt ook over een rijkdom van genade en over een volle waarheid. Een echtbreker kan na belijdenis van zonde geloven dat zijn schuld ver­geven is, maar hierdoor is hij nog geen overwinnaar op de onreine geesten die voortdurend zijn gedachteleven bezoedelen. Vele christenen moeten belijden dat zij hun zonden dagelijks meerder maken en dat zij door en door verdorven zijn. Het is dan wel duidelijk dat bij zulken de kracht en de leiding van de Heilige Geest in hen, gemist wordt.

De apostel spreekt in 2 Corinthiërs 4:4 over 'het evan­gelie der heerlijkheid van Christus'. Wie evenals Paulus zelf in de hemelse gewesten 'met de wilde dieren' (1 Cor. 15:32) moet strijden, bereikt er niets mee door te be­lijden, dat Jezus Zich eenmaal vernederd heeft en ge­hoorzaam geweest is tot de dood. De Heilige Geest had geen deel aan het lijden van Jezus, want Hij had de Heer juist verlaten.

 

Wie zich in de hemelse gewesten opstelt en daar een geestelijke overwinning wil behalen op de overheden en machten, doet dwaas om te zeggen dat hij zich daar 'dekt onder het bloed'. Men moet zich als christen im­mers altijd van zijn schuldvergiffenis bewust zijn, want anders is men geen rechtvaardige. Tijdens de strijd moe­ten wij ons opstellen in het bewust zijn, dat Jezus ­die ons gedoopt heeft met de Heilige Geest - Heer is, en dat wij overwinnen op dezelfde wijze als Hij over­wonnen heeft, namelijk met gezag, en door de kracht van deze Geest. Wanneer er staat: 'En zij hebben hem over­wonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis', zien wij deze twee waarheden sa­mengebundeld. Het 'bloed van het Lam' is de basis van de gerechtigheid en daarna volgt het geïnspireerde getuigenis dat Jezus 'Heer’ is en wij met Hem, want Hij is immers de Koning van de koningen en de Heer van de heren. Indien Hij heerser is, regeert Hij over onderdanen die ook de koninklijke waardigheid bezitten.

In Johannes 1:52 belooft de Heer aan zijn volgelingen dat zij de hemel zouden geopend zien. Wanneer dit voorrecht Johannes op Patmos ten deel valt, ziet deze apostel Jezus bekleed met een kleed dat in bloed geverfd was en achter Hem de heerscharen die in de hemel zijn, Hem volgende op witte paarden, gehuld in wit en smet­teloos fijn linnen (Openb. 19 :11-15).

 

Wanneer een jongen aangevallen wordt door een troep straatschenders, helpt het hem niet, wanneer hij zegt dat hij uit zo'n goed gezin komt; daar trekken deze wet­teloze knapen zich niets van aan. Hij moet evenwel kracht bezitten om zich te verweren. Wij weerstaan de aanvallen van de boze niet door onze gerechtigheid; integendeel, hij zal er ons te heftiger om aanvallen, daar hij onze gerechtigheid roven wil. Juist indien wij zonder schuld zijn en als kinderen van God leven, staan wij bloot aan de pressie van de demonen: Hoe heeft Jezus, de Rechtvaardige, niet tijdens zijn dagen in het vlees tot God moeten bidden en roepen? (Hebr. 5:7). Schreef de begenadigde apostel Paulus niet, ziende op zijn gees­telijke en lichamelijke verdrukkingen: 'Ik sterf elke dag'? Ja, hij moest zelfs erkennen: 'Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen' (I Cor. 15:19). Hij kende slechts de troost: 'God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt' (1 Cor. 10:13). Er is geen overwinnaar zonder strijd en in deze kamp tegen de boze geesten in de hemelse gewesten worden wij sterk.

 

Wie zich op de hoge weg begeeft, heeft een doel voor ogen. Aan het einde van de weg is de troon, waar Jezus, de Zoon des mensen, op gezeten is. Hem is gegeven alle macht in de hemel en op aarde en zijn werk is om vele zonen tot deze heerlijkheid te leiden. Hij is de eerste van vele broeders. Wie door de Geest van God spreekt en wandelt in de onzienlijke wereld, moet zich bewust zijn van zijn koningschap. Hij moet daar immers heer­schappij uitoefenen over de gehele legermacht van de vijand en niets zal hem enig kwaad kunnen doen. Op slangen en schorpioenen, beelden van de duivelse armee, zal hij de voet zetten (Luc. 10:19).

Het bedrog van de boze is dat hij ons 'wijs' wil maken dat niemand het doel van God met de mens: de heer­schappij over al de werken zijner handen, bereiken zal. Daarom houden de 'vrome' leugengeesten hardnekkig aan de ellende van de mens vast. Zij zingen wel: 'Wie heb ik nevens U omhoog?', maar in de praktijk belijden zij hun verbondenheid met het rijk der duisternis, door te zeggen dat zij niet alleen allen zondaars zijn, maar ook blijven.

De apostel Paulus stelt het dus zo: wie nu blijft staan hij Jezus als een vervloeking, is niet gedoopt met de Hei­lige Geest en spreekt ook niet door deze Geest. Niet de lijdende Jezus heeft de Heilige Geest uitgestort, maar de verheerlijkte Meester, 'want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was' (Joh. 7:39). Een van de taken van de Heilige Geest is om Jezus groot te maken, want Hij zal het uit het zijne nemen en het ons verkondigen (Joh. 16:14). Degene die gedoopt is in de Heilige Geest en wiens wandel is in de hemelse gewes­ten, ziet Jezus met eer en heerlijkheid gekroond als Ku­rios, gezeten ter rechterhand Gods, en van Hem spreekt hij (Hebr. 2:9).

 

 

KvO 37e jaargang nummer 5, 30 maart 1973                                                        (14)

 

Menigerlei talen en de vertolking

 

10. En de ander allerlei tongen, en weer een ander ver­tolking van tongen.

 

Wanneer wij willen weten wat er bedoeld wordt met 'al­lerlei tongen', kunnen wij het beste een vergelijking trek­ken met de begaafdheid van de menselijke geest om, zo­als die in het natuurlijke leven voorkomt, een zelfde ge­dachte in verschillende talen onder woorden te brengen. Er zijn mensen die zich slechts in de ene taal, die zij van hun moeder en van hun omgeving overnamen, kunnen uitdrukken. Dit betekent dan zelfs nog niet altijd de volledige beheersing van eigen dialect of eigen lands­taal.

Er zijn ook mensen die in staat zijn zich in verschillende talen meer of minder vlot uit te drukken. Sommigen heb­ben een speciaal talent om snel een vreemde taal te leren. Een selecte groep onder hen noemen wij polyglot­ten of veel talensprekers.

De Heilige Geest heeft kennis van alle talen, zowel van die van mensen als van engelen. Wij behandelden reeds dat het spreken in tongen daarin bestaat, dat een gelo­vige zijn geest afstemt op de Heilige Geest en dan de taal overneemt, die de Geest doet uitspreken: 'Zij begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken' (Hand. 2:4). Het valt dan op, dat de meeste gelovigen die in tongen spreken, tel­kens weer dezelfde taal of klankencombinaties gebrui­ken. Het elkander naspreken is daardoor niet mogelijk; men kan dit hoogstens enkele woorden volhouden. Wanneer iemand in onze eigen samenkomsten in een tong begint te spreken, horen wij daarom meestal wel aan zijn taal wie het is, ook wanneer wij de spreker niet zien. De bijbel gebruikt in dit verband het woordje 'tong' of 'taal' in het enkelvoud: 'Wie in een tong spreekt' (1 Cor. 14:2,4,13). 'Heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong' (1 Cor. 14:26). Bij andere gelovigen hoort men duidelijk dat dezen in verschillende talen kunnen spreken. Dit hangt vaak af van de geestelijke situatie waarin zij zich bevinden. Tijdens een gebed voor een Indonesische zuster gebruikten wij een geestestaal, die geheel verschilde van de tong waarin wij gewoonlijk spreken. Dit feit constateerde ook degene die meebad. Voor zover het ons bekend is, heb­ben wij hierin nooit meer gesproken, maar wel in andere talen.

 

Er zijn dus gevallen dat men van 'allerlei tongen', of van 'menigerlei talen' (St. vert.), of van 'verschillende soor­ten geestestalen' (Brouwer), of van 'veelheid van talen' (Canisiusvert.) zou kunnen spreken. Zo zegt de apostel van zichzelf: 'Als ik tot u kom en spreek in tongen' (1 Cor. 14:6). Natuurlijk kon Paulus ook slechts in één taal tegelijk spreken. Vandaar dat hij schrijft: 'Indien ik bid in een tong', en niet 'in tongen' (1 Cor. 14:14). Het is evenwel duidelijk dat hij de begaafdheid bezat om in verschillende geestestalen te spreken.

Tot de bijzondere genadegaven wordt dus ook gerekend het spreken in 'allerlei tongen'. Het spreken in één tong of in één taal is voor de christen die met de Heilige Geest gedoopt is, een vanzelfsprekende zaak, maar in 1 Corinthiërs 12:30 stelt de apostel de vraag: 'Spreken zij soms allen in tongen?' Dit speciale charisma viel dus niet alle gelovigen in Corinthe, die wel in één tong of in één taal spraken, ten deel.

Aan deze bijzondere gave van 'allerlei tongen' denkende, kon Paulus de mogelijkheid stellen: 'Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak' (1 Cor. 13:1). Deze apostel was waarschijnlijk wel een polyglot in het Koninkrijk der hemelen! Hij beschikte dan over een rijkdom aan geestestalen, die slechts sporadisch voorkwam en die ook een oorzaak voor hem zou kunnen zijn, zich hierop te midden van de broeders, die zich slechts in één taal uitten. te verheffen. We denken in dit verband ook aan 2 Corinthiërs 12 : 2, waar Paulus schrijft: 'Er moet geroemd worden; het dient wel tot niets, maar ik zal komen op gezichten en openbaringen des Heren'. Opdat hij zich niet al te zeer zou verheffen, had God toegelaten dat hij een doorn in het vlees had, namelijk een engel van satan die hem met vuisten sloeg (2 Cor. 12:7). Het lijden en de verdrukkingen tijdens zijn zendingsreizen maakten hem wel zwak en klein! Wij merken op, dat de apostel bovendien zeer vele ma­len in nieuwe tongen sprak, want hij schreef: ‘Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek' (1 Cor. 14:18).

Door de glossolalie wordt de spreker alleen zelf opge­bouwd en ook de bijzondere gave van 'menigerlei ta­len' sticht de luisteraars niet. Vandaar dat de apostel verduidelijkt dat wie profeteert, dit wil zeggen de woor­den Gods spreekt in voor de toehoorders verstaanbare volzinnen, meer is dan degene die in allerlei tongen of talen spreekt (1 Cor. 14:5).

 

Wanneer wij in een samenkomst op een bekende melo­die een Hollander, Duitser, Engelsman of Fransman, ieder een lied horen zingen in zijn eigen taal, spreken wij ook van een zingen in vreemde talen. Zo zetten wij ook 'tongen' of 'talen' in het meervoud, wanneer ver­schillende gemeenteleden ieder in hun eigen geestestaal te samen bidden, spreken of zingen. Daarom staat er: ‘De gelovigen zullen in nieuwe tongen spreken' (Marc. 16:17 en: 'Want zij hoorden hen spreken in tongen' (Hand. 10:46) en: 'Zij spraken in tongen' (Hand. 19:6). Ten slotte staat in 1 Corinthiërs 14:5: ‘Ik wilde wel dat gij allen in tongen spraakt' en in vers 23: 'In­dien dan de gehele gemeente bijeen-gekomen is en al­len in tongen spreken' en in vers 27: 'Indien er in ton­gen spreken, laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ie­der op zijn beurt'.

Dat Paulus in zijn brief aan de Corinthiërs bij het schrij­ven over het spreken in tongen zulke nauwkeurige on­derscheidingen maakte, wijst er wel op welk een belang­rijke plaats de glossolalie in de gemeenten en bij de apostel zelf, innam.

 

Nog een bijzonder charisma is de vertolking. vertaling of uitlegging van tongen in de eigen gesproken taal. Het nut hiervan verschilt niet met die der profetie. Zij is immers ook tot stichting, want 'wie profeteert is meer dan wie in tongen spreekt, tenzij hij het ook uitlegt, zodat de gemeente stichting ontvangt' (1 Cor. 14:5). Het bijzondere charisma van de velerlei talen staat ook in de gemeente beneden de profetie, behalve indien er een vertolking is. De vraag rijst: waarom geeft dan de Geest bij een vertolking eigenlijk een vreemde taal vooraf? Het antwoord kan zijn: ten einde de geestelijke oorsprong van de woorden Gods te accentueren en de ton­gen tevens als een teken voor de ongelovige toehoorders te doen zijn (1 Cor. 14:22).

Wanneer een lid van de gemeente in tongen spreekt en een ander de vertaling heeft, wordt gedemonstreerd dat het één God of één inspirator is, 'die alles in allen werkt' (1 Cor. 12:6). De vertolking is de weergave van de glossolalie in de gewone spreektaal. Daar de uitlegging van de geestestaal moeilijker is en meer geloof vereist dan het spreken in een tong, is het mogelijk dat de weergave van de inhoud korter of langer is. Men moet im­mers ook de beschikking hebben over de juiste uitdruk­king in eigen taalschat.

Wanneer een profeet zijn woorden laat voorafgaan door een gebed in een tong, behoeft de profetie geen vertolking te zijn, maar is de glossolalie hier slechts middel voor de profeet om zich zuiverder en meer ongeremd op de Heilige Geest af te stemmen. Het spreken in een tong is dan een goede 'springplank’ om zich op de geestelijke wereld te oriënteren.

 

 

KvO 37e jaargang nummer ? 11 mei 1973                                                             (15)

                                                          

Tot één lichaam gedoopt

 

12, 13. Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus: want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, het­zij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.

 

Het is van uiterst belang om de verzen die Paulus hier neerschrijft, in de context of samenhang te zien. De apostel begint hier met het voegwoord 'want', evenals hij dit deed in vers 8, waar hij de begaafdheden van de Heilige Geest verbond aan de opbouw van de gemeente in haar geheel. Hier heeft 'want' betrekking op 'een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk hij wil' in vers 11. Wij mogen deze teksten dus niet verklaren buiten het verband met de charismatische gaven. Wij zijn allen 'door' of zoals de Canisiusvertaling luidt 'in' één Geest gedoopt, die wijsheid, kennis, geloof, genezingen, krachten, profetieën. onderscheiding van geesten, allerlei tongen en vertolkingen ervan, bewerkt ten behoeve van het lichaam van Christus.

Wie de doop in de Heilige Geest accepteert, aanvaardt tegelijkertijd de gaven en uitingen die deze Geest toe­deelt. Wie uit deze teksten concludeert dat ieder kind van God gedoopt is met of in de Heilige Geest, en te­gelijkertijd de uitingen van deze Geest zoals Paulus ze hier noemt, loochent en van nul en gener waarde acht, kan onmogelijk een juiste verklaring van deze verzen ge­ven. Wel koppelt hij zijn bekrompen en vertrokken ge­dachtewereld aan de woorden van de apostel, maar verder weigert hij diens voetsporen te drukken. Door zijn vooropgestelde mening verwerpt hij de klare bedoe­ling van de schrijver, ten einde er alleen datgene uit te halen, wat in zijn kraam te pas komt.

 

De uitdrukking 'lichaam van Christus' is een vergelij­kingsbeeldspraak (een z.g. metafoor), die ontleend is aan de overeenkomst met het menselijke lichaam. Alle leden worden in stand gehouden en functioneren door één en dezelfde levensgeest. Zo is de Heilige Geest de levensgeest of 'de Geest des levens' van het lichaam van Christus (Rom. 8:2). Hoewel het menselijke lichaam buitengewoon veelvormig is en opgebouwd wordt uit vele leden, heeft het slechts één geest. Door diens kracht en wijsheid worden ieder orgaan, cel, weefsel of lid, ge­vormd en onderhouden, zoals de nagel van de vinger of van de teen, de papil aan de bovenkant van de tong, de haren in de huid, of wat voor onderdeel ook. De geest geeft aan ieder van de leden en aan ieder orgaan de specifieke vorm, kleur, eigenschap en bestemming die het nodig heeft. Iedere cel, ieder weefsel is door­drenkt met de levensgeest. Alles wat met de geest ver­bonden is, behoort ook bij het lichaam. Wat buiten zijn bereik of ervan losgeraakt is, gaat dood en valt af. Het heeft dan geen deel meer aan het lichaam, want zonder geest is ook ieder onderdeel van het lichaam dood (Jac. 2:26).

 Uitgaande van dit beeld constateert de apostel dat het lichaam van Christus ook slechts één Heilige Geest be­zit. Iedere mens wiens geest met deze Geest verbonden is, is dus een levend lid van het lichaam des Heren. De­ze gemeenschap is een criterium in de hemelse gewes­ten. Of men Jood of Griek, slaaf of vrije, man of vrouw, rijk of arm, met natuurlijke gaven wel of niet begiftigd is, maakt in de onzienlijke wereld verder niets uit. Het mystieke lichaam van Christus is opgebouwd uit leden of cellen die alle doordrenkt zijn met de Heilige Geest. In de natuurlijke wereld ontplooit de geest ieder li­chaamsdeel zo, dat er een harmonisch en geordend li­chaam ontstaat, toegerust met capaciteiten en mogelijk­heden. Zo wordt door de Heilige Geest met zijn gaven, de gemeente 'als een welsluitend geheel' tot ontwik­keling gebracht (Ef. 4:16). De apostel somde in de

voorgaande verzen een negental van de begaafdheden van dit lichaam op, maar wie meent dat dit een volle­dige lijst vormt, beperkt het werk van de Heilige Geest en doet eraan tekort. Indien de menselijke geest reeds zo'n grote verscheidenheid van capaciteiten bezit, hoe­veel te meer dan de Geest van God! De openbaring van deze begaafdheden is in de plaatselijke gemeente, die bijeengehouden 'door de dienst van al zijn geledingen', harmonieus en geordend opwast, en waarvan ieder lid afzonderlijk aan het beeld van Jezus Christus, de vol­maakte drager van de geestesgaven, gelijkvormig wordt. Uit het voorgaande volgt, dat wie geen 'deel heeft ge­kregen aan de Heilige Geest', ook geen deel heeft aan het lichaam van Christus (Hebr. 6:4).

Uit het beeld van het lichaam met de daarin werkende levensgeest leren wij, dat de doop in de Heilige Geest noodzakelijk is om tot het lichaam van Christus te be­horen. Als hoofd van dit lichaam werd de Heer zelf in de Heilige Geest gedoopt, toen na zijn waterdoop de hemelen zich openden en de (Geest Gods als een duif op Hem neerdaalde (Matth. 3:16). Jezus ontving de Heilige Geest niet bij zijn bekering of wedergeboorte, want deze ervaringen waren voor Hem niet nodig. Wan­neer daarom iemand zich bekeert en gereinigd wordt van zijn schuld en uit de duisternis overgezet wordt in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde, wil dat nog niet zeggen dat hij nu ook tot het lichaam van Christus behoort, want dit vervult een bijzondere en aparte func­tie in het Koninkrijk van God.

 

Vele christenen menen dat zij bij de bekering automa­tisch de Heilige Geest ontvangen hebben. Het is één ding wanneer aan een mens genade bewezen wordt door de vergiffenis van zijn zonden, maar het is een andere zaak of de Vader en de Zoon door de Heilige Geest wo­ning in hem gemaakt hebben. Dit laatste is rijkdom van genade. De vraag kan ook nu nog gesteld worden: 'Hebt gij de Heilige Geest ontvangen. toen gij tot het geloof kwaamt?' (Hand. 19:2). Daarom sprak Petrus: 'Be­keert en een ieder late zich (als gelovige) dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zon­den, en gij zult (daarna) de gave des Heiligen Geestes ontvangen' (Hand. 2:38). Van de Samaritanen wordt meegedeeld, dat zij ná hun gelovig aanvaarden van Je­zus en ná hun doop in water pas de Heilige Geest ont­vingen (Hand. 8:16,17). Hetzelfde gold voor de twaalf discipelen van Johannes de Doper in Handelingen 19:1-7.

In Romeinen 8:9 wordt gezegd: ‘Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe'. Zo'n christen behoort dus niet tot het lichaam van Christus. Het is daarom geen wonder dat zulke mensen gewoonlijk spreken over 'de bruidsgemeente' en hiermee het begrip 'vrouw des Lams' negeren. Zij erkennen dus dat zij geen gemeenschap met Jezus Christus hebben, want het begrip 'bruid' sluit uit, dat reeds gemeenschap heeft plaatsgevonden. Als gemeente zijn wij evenwel 'geroepen tot gemeenschap met de Zoon' (1 Cor. 1:9). Er is dus iets dat Hem en ons verbindt, zoals een man met zijn vrouw verbonden is. Deze verbinding komt tot stand door de Heilige Geest die in ons woont en die gemeenschap heeft met onze menselijke geest, zoals er staat: 'Die zich aan de Here hecht, is één geest met Hem' (1 Cor. 6:17) De naam ‘bruidsgemeente’ drukt dus wel de geestelijke armoede uit van de huidige chris­tenheid, die altijd nog maar wachten moet om in zijn ontferming als vrouw te worden aangenomen.

 

De Heilige Geest ontvangen wij na de bekering door ons geloof op het gebed, dus door een bewuste gericht­heid zoals er staat: ‘Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen. hoe­veel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?' (Luc. 11:13). Wanneer christenen zich niet verlangend uitstrekken naar de doop in de Heilige Geest, staan zij op hetzelfde niveau als de oudtestamentische rechtvaardigen. Daarom vragen zoveel opwekkingspredikers: 'Here, schenk ons bidders als Daniël, of profeten zoals Elia en Johannes de Doper', terwijl zij toch konden weten dat de minste in het Koninkrijk der hemelen, dus die deel heeft aan de Heilige Geest, groter is dan welke godsman ook uit het oude verbond.

 

Te midden van de burgers van een land vormt het par­lement een apart lichaam met een regerende functie. Zo ontvangt het lichaam van Christus een besturende taak met haar Hoofd, Jezus Christus. De gemeente is be­stemd om plaats te nemen in de troon van God en met Jezus te heersen over alles wat God geschapen heeft. De Heer sprak tot zijn apostel: 'Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon' (Openb. 3:21). Jezus overwon het duivelenleger door het gebruik van de woorden Gods en door middel van de geestelijke gaven. In het geestelijke Israël vormt het lichaam des Heren 'een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap' (2 Petr. 2:9). Wie meent klein voor God te moeten zijn, 'ja, niets te zijn!' en gaarne een 'deurmatje', mist de koninklijke kracht van de Heilige Geest. Ook hierin erkent de zogenaamde 'ne­derige' christen dat hij niet gedoopt is met de Heilige Geest. Hij mist het besef dat de Vader en de Zoon beiden woning in hem gemaakt hebben.

Vele kinderen van God zingen schone liederen over het hemelse Jeruzalem. Zij houden zich bezig met 'de heilige stad', zoals Abraham dit ook deed, want deze oudtestamentische rechtvaardige 'verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is' (Hebr. 11:10). Al de liederenbundels die samengesteld werden door een vorige generatie, missen dan ook de verzen, die de heerlijkheid van de tempel Gods bezingen. Ook in de psalmen wordt veelvuldig de schoonheid vermeld van het Jeruzalem, de welgebouwde stad Gods, maar over het heiligdom binnen haar wallen, wordt ­slechts sporadisch gerept, want dit was bijvoorbeeld ten tijde van David nog niet gebouwd; het kon dus bij profeet nog geen beeld vormen voor de nieuwe bedeling. Waar men geen oog heeft voor de vorming van een hemelse tempel, is het tragische dat men de tempel van het nieuwe verbond weer situeert op aarde te midden van het natuurlijk en vleselijke Israël en dan maar weer opnieuw wacht en uitziet naar het ogenblik, dat de omstandigheden zo zijn dat aan de bouw begonnen kan worden.

 

God is de bouwer van het hemelse Jeruzalem, maar Je­zus formeert de tempel. Hij is dan ook de Doper met de Heilige Geest. Dit is zijn speciale opdracht. Om tot de tempel te behoren, moet men een 'levende steen' zijn, die zich bewust laat 'gebruiken tot de bouw van een geestelijk huis, om een heilige priesterschap te vormen, tot het brengen van een geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus' (1 Petr. 2:5). In het nieuwe Jeruzalem vormt het lichaam des He­ren het stadsbestuur tot heil en heerlijkheid van al zijn inwoners.

 

De uitdrukking van Petrus 'laat u gebruiken' wijst er duidelijk op dat dit de bestemming is voor iedere gelo­vige in het nieuwe verbond, die gerechtvaardigd is door het bloed van Jezus Christus. Wij moeten dus met be­slistheid de keuze maken om te jagen naar Gods doel. Bovendien hebben wij de opdracht om allen die op aarde ingegaan zijn in het hemelse Jeruzalem, dit 'evan­gelie der heerlijkheid van Christus' te prediken. (2 Cor. 4:4). De Heer wil ons gebruiken om door middel van het woord velen uit kerken, kringen en gemeenschappen in aanraking te brengen met deze rijkdom van genade, met deze volle waarheid. Dan mogen ook zij zich laten invoegen, gedoopt met de Heilige Geest, als levende stenen in de tempel Gods, die zich in het hemelse Jeru­zalem bevindt. Dan zijn ook zij door de Geest tot één lichaam gedoopt en met één Geest gedrenkt.

In Openbaring 21:22.23 lezen wij van de heilige stad: ‘En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam’. Midden in deze geestelijke stad ‘van zuiver goud, gelijk zuiver glas’ woont God in zijn geestelijk huis. Dit wordt gevormd door de gemeente van Jezus Christus, die hier ‘de heerlijkheid Gods’ genoemd wordt, zoals het Lam als drager van het licht, de lamp is.

 

Als gelovigen willen wij in dit laatste der dagen, nu de spade regen gevallen is, door de Geest gevormd worden tot geestelijke mensen. Ook willen wij radicaal het evangelie van Jezus Christus, dat van het Koninkrijk der hemelen, belijden. Het stuit onder de vleselijk gezinde christenen op veel verzet, maar wij gaan door, want het opent nieuwe en heerlijke perspectieven voor allen die de mogelijkheid zien van het overwinnende Woord in de eindtijd. Dan wordt ook door middel van het gebruik der geestelijke gaven op grond van de woorden Gods, het doel bereikt: ‘Opdat de mens Gods volkomen zij, tot al­le goed werk volkomen toegerust’ (2 Tim. 3:16).

 

 

KvO 37e jaargang nummer ? 1 juni 1973                                                              (16)

 

'Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak. maar had de liefde niet, ik ware schal­lend koper of een schetterende cimbaal' (1 Cor. 13:1)

 

 Wanneer wij de verklaringen aangaande het spreken in tongen voortzetten, zijn wij ons terdege bewust, dat wij de deur van de natuurlijke wereld achter ons moeten sluiten, ten einde geheel bezig te zijn in de geestelijke wereld. Het is bijvoorbeeld veel gemakkelijker kant­tekeningen te schrijven bij de Jacobusbrief, dan door te dringen in het wezen van de glossolalie, en het nut van deze gave voor de christen aan te tonen. De gedachten van deze broeder des Heren kunnen wij immers toetsen aan het leven van de christenen in de zichtbare wereld. We zullen enkele voorbeelden noemen.

Jacobus zegt onder andere dat het geloof pas volkomen wordt uit de werken, dat wil zeggen, men ziet in de zichtbare wereld de uitwerking van het (op zichzelf on­zichtbare) geloof.

Verder lezen we over lofzingen, met olie zalven, en der­gelijke. Ook negatieve zaken komen aan de orde, zoals laster, aanzien des persoons, dood geloof, enzovoort. Hoewel het ene punt duidelijker aan de dag treedt dan het andere, kunnen we dergelijke zaken begrijpen en beredeneren, want we zien ze in het leven van de chris­tenen van alledag.

Het spreken in tongen evenwel behoort tot een totaal andere dimensie; het gaat buiten het gewone verstand om, zowel van degene die het beoefent als van degene die het hoort.

De apostel Paulus was iemand met veel inzicht in de geestelijke wereld. Dat blijkt wel als hij hier, vanuit zijn eigen rijke ervaring, de glossolalie niet alleen asso­cieert met menselijke talen, maar ook met die van de engelenwereld. Steeds weer verbazen we ons over de grote kennis en het diepe inzicht van deze apostel in het Koninkrijk Gods.

De engelen, wat voor wezens zijn dat eigenlijk? In He­breeën 1:14 staat, dat de engelen allen tot de geesten­wereld behoren. Nu heeft een geest geen lichaam, dus ook geen spraakorgaan om klanken voort re brengen. Jezus sprak ten aanzien van dit verschil tussen mens en engel, alsook met betrekking tot zijn eigen verheerlijkt lichaam: 'Ziet mijn handen en voeten, dat Ik het ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet dat Ik heb' (Luc. 24:39).

Ook van God zegt Jezus dat Hij geest is: God kan wel gedachten in ons leggen, maar Hij heeft de tong van de profeten nodig om ze verstaanbaar te maken. We laten verder buiten beschouwing dat God door een wonder, dus door een bijzonder ingrijpen, een enkele maal rechtstreeks met menselijke stem hoorbaar uit de onzienlijke wereld sprak, terwijl dit soms voor buiten­staanders als het geluid van een donderslag klonk. Zo hoorde Saulus de stem van Jezus op weg naar Damas­cus, terwijl zij die met hem waren, de stem wel hoorden, maar niet verstonden. Het spreken van engelen onder­ling kan derhalve alleen maar door rechtstreekse over­dracht van gedachten. Dát engelen onderling ook com­municatie hebben, blijkt uit Judas 9, waar staat dat Michaël, de aartsengel, in een twistgesprek gewikkeld was met de boze.

 

Een dergelijke vorm van woordeloze communicatie ken­nen mensen soms ook wel, wanneer ze een nauwe, gees­telijke gemeenschap met elkaar hebben. Ze begrijpen elkaar, verstaan elkanders gedachten, zonder dat zij spre­ken, We denken hier ook aan de christenen die voor hun rechters moesten verschijnen; dan schaarden hun ge­loofsgenoten zich zoveel mogelijk om hen heen, ten einde door hun aanwezigheid, de broeders en zusters moed in te 'spreken'. De gedachteoverbrenging of de telepathie zoals deze in de wereld beoefend wordt, is echter te veroordelen, omdat de ene menselijke geest daarbij de andere gaat overheersen. De sterke geest geeft dan opdrachten die de zwakkere geest moet vol­voeren. God wil dit 'amusement' niet, want in de gees­telijke wereld stelt Hij alle mensen ten opzichte van elkander gelijk en voor Christenen geldt het: 'Gij zijt allen broeders'. Zelfs van de oudsten zegt de Schrift dat zij geen heerschappij mogen voeren over de kudde. Wij mogen alleen heersen over, de boze geesten in de hemel­se gewesten.

 

De engelen nu denken in woorden en zinnen, evenals de mensen dit doen. Zij hebben daarvoor hun eigen taal die door de Heilige Geest verstaan en dan overge­bracht wordt op de menselijke geest die deze engelen­taal vertolkt met tong en mond. De boze geesten daar­entegen brengen hun gedachten rechtstreeks over op de mens en deze spreekt dan hun onheilige leugentaal. Heilige engelen evenwel volvoeren het woord van God en luisteren naar de 'klank' van zijn woord (Ps. 103:20). Slechts in bijzondere gevallen worden dezen gebruikt om met mensen te spreken. Dan lezen wij dat zij hen benaderen in een droom of in een visioen, dus in feite van buitenaf. Het boek Openbaring geeft hiervan vele voorbeelden, maar men vindt deze ook in Jesaja, in Da­niël en in de Handelingen der apostelen. Paulus gaat van de mogelijkheid uit, dat men door middel van de glossolalie niet alleen de talen kan spre­ken die de mensen gebruiken, maar ook die waarmee de engelen communiceren. Aangezien de goede engelen allen dienende geesten zijn van de kinderen Gods en zij dus te maken hebben met de denkwerelden en talen der verschillende volken, hebben zij het vermogen zich aan te passen bij de geestelijke statuur van de mens onder wie zij gesteld zijn. Zo is er ook bij hen verschei­denheid in 'spraak'.

De Heilige Geest kent niet alleen de talen der mensen, maar ook die der heilige engelen. Hij draagt deze enge­lentaal over op de christen, in wie Hij woont. Deze ver­tolkt de taal der engelen dan in klanken, die overeen­komen met de gedachtewereld der engelen. De mens kent de inhoud ervan niet, want zijn verstand is ook nu weer 'onvruchtbaar'. De klanken die hij uitspreekt, stijgen op tot God. De glossolalie is dus niet een voort­brengen van louter dierlijke en ongearticuleerde gelui­den, maar de klanken hebben inhoud en zin, want deze zijn dragers van gedachten, ook al begrijpt de mens die niet. De hoorder, God, verstaat ze echter wél, 'want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimenissen' (1 Cor. 14:2). Op deze wijze brengt de christen een lofoffer, namelijk de vrucht van zijn lippen. De tongenspreker ervaart hierbij het klimaat kan het Koninkrijk Gods en die van de reine engelen­wereld. Zo wordt ook zijn geest opgetrokken tot Gods troon.

Ten slotte wijst de apostel erop dat bij het gebruik van de glossolalie deze gave gepaard moet gaan met de liefde. Allereerst de liefde tot God. Men spreekt immers niet

tot mensen en richt zich niet tot zichzelf, maar tot de hemelse Vader. Deze liefde betekent evenwel ook de po­sitieve gerichtheid ten opzichte van de medegelovige. Wanneer iemand in de gemeente in tongen spreekt, zal hij ook rekening moeten houden met zijn broeders en zusters, want zij moeten ook stichting ontvangen.

Het rinkelende bekken en de schetterende cimbaal ge­ven uitdrukking aan het ongevoelige en koude klimaat dat een tongenspreker verspreidt, wanneer hij in een ge­meentesamenkomst alleen zichzelf bezig is te stichten, daar hij zich niet voegt in het harmonische verband met zijn broeders en zusters. Hiermee veroordeelt Paulus het spreken in tongen niet, maar hij accentueert dat ook de begaafdste tongenspreker naar de eis der liefde moet uitmunten tot opbouw van het gehele lichaam van Christus. Ook schept de apostel geen valse tegenstellin­gen. zoals men wel hoort: 'Jullie zoeken het spreken in tongen en wij jagen naar de liefde'.

Het spreken in veelheid van geestestalen is een belang­rijke gave die door het geloof verkregen wordt, maar ook deze behoort ingezet te worden om door de liefde te werken. Het spreken in tongen heeft zijn eigen plaats in de gemeente, maar dan moet ook de gehele gemeente opgebouwd worden. Wij komen daarom tot de volgen­de Paulinische opmerking:

 

Allen spreken in tongen

 

'Indien dan de gehele gemeente bijeengekomen is en allen in tongen spreken, en er komen toehoorders of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen, dat gij war­taal spreekt?' (1 Cor. 14:23).

 

Van welke veronderstelling gaat de apostel nu uit? Het antwoord is: de gehele gemeente spreekt in tongen! De vertaling van Brouwer luidt: 'Wanneer dan de ganse gemeente te samen is gekomen, en allen met geestes­talen spreken, en onbegenadigden en ongelovigen komen binnen, zullen zij niet zeggen dat gij waanzinnig zijt?' Wordt hiermee het te samen spreken in tongen in de gemeente nu veroordeeld? Wanneer er in de volle-evan­geliegemeenten, waartoe wij behoren en waar ook vrij­wel alle leden in tongen spreken, te samen in tongen gebeden of gezongen wordt, is dit dan toegestaan? Het antwoord luidt: ja, want ieder sticht dan zichzelf en wij worden met elkander opgebouwd. Wanneer allen in tongen spreken, worden ook allen gezegend. Daarom spreken of zingen wij ook gezamenlijk in vreemde talen. Maar als er dan buitenstaanders komen of ongelovigen? Het antwoord is: dezen horen tijdens de dienst vele hon­derden woorden in het Nederlands en zij mogen zelfs de geestesliederen meezingen in hun eigen taal, zodat

zij niets tekort komen. In de paar minuten dat wij in tongen spreken of zingen, kunnen zij, wanneer zij een goede instelling hebben, onze geestelijke eenheid in Christus ervaren. Maar als zij misschien zeggen dat wij 'uitzinnig' zijn, niet goed bij het verstand? Dit is voor ons niet belangrijk: wij richten ons immers, geïnspireerd door de Heilige Geest, eenparig tot God! Zij bevinden zich als gasten in de samenkomst van een volle-evangeliegemeente, de kerk van Jezus Christus. In dit op­zicht nemen wij een voorbeeld aan de eerste gemeente op de Pinksterdag. Ook daar spraken allen in vreemde talen en ook daar waren buitenstaanders en ongelovigen, die dit alles maar zeer vreemd vonden. Dezen zeiden spottend: 'Zij hebben te veel zoete wijn gehad!' Er wa­ren evenwel anderen, die 'buiten zichzelf van verwon­dering zeiden: wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. Ook wij hebben dit zelf meegemaakt, toen bijvoorbeeld iemand in het Italiaans God begon te loven en te prijzen. Een zendeling die in Italië werkt, kon hem heel goed volgen.

 

Wanneer in een dienst met zieken gebeden wordt, wan­neer demonen bestraft en uitgeworpen worden, zal er misschien ook verzet komen van 'toehoorders en onge­lovigen', maar dit mag nooit de reden worden dat wij onze diensten gaan wijzigen ter wille van hen die geen inzicht in de hemelse zaken hebben. Wij zullen het spreken in tongen niet belemmeren, maar dit integen­deel stimuleren, want wij verlangen ernaar dat allen in tongen spreken (1 Cor. 14:39.5). De oprechte kinderen Gods die deze gave nog missen, zullen er dan naar gaan ijveren, want het geloven is ook hier uit het horen. Dit charisma is immers een teken voor de ongelovigen en bepaalt hen bij de boven-natuurlijke werking van de Hei­lige Geest in het midden van de gemeente. Dit kan hen tot nadenken brengen en hun gedachten richten op de hoge weg.

Wanneer enkele honderden mensen tijdens een samen­komst van de gemeente met opgeheven handen in talen van mensen en engelen God de lof toebrengen, doen zij iets dat volkomen overeenstemt met het bijbelse pa­troon en gebeurt er iets in de hemelse gewesten, en de gehele gemeente wordt opgebouwd.

Duidelijk ook is de tegenstelling tussen Babel en Pink­steren. Oorspronkelijk waren er geen vreemde talen, want 'de gehele aarde nu was één van taal en één van spraak' (Gen. 11:1). Wij weten evenwel dat deze een­heid in dienst kwam van de demonen. Men bouwde zelfs een tempeltoren, een 'zikkurat', die als een op­gerichte ladder ten hemel zou voeren. Babel betekent 'poort Gods' en men zocht naar een 'poort des hemels' (Gen. 28:17) ten einde contact te krijgen met de geesten door middel van het occultisme. Dit was het begin van hun streven, om langs de weg van de onzienlijke we­reld der duisternis, het onmogelijke, mogelijk te doen zijn. God verbrak dit eenheidsstreven en scheidde de volken. Door de eenheid van taal was er de mogelijkheid dat een geestelijk kwaad gemakkelijk kon doorwerken. Na de spraakverwarring bracht de taalbarrière een ver­hindering, want de dwaalleringen en occulte zonden worden geblokkeerd door de taalgrenzen. De eenheid van denken werd in Babel verbroken en ieder volk en iedere natie begon eigen afgoden te dienen, en hun godsdien­sten stonden meestal vijandig tegenover elkander.

Stel nu in onze tijd een gemeente voor, waar allen in vreemde talen spreken. De plaatselijke gemeente is dan beeld van de ene ware kerk van Jezus Christus over de gehele aarde. Daar kan worden gebeden en gezongen in talen van volken die de Heer nog niet kennen en in wier spraak nog nimmer de ware God geloofd en geprezen werd. Dit gebeurt dan in een volle evangelie gemeente waarvan de leden in de natuurlijke wereld vaak alleen hun moedertaal spreken. Zij loven God, bidden en strij­den onder andere in talen van volken die zij niet ken­nen, maar uit wie God Zich óók een gemeente wil ver­zamelen. Daarbij komt nog de taal van de engelen­wereld. De stad Gods heeft immers in zich de vertegen­woordigers van alle volken, maar binnen haar poorten wonen ook de heilige engelen (Openb. 21:12).

 

De onderscheiden talen verbreken de eenheid van de gemeente niet, maar alle leden weten dat dit spreken en zingen geïnspireerd wordt door dezelfde Geest en allen zijn met die ene Geest gedrenkt. Het is één Geest die alles in allen werkt! Ook op deze wijze wordt ver­vuld: 'Opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemels gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, naar het eeuwig voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd' (Ef. 3:10).

 

Een stem van vele wateren

 

'En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderdvierenveertig-duizend, op wier voor­hoofden zijn naam en de naam zijns Vaders geschreven stonden. En ik hoorde een stem uit de hemel als de Stem van vele wateren en als de stem van zware donder ... en zij zongen een nieuw gezang vóór de troon ... en niemand kon het gezang leren dan de honderdvieren­veertigduizend, de losgekochten van de aarde' (Openb. 14:1-3).

 

In de dagen van het verblijf van onze Heer op aarde waren er veel schriftonderzoekers die oprecht God wil­den dienen en toch sprak Jezus in verband met de wedergeboorte tot een van hen: 'Gij zijt de leraar Israëls en deze dingen verstaat gij niet?' Wie in het ontwik­kelingsproces van het Koninkrijk Gods bij de tijd wil blijven, zal de Geest voortdurend gelegenheid moeten geven om zijn denken te vernieuwen. In onze tijd zouden wij aan vele rechtzinnige leraars in verband met de doop in de Heilige Geest en her spreken in tongen, kunnen vragen: 'Hoe komt het toch dat jullie deze dingen niet begrijpen? Waarom geloven jullie niet alles wat de apos­telen en profeten geleerd hebben?'

In 1 Corinthiërs 14:15 schreef Paulus: 'Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand'. Bij zijn gebeden en lofzangen met de geest bewoog de apostel zich op een terrein waar zijn natuurlijk verstand hem in de steek liet. Wanneer een gehele gemeente in tongen bidt of zingt, doet zij dit krachtens het geloof aan het woord van God: de glos­solalie behoort tot de leer der apostelen. Zij maakt deel uit van 'een heil dat allereerst verkondigd is door de Heer, en door hen die het gehoord hebben, op betrouw­bare wijze ons is overgeleverd, terwijl ook God daaraan getuigenis geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil' (Hebr. 2:3,4).

 

In Openbaring 14 schildert Johannes de voltooiing van de ware kerk die het beeld van de Zoon gelijkvormig geworden is. Met het Lam staan haar leden op de top van de berg Sion. In het nieuwe verbond zijn bergen beeld van geestelijke machten, en de Sion is symbool van de Heilige Geest. Deze berg is volgens Jesaja 2:2 in de laatste dagen verheven boven de hoogste der ber­gen. Een hogere 'berg' bestaat er niet en het is het voorrecht van de gemeente in de eindtijd om zijn top re bereiken. Al haar leden hebben op hun voorhoofden de naam van de Vader en die van de Zoon geschreven; dit betekent dat de godheid woning in hen gemaakt heeft, zoals de Heer sprak: 'Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen' (Joh. 14:23).

De voltooide gemeente die gereed staat om in een punt des tijds van de aarde weggenomen te worden, zingt een lied dat in geen enkele zangbundel voorkwam of voor zal komen. Het zingen met de geest kan men immers niet leren, maar het is een begaafdheid van de inwonen­de Heilige Geest. Als het geruis van talrijke wateren en het daveren van geweldige donder klinkt de hymne van de losgekochten der aarde, dit wil zeggen van hen wier wandel tijdens hun verblijf op aarde, geheel in de hemel is. Hun lichamelijke transfiguratie is nu nabij en voor het laatst zingen zij een lied met de geest zoals Paulus dit deed en ook wij dit weer doen. De stem van vele wateren ziet hier op de menigerlei geestestalen die representatief zijn voor vele volken (vergelijk Openb. 7:9 en 17:15).

 

Neen, het bidden en het zingen met de geest zijn niet zinloos, maar zij behoren tot een hemelse dimensie, die men met schoolse wijsheid niet bevatten kan. Wat Johannes in visioenen zag en hoorde, zal vervuld worden en iedere ware gemeente zal ernaar jagen de top van de berg Sion te bereiken en de voorspelde heerlijkheid te realiseren.

 

 

KvO 37e jaargang nummer ?, 22 juni 1973                                                          (17)

 

Het einde van de glossolalie

 

Tongen. zij zullen verstommen' (1 Cor. 13:8)

 

In het dertiende hoofdstuk van de eerste Corinthebrief schrijft Paulus over een gedeeltelijk kennen en over een volmaakt kennen, over het verdwijnen van het onvol­komene om plaats te maken voor het volkomene. De bouw van het huis Gods zal door middel van de geeste­lijke begaafdheden voltooid worden. De apostel spreekt hier over een rijpingsproces dat eindigt, wanneer wij Hem zullen zien, gelijk Hij is (1 Joh. 3:2). Zo spreekt de brief aan de Efeziërs van de mannelijke rijpheid. Zo lang wij nog onvoldoende inzicht in de geestelijke din­gen hebben, is ons profeteren nog onvolkomen, dit wil zeggen dat wij de gedachten van God nog niet haar­scherp kunnen weergeven.

Er staat in dit hoofdstuk: ‘Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen' of 'aanschouwen in een spiegel een raadselachtig beeld' (vert. Brouwer). Zoals men in een spiegel het beeld ziet van de werkelijkheid, maar in feite niet de werkelijkheid zelf, zo heeft de Heer in beel­den of gelijkenissen gesproken over datgene wat in de onzienlijke wereld is. Deze beelden moeten wij nog trachten te begrijpen en met onze geest transponeren in een hogere dimensie, ten einde zo inzicht te krijgen in het Koninkrijk der hemelen. Als het volmaakte gekomen is, hebben wij evenwel geen vergelijkingen meer nodig, want dan bezitten wij het vermogen om ook de gees­telijke wereld rechtstreeks te aanschouwen. Er is dus nu nog een tekort aan zuivere kennis of inzicht.

Natuurlijk bedoelt Paulus niet dat wij nu geen kennis meer behoeven te verzamelen, of dat onze kennis van generlei waarde is, als hij zegt: 'Kennis, zij zal afgedaan hebben'. Hij bedoelt hier het onvolmaakte en gedeelte­lijke kennen, dat plaats zal maken voor het volkomen kennen, want 'dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben'. De profetieën die betrekking hebben op het herstel aller dingen, zijn dan vervuld en hebben 'afgedaan'. Ook het spreken in menigerlei talen zal dan ophouden. De glossolalie is immers spreken in bestaan­de talen maar het feit van de verscheidenheid hiervan is een gevolg van de zonde, zoals uit Genesis 11 blijkt. De talen waren nodig om een barricade op te werpen tegen de doorwerking van het kwaad. De volkomen gemeente, die geheel één is en onbevlekt, wordt ook verlost van de taalbarrière die de geesten scheidt. De kinderen Gods zullen weer als vóór de torenbouw van Babel, één van taal en spraak zijn, want ze zijn voor eeuwig onafschei­delijk met God verbonden. Ze zijn de goddelijke natuur volmaakt deelachtig en zullen dan ook één zijn met Gods gedachten en de taal van hun Vader overnemen, zoals een klein kind dit doet van zijn moeder. Nu is het nog zó. dat de Heilige Geest door hun mond talen van men­sen en engelen verklankt, maar dan zullen zij de gedach­ten van hun hemelse Vader door middel van de Heilige Geest in de eigen taal van God kunnen overnemen en verklanken.

Wanneer de apostel schrijft: 'Spreekt iemand, laten het woorden zijn als God' (1 Petr. 4: 11) is dit ten dele, want wij kennen zijn gedachten slechts onvolkomen en bovendien is het voor ons moeilijk zijn gedachten in onze eigen taal uit te drukken. Onze woorden schieten hierin tekort en ze zijn te weinig genuanceerd. Het is immers ook moeilijk om een technisch boek om te zetten in de taal der Papoea's, daar dezen voor verschillende zaken en begrippen geen woorden hebben. Wat hebben de bijbelvertalers al geen moeite om de gedachten die in Gods Woord vervat zijn, uit te drukken in de talen en dialecten der primitieve volken en hoe geven de ver­schillende vertalingen in onze eigen spraak al blijk, dat de overzetters moeten worstelen om een juiste weer­gave van de oorspronkelijke tekst te verkrijgen.

De taal van God die wij zullen spreken 'als het vol­maakte komt', heeft voor iedere gedachte van Hem het juiste woord en de eigen verklanking. Het was voor Adam mogelijk ieder dier naar zijn wezen te kennen en een naam te geven naar zijn aard. Deze kennis van Adam en zijn taal betroffen alleen de zienlijke wereld. De woorden die in de hof van Eden werden uitgesproken, waren onvoldoende om de hemelse zaken aan te duiden. Vandaar dat wij nu nog bij het spreken over de onzien­lijke wereld gebruik moeten maken van beelden. De volmaakt geestelijke mens zal zowel de onzienlijke als de zienlijke wereld naar haar wezen kennen, en woorden bezitten om die kennis uit te drukken. Dan zal deze volkomen en rijk gevarieerde taal, de talen van mensen en engelen vervangen in de tijd dat God zal zijn 'alles in allen'. Wij spreken nu nog in beelden: van God die op de 'troon' zit, wiens 'ogen' de ganse aarde over gaan en van de gemeente als een 'tempel', als een 'lichaam', als een 'stad', als een 'leger' en als een 'tuin'. De gees­telijke werkelijkheid kunnen wij evenwel niet weergeven. Het is natuurlijk dwaas om uit de tekst 'tongen, zij zullen verstommen' af te leiden, dat in onze tijd deze charismatische gave niet meer zou functioneren, maar dat zij slechts bedoeld zou zijn voor de tijd vlak na de Pinksterdag, toen de Heilige Geest werd uitgestort. Onze gedeeltelijke kennis heeft immers ook nog niet afge­daan, zomin als de profetieën geen waarde meer zou­den hebben. Integendeel, de apostel zegt dat wij de pro­fetieën niet zullen verachten en dat wij acht zullen geven op de godsspraken in het Oude en in het Nieuwe Testa­ment, want zij zijn als lampen die in duistere plaatsen schijnen (1 Thess. 5 :19 en 2 Petr. 1:19). Tot in onze tijd spreekt God door zijn knechten de profeten. Zo zullen de tongen eerst dan verstommen, als het volmaak­te gekomen is.

 

Ontmoeting met God

 

'Jaagt de liefde na en streeft naar de gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren. Want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij ge­heimenissen' (1 Cor. 14:1,2).

 

'Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf (1 Cor. 14:4). Er is 'een weg die nog veel verder omhoog voert'. Met deze woorden eindigt de apostel het twaalfde hoofdstuk van deze brief. Wie omhoog wil trekken om de berg Sion te bestijgen, zal dit moeten doen gelijk de Meester. Deze bezat grote liefde en volmaakte, geestelijke be­gaafdheden. De liefde is de positieve gezindheid ten opzichte van God en de naaste en zij geeft de richting aan van het gebruik der geestelijke gaven. Geloof, hoop en liefde zijn blijvende geestelijke waarden, omdat zij alle drie bindende factoren zijn. Geloof verbindt de mens met 'de dingen die men niet ziet', dus met de onzienlijke wereld; de hoop verbindt de christen met de beloften van God, en de liefde legt het verband tussen het wezen van God en de medemens.

Liefde zonder gaven is evenwel krachteloos. Dit blijkt al in het natuurlijke leven. Wanneer een man zijn vrouw en kinderen liefheeft, zal hij ook begaafdheden moeten bezitten om zijn geliefden te kunnen onderhouden en te helpen. Jezus had de Vader lief, maar door zijn gaven kon Hij ook de werken Gods doen. Hij had de mensen lief, maar Hij kon ze ook bijstaan, hen genezen, be­vrijden en vertroosten door de kracht van de Heilige Geest in Hem. En zoals de Meester was, behoren ook wij te zijn. De gaven dienen dus tot heil van de naaste, zoals: de wijsheid, het spreken met kennis, de gave van genezingen, de profetie, die van het dienen, onderwijzen, vermanen, meedelen, leiding geven, enzovoort. Omdat wij Jezus liefhebben, gebruiken wij de gave die Hij ons gegeven heeft, in zijn naam en in zijn dienst.

 

Merk op dat Paulus de gave van het profeteren de be­langrijkste vindt voor de gemeente. Profeteren is im­mers door inspiratie de gedachten van God uitspreken tot stichting, vermaning en bemoediging, dus tot op­bouw van de geestelijke mens en zo tot opbouw van de gehele tempel Gods. De Heer is de bouwer en Hij geeft de aanwijzingen door de mond van de profeten. Mozes sprak al: ‘Och, ware het gehele volk des Heren profeten, doordat de Here zijn Geest op hen gave! (Num. 11:29). Welk een rijke verscheidenheid zou er dan in de samen­komst van de gemeente zijn, wanneer er telkens twee of drie het woord voerden (1 Cor. 14:29) en God door zo­veel arbeiders zijn instructies kwijt kon. Het ijveren naar de gave der profetie is evenwel nog een streven naar het onvolkomen profeteren, zoals Paulus in hoofdstuk 13:9 opmerkte. Dit onvolkomene is evenwel nodig om het volkomene te bereiken. Hoe meer waarachtige pro­feten er in een gemeente zijn en van hoe meer zijden de waarheid benaderd wordt, des te meer komt het vol­komene in zicht.

 

De glossolalie onderscheidt zich van het profeteren, doordat zij alleen de spreker sticht en dus niet dient tot opbouw van de gemeente. Buiten beschouwing valt na­tuurlijk het tegelijkertijd spreken in tongen door de gehele gemeente, zoals wij eerder bespraken. Maar de op­bouw van zichzelf is ook niet verwerpelijk, integendeel: hij is absoluut noodzakelijk. Zo zegt Judas: 'Maar gij. geliefden, bewaart uzelf in de liefde Gods, door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof en door te bidden in de Heilige Geest' (Jud. 20). Hierdoor wordt men immers een geestelijk mens, die de weg van de vleselijke gezindheid weigert te gaan, maar die in staat is in liefde tot God door deze begaafdheid 'de weg om­hoog' te gaan en vanuit deze situatie 'alle dingen gees­telijk te beoordelen' (1 Cor. 2:14,15).

Duidelijk onderstreept de apostel in onze tekst het ge­bruik van alle charismatische gaven in het midden van de gemeente. Alle moeten tot ontwikkeling gebracht worden, want er moet naar gestreefd worden. Zij ont­plooien zich niet vanzelf, zomin als de natuurlijke be­gaafdheden dit automatisch en zonder inspanning doen. Men moet ermee bezig zijn, erover nadenken, opmerk­zaam zijn of zich een gelegenheid voordoet zich in een gave te oefenen, opdat allereerst de gemeente, maar ook eigen leven opgebouwd wordt.

De apostel geeft hier geen wazige aanduidingen of op­wekkingen om 'maar dicht bij de Heer te leven', of 'zijn al op het altaar te leggen'. Hij vervalt niet in dromerijen die onbereikbaar zijn voor het gewone gemeentelid dat een volle dagtaak heeft in de natuurlijke wereld. Deze behoeft geen conferentieoorden te bezoeken om opnieuw opgeladen te worden, hij behoeft niet deel te nemen aan nachtbidstonden die zijn slaap roven en hem ongeschikt maken voor zijn normale bezigheden. Neen, het evan­gelie van Jezus Christus is voor de grote massa, en zijn juk is zacht en zijn last is licht. Men kan bij Hem kopen zonder geld en zonder 'de prijs ervoor te betalen'. Wie zichzelf stichten wil, dichter bij God wil leven, de hoge weg wil gaan, moet in tongen bidden. Dit kan hij overal doen en onder elke omstandigheid, wanneer hij geen creatieve bezigheden heeft die ook zijn geestelijke inzet vragen. De huisvrouw kan dit doen bij de afwas en de man tijdens zijn gang naar het werk, tussen het publiek en op vakantie.

 

Wie in een geestestaal spreekt, richt zich niet tot men­sen, maar tot God. Welk een rijkdom ligt er in deze mogelijkheid verborgen. God is geest en wij kunnen Hem ons niet voorstellen, zomin als wij van onze eigen geest een beeld kunnen vormen. Ons natuurlijk denken belet ons vaak om zeker te zijn dat wij in ons gebed werkelijk contact hebben met de Vader in de hemelen. Ons verstand en ons gevoel zijn hiervoor geen steun­punten. Nu zegt evenwel de apostel: wil je tot God nade­ren en direct gemeenschap met Hem hebben, begin in tongen te bidden, want dit is een verheven weg. Ook zegt deze godsman: 'Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek' (1 Cor. 14:18). Paulus had over deze verborgen omgang met God veel nagedacht. Hij kende de mogelijkheden van de glossolalie. Hij be­oefende haar meer dan enig ander christen, omdat hij een ingewijde was in het 'geheimenis' van het Koninkrijk der hemelen, 'dat van eeuwen her verborgen was geble­ven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden. naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd' (Ef. 3:9-11).

 

U bevindt zich in een spannende situatie en ziet geen uitkomst meer; begin dan in tongen te bidden. De machten vallen heftig op u aan; gebruik deze gave. Is er reden tot vreugde; jubel het uit in tongentaal, want uw loflied wordt door God gehoord. Wilt u zich losmaken van de zaken die u obsederen, benauwen of tot zonde verleiden; maak u los van de wereld en nader tot God door middel van de glossolalie.

 

Jezus sprak: 'De gelovigen zullen in nieuwe tongen spreken'. Paulus geloofde en sprak veel op deze wijze en ook wij willen zijn navolgers zijn. Paulus was een autoriteit in de glossolalie. Hij sprak met kennis van zaken, want hij begreep wat het was om 'door de Geest geheimenissen uit te spreken'. Hij sprak zelfs zovele malen in tongen (en bovendien nog in menigerlei talen), dat hij wist dat niemand hem hierin voorbijgestreefd was. Het gebruik van deze gave heeft groot nut en verandert de mens; het brengt hem in de geestelijke wereld in de onmiddellijke nabijheid van God. Mogen ongeestelijke christenen deze bijzondere gave verachten, misschien bespotten, wees ervan verzekerd: wie in ton­gen bidt, spreekt tot God. In de profetie spreekt God tot de mens, in de glossolalie spreekt de mens tot God. De belofte is: 'Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen' (Jac. 4:8).

 

 

No virus found in this incoming message.
Checked by AVG - http://www.avg.com 
Version: 8.0.138 / Virus Database: 270.5.12/1594 - Release Date: 5-8-2008 21:49