KvO 28e jaargang nummer 9, 6 november 1964

J.E.van den Brink

 

 

 

           HET KONINKRIJK DER HEMELEN

 

 

Met grote blijdschap schrijven wij enkele artikelen over een wereld, die in de laatste jaren zo duidelijk aan ons geopenbaard werd. De Here Jezus sprak over de geheime­nissen van het Koninkrijk der hemelen en dat het ons ge­geven is deze te leren kennen. Door de arbeid in het Beukensteinteam zagen wij ook de realiteit van de geestelijke wereld. Wij kunnen getuigen dat de boodschap van het volle evangelie ons steeds liever wordt, naarmate wij ook praktisch meer indringen in de hemelse gewesten. Wij bid­den dat de lezer dezelfde vreugde ervaren mag. Wij willen leven in de wereld, waarin onze Heiland zich bewoog. Hij was van boven en wandelde en werkte in de hemelse ge­westen. Zijn wonderen en tekenen hier op aarde waren er het resultaat van. Wij danken de Vader in de hemel dat onze ogen voor dit heil geopend werden en dat wij reeds jaren lang mogen werken met mannen en vrouwen, die ook willen wandelen in de voetsporen van Jezus. Wij hebben dezelfde geestelijke strijd en wij verheugen ons erin één van hart en één van zin met hen te mogen staan vóór de Zoon des mensen en tegenover de machten der duisternis die het menselijk leven verwoesten.

 

Hemel en aarde

 

"In den beginne schiep God den hemel en de aarde."

Deze eerste tekst in de bijbel toont ons het bestaan van twee werelden: een onzichtbare, hemelse en een zintuiglijk waarneembare, aardse. Voor vele christenen is de hemel een verlengstuk van de aarde. Men beschouwt het Gods rijk als een luxe editie van de aarde. Met de delfstoffen uit de aarde bouwt men zich gouden straten en paarlen poorten in een hemelstad met weelderige paleizen, over­vloedige plantengroei en bloemengeur. De bijbel spreekt echter van de hemel als van de onzienlijke wereld en van de aarde als van de zichtbare en tastbare schepping. De dingen die wij niet zien, zijn geestelijk en eeuwig en de dingen die wij zien zijn tijdelijk en stoffelijk. De hemel is de geestelijke schepping met onstoffelijke bewoners, de engelen en de duivelen. Wie zich met deze geestelijke wereld bezig houdt, jaagt naar het blijvende. Wie zich alleen concentreert op het stoffelijke en vleselijke, grijpt naar het voorbijgaande.

 

In de hemelse gewesten is een "onoverkomelijke kloof' tussen licht en duisternis, tussen wat uit God en wat uit de duivel is (Luc. 16:26). In het Koninkrijk der hemelen is een rijk Gods en er is een koninkrijk van satan (Matth. 12:26). Er is een Here der heerscharen die de heilige engelen beveelt en er is sprake van Beëlzebul, de overste der boze geesten.

 

Deze onzichtbare, geestelijke en eeuwige wereld werd vóór de zichtbare, stoffelijke en tijdelijke wereld gescha­pen. Tot Job sprak de Here God: "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Terwijl al de morgensterren tezamen juichten en al de zonen Gods jubelden?" (38:4,7). De hemelse gewesten zijn bevolkt met ontelbare wezens, want "door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de adem zijns monds al hun heer." Het is ook niet mogelijk de onzienlijke wereld en de zienlijke onder één noemer te brengen. "De hemelen zijn hoger dan de aarde" (Jes. 55:9). Geen aardse maten zijn daarom voldoende om beide scheppingen te vergelijken. De hemelen zijn van een andere orde. Zij behoren tot een andere sfeer en een andere wezensvorm dan de aarde. Wanneer er dan ook verder staat dat ook Gods gedachten hoger zijn dan onze gedachten, wijst de profeet erop dat God rekening houdt met de eeuwige en onzienlijke wereld en wij slechts met de tijdelijke en zichtbare dingen. “De mens ziet aan wat voor ogen is."

 

Als kinderen Gods hebben wij de opdracht de dingen te zoeken die van boven zijn en niet die op de aarde zijn. Door zijn natuurlijke leven is de mens met de zienlijke wereld verbonden, maar hij heeft ook een geest. Daarmede is hij in de onzienlijke wereld. Zoals in de hemelen een kloof is tussen licht en duisternis, zo is er ook een schei· ding tussen de kinderen Gods en de kinderen van deze wereld. De eersten zijn wedergeboren en overgezet in de hemelse gewesten. Ze zijn geestelijke mensen onder leiding van de Heilige Geest. De laatsten zijn van de aarde en onderworpen aan de wereldgeesten. Naar de natuurlijke mens zijn wij allen op de aarde, maar de geestelijke mens is " van boven" en heeft zijn wandel in de hemelen (Efeze 2:6 en Philipp. 3:20). Wij zijn overgezet uit de duis­ternis in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde (Coll. 1:13). Daarom gaat een kind van God bij zijn sterven niet naar de hemel, maar hij wordt dan onttrokken aan de zienlijke wereld en blijft geestelijk in het Koninkrijk Gods, waarin hij op deze aarde reeds binnenging en wan­delde.

 

Wij willen op deze aarde het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid zoeken en ons niet laten afleiden door aardse beslommeringen als zorgen over eten, drinken, voedsel of behuizing. Wij weten dat bij het zoeken naar dit geestelijke, onzichtbare Koninkrijk de belofte geschonken is, dat de stoffelijke dingen toegeworpen worden. Onze hemelse Vader weet dat wij deze dingen nodig hebben tot onderhoud van het aarde bestaan. Hij is ook niet karig, maar wil dat zijn kinderen in dit opzicht onbezorgd kunnen leven.

 

Verschil tussen het oude en het nieuwe verbond

 

Velen denken dat het nieuwe verbond een voortzetting is van het oude. Zo min echter de hemel een luxe editie is van de aarde, zomin is het nieuwe verbond een verbeterde uitgave van het oude. Het oude verbond staat tot het nieuwe als de aarde tot de hemel. In het eerste verbond was het door de besnijdenis zintuiglijk waarneembaar dat men er deel aan had, maar in het nieuwe verbond beslist de besnijdenis van het hart (Coll. 2:12). Het oude verbond was schaduwen het nieuwe is werkelijkheid. Het oude was tijdelijk en vergankelijk en het nieuwe is eeuwig en blijvend. Het oude culmineerde in een tempeldienst, waarin een hogepriester met het bloed van stieren en bokken tijdelijke verzoening aanbracht. In de nieuwe bedéling is sprake van een hemelse Hogepriester, Die met zijn eigen bloed (leven) een eeuwige verzoening verwierf door één volmaakte offerande in het hemelse heiligdom. In het oude verbond was natuurlijke afstamming beslissend, maar in het nieuwe de onzichtbare, geestelijke geboorte. In het oude verbond besneed men de kinderen van het aardse volk Israël en in het nieuwe doopt men de kinderen Gods, het geestelijke Israël "die niet uit bloed, noch uit den wil des vlezes, noch uit den wil eens mans, doch uit God geboren zijn" (Joh. 1:13).

 

In het oude verbond had men de wet van de Sinaï met zijn geboden en inzettingen. Deze waren alle tijdelijk. Maar in het nieuwe verbond is sprake van "de wet van den Geest des levens, die ons vrij gemaakt heeft van de (Sinaïtische) wet der zonde en des doods" (Rom. 8:2). In de oude bedéling schreef de Here de wet op stenen tafelen, maar in de nieuwe in het verstand en in het hart. In het oude verbond klonk het: "Gij zult niet doodslaan." In het nieuwe vervalt een ieder die in toorn leeft tegen zijn broe­der, aan het gerecht (Matth. 5:22). Toorn en wrevel lig­gen in de onzichtbare, geestelijke wereld. De aardse rechter kan een mens er niet voor straffen. Wie vrij is van toorn en wrevel, zal echter ook niemand doden. Daarom maakt de wet van de Geest ons vrij van de wet van de Sinaï.

 

Sabbat in het oude en in het nieuwe verbond

 

In het oude verbond was het volk verplicht een aardse rustdag te houden. Dit was een inzetting voor de zienlijke wereld. Men hield op met zijn aardse bezigheden. In het nieuwe verbond houdt de mens op met zijn werken in de onzichtbare, geestelijke wereld. "Wij gaan tot de (sabbats)rust in, wij die tot het geloof gekomen zijn" (Hebr. 4:3). Zoals God rust van zijn werken door in de nieuwe schep­ping alles over te geven aan zijn Zoon, Jezus Christus, zo rusten ook wij van al onze inspanningen door te vertrou­wen dat Jezus het in ons doen zal door zijn Geest. Voor de heiliging van geest, ziel en lichaam geldt het: "Die u roept, is getrouw; Hij zal het doen!" (1 Thess. 5:23,24). Wie gelooft dat Jezus de levensproblemen alle oplost, is in zijn rust gegaan. Daarom vieren wij geen Oudtesta­mentische sabbat, zoals de adventisten, maar wij hebben de zondag als een blijde feestdag. Wanneer er in de familie­kring een groot feest is, nemen wij allen een dag vakantie. Zo doen wij dit ook op de zondag, niet uit dwang, maar om met elkander vrolijk te zijn voor Gods aangezicht in de samenkomst der gemeente. De adventisten trachten de Oudtestamentische sabbat wat opgepoetst in het nieuwe ver­bond te plaatsen. Hun rust is afhankelijk van de scheur­kalender en de agenda. Maar de bijbel stelt de wet van de Sinaï voor ons buiten werking: "Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor ver­ouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart is niet ver van verdwijning" (Hebr. 8:13). Laat het dan ook ver­dwijnen. Juist de zevende-dagsadventisten breken de sab­bat, want zij willen nog iets doen om de gerechtigheid te verwerven. Bovendien worden zij ver-ont-rust door haar­kloverijen over wat men doen of laten moet op de sabbat. Mag men op zaterdag een brief posten of niet? Mag de huisvrouw dan eten koken of niet? Zo leven zij bij de schaduwen niet bij de werkelijkheid. Zij sluiten zichzelf buiten het Koninkrijk der hemelen. "Laat dan niemand ons blijven oordelen op het stuk van de sabbat, dingen die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moet, terwijl de werkelijkheid van Christus is" (Coll. 2:16). Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen!

 

Natuurlijk en geestelijk

 

Het oude verbond was ingesteld op de natuurlijke mens, maar het nieuwe richt zich op de geestelijke. In het eerste domineerde het tastbare, maar in het laatste zullen de ware aanbidders God aanbidden in geest en waarheid. Slechts de kennis van de geestelijke, hemelse dingen leert ons wat de werkelijkheid is. Wij willen dit door enkele voorbeelden verduidelijken.

 

Bij de val in het Paradijs is sprake van een listige slang, die door zijn spreken de mens verleidde. Deze slang ont­ving de vloek: "Op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft." Verder inzicht in het wezen der zonde kon het oude verbond niet geven. Het bleef stilstaan bij de uiterlijke dingen. "Zolang gij leeft" wees op het tijdelijke. In het nieuwe verbond is sprake van de waarheid en het wezen. De verleider is "de draak, de oude slang, dat is de duivel en satan." In het licht van het nieuwe verbond zouden wij kunnen zeggen dat de slang in het Paradijs be­zeten was, zoals de zwijnen van Gadara, waarin het legioen demonen gevaren was.

 

In het oude verbond werd duidelijk getoond dat alle afgoderij de Here een gruwel is. Maar nergens wordt mede­gedeeld waarom. Wie de Here diende, deed als Gideon, die het altaar van Baäl afbrak en de gewijde paal die erbij stond, omhieuw. In het nieuwe verbond wordt de waar­heid openbaar vanuit de geestelijke wereld. Een afgod is niets, maar het offeren eraan betekent gemeenschap heb­ben met de demonen. En God wil niet dat wij in gemeen­schap komen met de boze geesten (1 Cor. 10:20,21).

 

Ook is in het Oude Testament geen sprake van het Koninkrijk der hemelen of het Koninkrijk Gods, hoewel natuurlijk heen gewezen wordt naar een toekomende tijd, waarin de heiligen des Allerhoogsten het koningschap zou­den ontvangen (Dan. 7:22). Hoewel zij ernaar zochten, was dit onzichtbare koninkrijk een afgesloten terrein voor de gelovigen in het oude verbond. Zij beleden dat zij vreem­delingen en bijwoners waren op aarde. Zij zochten de stad Gods met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Zij zochten het nieuwe, onzienlijke, gees­telijke Jeruzalem. Maar "in dat geloof zijn deze allen ge­storven zonder de belofte verkregen te hebben" (Hebr. 11:13-16). Mozes moest het volk voorhouden: "De verborgen (on­zienlijke) dingen zijn voor den Here, onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd" (Deut. 29:29). In het nieuwe verbond evenwel spreekt de apostel: "Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten (diepste gedachten) Gods". En hij voegt er jube­lend achter: "Wij hebben deze Geest ontvangen" (1 Cor. 2:10-12). De mens in het oude verbond kon de geeste­lijke dingen niet verstaan en doorgronden. Wij denken bijvoorbeeld aan de lange redeneringen van Job en zijn vrienden. Dit inzicht was weg-gelegd voor de geestelijke mens van het nieuwe verbond.

 

Het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen

 

Het evangelie van Marcus vangt aan met de woorden: "Begin van het evangelie van Jezus Christus." Bij het op­treden van Jezus "was de tijd vervuld en het Koninkrijk Gods nabij gekomen." Dan komt niet in de eerste plaats de aarde in beweging, maar de onzienlijke wereld. Bij zijn geboorte gaan reeds de engelen vooraf. Ogenblikkelijk tast Jezus het wezen van alle kwaad en ziekte aan en toont Hij ons de bron van alle ongerechtigheid. De demonen geraken in paniek en roepen het uit: "Zijt gij gekomen om ons te verdelgen? En allen werden zeer verbaasd, zodat zij elkan­der vroegen, zeggende: Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag! Ook de onreine geesten geeft Hij bevelen en zij ge­hoorzamen Hem" (Marc. 1:23-28).

 

De wonderen en tekenen die Jezus deed, geschiedden alle vanuit de onzichtbare, hemelse gewesten. Daar werden de boze geesten verdreven en vandaar kwam de kracht tot genezing van zieken. Hij streed niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, de machten en de onreine gees­ten in de onzienlijke wereld. Iedere bevrijding, verlossing en genezing was hiervan het gevolg. Petrus getuigde in het huis van Cornelius: "Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door den duivel overweldigd waren; want God was met Hem" (Hand. 10:38). De Heiland getuigde van zichzelf: "Ik drijf boze geesten uit en vol­breng genezingen, heden en morgen en op den derden dag ben Ik gereed" (Luc. 13:32). "En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondig­de het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en kwaal" (Matth. 9:35). Nergens in het Oude Testament worden de zieken de handen opgelegd en de demonen uitgedreven. Daar was geen evangelie voor hen die door de duivel overweldigd waren, evenmin als in een christendom van de voorbijgegane eeuwen. Maria van Magdala, Johanna de vrouw van Chuzas, de rentmeester van Herodes en Su­zanna en vele andere vrouwen konden Jezus alleen volgen, omdat zijn leer gepaard ging met gezag over de onreine geesten. Nooit zou de bezetene van Gadara evangelist ge­worden zijn, als hem niet het evangelie van het Koninkrijk met kracht verkondigd was.

Zo bracht Jezus het Koninkrijk der hemelen nabij. Voor zijn heengaan sprak Hij tot de discipelen: "Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk mijn Vader het mij beschikt heeft" (Luc. 22:29). Wie in Hem geloofde zou de werken doen, die Hij deed en zelfs nog grotere (Joh. 14:12). Voortaan moesten zij uitgaan om dit evangelie te verkondigen met kracht van tekenen en wonderen, beginnende bij Jeruzalem en Judea, te Samaria en tot aan de einden der aarde. Dit hebben de discipelen dan ook gedaan. Philippus in Sama­ria, Paulus onder de heidenen en ook de andere apostelen zijn rondgereisd, predikende het evangelie des Koninkrijks: "Om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad, door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes" (Rom. 15:19). Paulus voegde er nog aan toe: "Zo heb ik de prediking van het evangelie van Christus volbracht." Wat in Marcus het begin genoemd werd, zetten zij voort (Hand. 1:1). Het evangelie van Christus is het evangelie van het Koninkrijk. "En dit evan­gelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden en dan zal het einde gekomen zijn!" (Matth. 24:14). Daarom is de minste in het Koninkrijk der hemelen meer­der dan Johannes, dan Mozes, dan Elia (Matth. 11:11).

 

 

KvO 28e jaargang nummer 10, 20 november 1964                                                (II)

J.E.van den Brink

 

 

HET KONINKRIJK DER HEMELEN    

 

In zijn boek "Sterven ... en dan?" schrijft ds B. Telder over de hemelverwachting van Gods kinderen. Hij neemt als mottotekst Psalm 115:16: "De hemel is de hemel van den Here, maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen gegeven." Wanneer hij het begrip hemel omschrijft, merkt hij op: "En behalve van de wolkenhemel en de sterrenhemel is in de bijbel nog sprake van de derde hemel, de hemel der hemelen, waar de Here zijn troon heeft gevestigd. Daar zijn ook de hemelse heerscharen, de tienduizend maal tien­duizenden en duizend maal duizenden van heilige engelen. Deze hemel der hemelen kan God den Oneindige niet bevatten (1 Kon. 8:27) en wordt desondanks bij uitnemend­heid genoemd de vaste plaats zijner woning. Hierheen is Christus opgevaren "in de hoogte" en hierin is Paulus eenmaal in geestverrukking opgetrokken geweest. Die hemel is dan ook volgens de Schrift niet maar een zalige toestand, maar een bepaalde plaats in de geschapen wereld, waar­omtrent wij ons verder geen voorstelling kunnen vormen."

 

De drie hemelen

 

Voor ds Telder is er een wolkenhemel, een sterrenhemel en vervolgens nog een hemel der hemelen, de derde hemel. Deze laatste zou dan de plaats zijn waar God woont. Deze onderscheiding vindt geen grond in Gods Woord. Wij ge­loven dan ook niet dat deze voorstelling de juiste is. De onzienlijke wereld wordt op deze wijze in het verlengde van de zienlijke gebracht en zou daarom ons voorstellingsver­mogen te boven gaan. Wij vragen ons ook af waar Gods troon was, voordat de wereld geschapen was. God is alom­tegenwoordig. Hij woont niet alleen in de hemel, maar ook is de aarde de voetbank zijner voeten. "Steeg ik ten hemel - Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde  Gij zijt er." (Ps. 139:8) Wanneer in het oude verbond opgemerkt wordt dat God troont op de lofzangen van zijn volk, betekent dit niet anders dan dat ons hart een tempel is van de levende God. Immers hieruit komt de lof en prijs voort van Gods volk.

 

De vorige maal merkten wij op dat het Oude Testament zich tot het Nieuwe Testament verhoudt als de aarde tot de hemel of als het tastbare tot het onstoffelijke. Het Oude Testament is de schaduw van de werkelijkheid. God werkt juist andersom als de mens. Deze maakt eerst een maquette van een groot bouwwerk en dan komt de werkelijkheid. God maakte eerst het blijvende en eeuwige, de onzienlijke wereld, en dan geeft Hij daar een beeld van in de natuurlijke wereld. Wij kunnen de stoffelijke wereld niet op één lijn stellen met de onstoffelijke. De geestelijke wereld is van een hoger plan dan de natuurlijke. Wanneer een kunstenaar een prachtig schilderij vervaardigt, heeft hij er eerst in de geest een voorstelling van gehad. In zijn fantasie ziet hij de dingen die hij tot uitdrukking brengen wil. Het stoffelijke schilderij staat wel in verband met de geestelijke voorstelling, maar behoort toch tot een geheel andere dimensie. Bij de schep­ping wordt medegedeeld: "God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht." De dag en de nacht be­horen tot de zichtbare wereld en tot het voorbijgaande. Als in het nieuwe verbond het Koninkrijk der hemelen naar de aarde komt, lezen wij, dat het waarachtige licht komende was in de wereld. God noemde het licht dag en noemde de duisternis nacht, omdat zij beelden waren van de geestelijke werkelijkheid en opdat wij uit het zienlijke het onzienlijke zouden kunnen verstaan. Zo ook noemde de Here God het uitspansel hemel. Deze hemel was een beeld van de werke­lijkheid, maar niet de werkelijkheid zelf. Zoals het uitspansel "bevolkt" is door ontelbare sterren in groepen en stelsels, zo geven zij een beeld van de werkelijke hemel, bevolkt met zijn tienduizenden engelen in hun rangen, groeperingen en sterkte. Wanneer wij waarachtig geestelijke mensen geworden zijn, zullen ook wij onze plaats innemen in de hemelse ge­westen en blinken als de sterren des hemels. "De verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos." (Dan. 12:3) De hemelse heerscharen zijn niet op een bepaalde plaats, zoals ds Telder beweert, maar deze heilige engelen Gods zijn allen uitgezonden ten dienste van degenen die de zaligheid beërven. Zij omringen ons in de onzienlijke wereld.

 

De mottotekst van ds Telder "De hemel is van den Here, maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen gegeven" geldt voor de mens in het oude verbond. Het is een Oudtestamentische voorstelling, maar in het nieuwe verbond is het Koninkrijk der hemelen over ons gekomen. Het nieuwe verbond leert duidelijk dat de hemel voor ons is. Bij de wedergeboorte wordt de mens "van boven" geboren, zoals er letterlijk in Johannes 3:3 staat. Hij wordt in de on­zienlijke wereld geboren. Vandaar dat de zichtbare besnijdenis van het oude verbond vervangen werd door de onzienlijke besnijdenis des harten. "Wij zijn nu burgers van een rijk in de hemelen." (Philip. 3:20) Wij hebben er onze wandel. Paulus schrijft niet, dat de aarde aan ons gegeven is "maar waartoe laat gij u, alsof gij in de wereld leefdet, geboden opleggen" (Col. 2:20). "Bedenkt de dingen die boven zijn (van de onzienlijke wereld), niet die op de aarde zijn." (Col. 3:2) Onze gehele strijd en overwinning ligt in deze onzienlijke wereld. (Eph. 6:12) Wij moeten weer de weg van Jezus bewandelen. Hij was "van boven en niet van deze aarde." Ook wij moeten ons bewust zijn, dat God "ons mede opgewekt heeft en ons mede een plaats gegeven heeft in de hemelse gewesten, in Christus Jezus." (Eph. 2:6) Dit is het geheimenis of de verborgenheid van het Koninkrijk der hemelen. Vandaar dat wij door middel van de Heilige Geest en zijn gaven de kracht en de toerusting ontvangen voor deze onzienlijke wereld. De uitingen des Geestes die Paulus in 1 Corinthe 12:4-11 noemt, liggen alle op dit terrein.

 

Voor ons is de eerste hemel die van het Oude Testament: het uitspansel met de sterrenhemel. De tweede hemel zijn de hemelse gewesten, het Koninkrijk der hemelen, waarin licht en duisternis gevonden worden. De derde hemel is de vernieuwde hemel, waarin evenals op de vernieuwde aarde, alleen gerechtigheid woont. "Daar zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node." (Openb. 22:5)

 

Er staat dat Jezus, de Zoon van God, alle hemelen is doorgegaan. Dit betekent dat Hij door de dood onttrokken aan de zichtbare wereld, in de geestelijke wereld gegaan is door licht en duisternis. In het Koninkrijk des lichts bracht Hij zijn leven als offer op het hemelse altaar. In het rijk der duisternis heeft Hij de satan onttroond en de sleutels van dood en dodenrijk in ontvangst genomen. Daarna is Hij ook in de zichtbare wereld ten hemel gevaren, ten aanschouwen van al zijn discipelen. Dit laatste was het beeld dat Hij in de onzichtbare wereld zijn plaats op de troon van God ging innemen als de eerste van de nieuwe schepping.

 

De doodslaap

 

Zoals in de oude bedeling het aardse Jeruzalem in het beloofde land lag, zo ligt de stad Gods, het nieuwe Jeru­zalem in de onzienlijke, hemelse gewesten. Volgens de Hebreeënschrijver zijn wij genaderd tot deze berg Sion, waarop de stad van de levende God ligt. Zij is de heilige stad, de bruid en de vrouw des Lams. (Hebr. 12:23 en Openb. 21:9) Dit is geen ontvolkte stad, maar wie binnen haar muren gekomen is, wordt er niet meer uit verbannen, ook niet bij het sterven. Wij zijn burgers van deze stad. Velen denken dat zij bij hun dood deze stad zullen binnen­gaan, maar deze gedachte vindt geen steun in de bijbel. "De onverwelkelijke erfenis die in den hemel voor ons is weggelegd" ontvangen wij nu reeds door het geloof. Anders en duidelijker gezegd, wij gaan niet bij ons sterven naar de hemel, maar wij zijn in deze onzienlijke wereld gekomen door onze wedergeboorte.

 

In de bijbel wordt op verschillende plaatsen de toestand van de mens na het sterven vergeleken bij de slaap. Wanneer wij dit beeld even vasthouden merken wij op dat in de slaap­toestand het lichaam ophoudt bewust te werken. Slaap is het ophouden van arbeidsperioden. De innerlijke mens wordt aan de wereld rondom hem onttrokken. Hij kan denken, angst hebben, examen doen, ontmoetingen hebben, maar alles gaat buiten zijn lichaam om. Slechts sterke bewogenheid en krachtige prikkels kunnen de normale slaap verstoren, zodat geest en ziel het contact met het lichaam gedeeltelijk weer opnemen. Dan gaat het lichaam zich bewegen en wij spreken van een onrustige slaap. Ook bij het sterven komt er scheiding tussen het lichaam enerzijds en de ziel met de geest anderzijds. Oral Roberts gebruikte in een van zijn toespraken het beeld van een hand, die in een handschoen gestoken was. De handschoen verbeeldt het lichaam, waarin de inwendige mens leeft. Wanneer de hand eruit getrokken wordt, valt het omhulsel vormeloos ineen. De innerlijke mens blijft waar hij zich bevindt, namelijk in de onzienlijke wereld. Bij het sterven verliest de mens dus het contact met de materiële, stoffelijke wereld, maar hij leeft voort. De zielen die onder het altaar zijn, kunnen in de geestelijke wereld geen verbinding krijgen met mensen, maar zij kunnen roepen tot God die geest is. (Openb. 6:9) De geest des mensen kan niet uitgeschakeld worden. Hij slaapt niet. Van God, die geest is, wordt gezegd: "De Hoeder Israëls slaapt noch sluimert." Ook de engelen en duivelen kennen geen rustperioden. Van allen kan gezegd worden: "Zij hadden dag noch nacht rust." (Openb. 4:8) "De engelen zien altijd." (Matth. 18:10)

 

Het is ook opmerkelijk dat alle bewijzen voor een on­bewuste toestand van de mens na de dood uit het Oude Testament genomen zijn. De sterkste voorstanders van de zogenaamde zielenslaap vindt men onder hen, die het Oude Testament als maatgevend nemen. Dat de zevende-dags­adventisten de sabbat der Joden houden en de zielenslaap leren, is niet toevallig. Zij missen de blik op het Koninkrijk der hemelen. Zij zien niet het ontzaglijke verschil tussen schaduw en werkelijkheid. Wanneer de Prediker in het vierde hoofdstuk zegt: "Het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen", dan is dit de wijsheid van de mens onder de zon. Wat wist de mens in het oude verbond van het geheim van het Koninkrijk der hemelen? Wat van een erfenis in de hemelen? Wat van een burgerschap in de stad Gods? Jezus sprak tot zijn discipelen: "Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen' te kennen, maar hun is dat niet gegeven," (Matth. 13:11) Dit geheimenis was alle eeuwen verborgen gebleven in God, de Schepper van alle dingen, ook de onzienlijke. Opdat thans in de nieuwe bedeling door middel van de gemeente aan de overheden er. de machten in de hemelse gewesten de veel­kleurige wijsheid Gods bekend zou worden. (Eph. 3:9 en 10) Wanneer de Prediker mededeelt dat de doden nimmer deel hebben aan iets dat onder de zon geschiedt, is dit waar.

"Maar Paulus deelde ons mede, dat wij overgezet zijn in de  hemelse gewesten, in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde. Weliswaar hebben wij bij het sterven geen deel meer aan de zichtbare wereld, maar wij houden wel terdege deel aan het leven in het Koninkrijk Gods.

 

De dood onttroont

 

Voor de doden die in de Here ontslapen, geldt de uit­drukking van het Hooglied: "Ik sliep, maar mijn hart waakte." Wie in Jezus gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. (Joh. 11:26) Wanneer dan wel de uitwendige mens ver­gaat, zal de inwendige mens eeuwig voortleven. Jezus heeft de dood teniet gedaan (2 Tim. 1:10 St. Vert.). Of zoals de Engelse Bijbel zo opmerkelijk zegt: "Hij heeft de dood afgeschaft." "Opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven." (1 Thess. 5:10) De belofte van onze Heer is, dat de poorten van het dodenrijk zijn gemeente niet zullen overweldigen. De poorten of de toegang van het dodenrijk is het sterven. Jezus nu heeft de sleutels van dood en dodenrijk. Voor Gods kinderen geldt, dat de duivel het geweld des doods had en niet meer heeft. De duivel is onttroond. (Hebr. 2:14) Jezus stelt vast wan­neer wij onze voleinding bereikt hebben. Jezus en zijn heilige engelen kennen ons als behorende tot degenen "die in­geschreven zijn in de hemelen" en Hij zal ons ook de plaats wijzen, die wij in mogen nemen tussen "de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben", dus die ook ontslapen zijn. (Hebr. 12:23) Wij worden daar door hen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. (Luc. 16:9)

 

Wij zijn eenmaal gestorven naar de geest en wederom ge­boren. Daarom zullen wij de dood niet meer aanschouwen in der eeuwigheid. Wij zullen hem voorzeker niet smaken. (Joh. 8:51 en 52) Daarom betekent sterven voor ons: "ontbonden worden en met Christus zijn." (Phil. 1:23 St. Vert.) Sterven is promotie maken, want het brengt ons gewin.

 

Het Paradijs Gods

 

Het was Paulus eenmaal vergund een blik te werpen in het hemelse Paradijs, waarvan het aardse een schaduw was. Hier zag de apostel het uiteindelijke doel van Gods ge­dachten met de mens. Het was een nieuwe hemel die corres­ponderen zou met een nieuwe aarde, waar geen duisternis en geen werken der duisternis meer waren, maar waar God alles in allen is. Hier zag hij het voltooide lichaam van Christus (de gemeente) zijn door God bedoelde plaats in­nemen en de taak verrichten die God voor haar had weg­gelegd. Deze voltooide werkelijkheid was zo heerlijk, dat geen aardse woorden haar beschrijven konden. (2 Cor. 12:1-10) Is het wonder dat Paulus heen wijzende naar de openbaring van het geheimenis dat hij ontvangen had, schrijft: "Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus." (Eph.3:3 en 4) Ook Johannes zag door openbaring dezelfde dingen en hij gaf ze weer in beelden. Hij zag het Paradijs liggen midden in de heilige stad, want daar zag hij het geboomte des levens. (Openb. 2:7 en 22:2) In deze onzichtbare wereld konden zij slechts binnentreden met de innerlijke mens. Zij zagen en hoorden ook met de inner­lijke mens. Hun lichaam was uitgeschakeld: "Of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet." Zeker is dat wat hij gehoord en gezien had een krachtige stimulans was om verder te prediken en zich bewust te zijn van de zekerheid der dingen, waarvan hij sprak. Bij de opstanding zal het nieuwe Jeruzalem en het Paradijs Gods nederdalen uit de hemel naar de aarde. Dan zal het onzienlijke weer zienlijk worden en de inwendige mens met een geestelijk lichaam bekleed zijn, opdat hemelen aarde verenigd zul­len zijn.

 

 

KvO, 28e jaargang nummer 11, 4 december 1964                                                  (III)

J.E.van den Brink                                                                        

 

 

HET KONINKRIJK DER HEMELEN          

 

“Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen." (Mattheüs 16:19)

 

De apostel onzer belijdenis

 

Ontegenzeggelijk nemen de apostelen een bijzondere plaats in tussen degenen die geroepen zijn om het evangelie van Jezus Christus op aarde te verkondigen. In verschillende richtingen en groeperingen heeft men onder de geestelijke functionarissen weer mensen die men apostelen noemt. De roomse kerk erkent de paus als apostel in de plaats van Petrus. Er zijn apostolischen die wij als onze broeders erken­nen en hersteld-apostolischen die zeer moeilijk als christenen te aanvaarden zijn. Ook in kleinere bewegingen merkt men bij nadere bestudering van hun leer plotseling, dat een of andere broeder als apostel beschouwd wordt en een bijzondere plaats in zijn gemeenschap inneemt.

 

In Mattheüs 16:9 lezen wij dat Jezus aan Petrus en met hem aan de andere discipelen de sleutels geeft van het Koninkrijk der hemelen. De bedoeling van de Meester was dat zijn apostelen de arbeid voort zouden zetten, die Hijzelf op aarde verrichtte. Jezus ging door het land om het evan­gelie Gods te prediken en Hij zei: "De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen." (Marc 1:15) Jezus predikte over de onzichtbare wereld, die zintuiglijk niet waarneembaar is en niettemin zeer reëel is. Jezus open­baarde door zijn prediking de Vader, diens wil, diens bedoelingen en diens wezen: "Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt". Hij openbaarde ons de bewoners van de onstoffelijke wereld, hun werkwijze en de wetten, waaraan zij onderworpen zijn. Hij sprak van de engelen die uitgezonden zijn ten dienste van degenen die de zaligheid beërven en als wachters altijd zien het aangezicht van de hemelse Vader. Hij stelde de machten der duisternis onder aanvoering van satan openlijk ten toon. Hij wees hen aan als de vijanden van God en van de mensen, als de bewerkers van alle ongerechtigheid. Hij verlegde daarmede de strijd van het aardse toneel naar de hemelse en onzienlijke gewesten. Zo sprak Hij over de verborgenheden (zintuiglijk niet waarneembare zaken) van het Koninkrijk der hemelen. "Het goede zaad zijn de kin­deren van het Koninkrijk; het onkruid zijn de kinderen van den boze; de vijand die het gezaaid heeft, is de duivel." Jezus bracht een nieuwe leer, die der onzienlijke dingen, en Hij ondersteunde die met gezag, want de boze geesten waren Hem onderworpen. Zijn leer was geen voortzetting van het oude verbond, maar zij was als een nieuw kleed dat zich met het oude niet liet verbinden. Deze nieuwe wijn kon niet in de zakken van het oude verbond gedaan worden.

 

Jezus onderrichtte zijn discipelen aangaande de geestelijke wereld, dat is die van de geesten. Na zijn opstanding onder­wees Hij hen veertig dagen lang "over al wat het Koninkrijk Gods betreft". (Hand. 1:3) Jezus had de ware theologie en de ware dogmatiek. Hij stelde geen belijdenisgeschriften op, maar hanteerde de sleutels van het Koninkrijk. Wie Hem volgde, kreeg kennis, inzicht en verstand van de hemelse zaken. De Here onderwees zijn discipelen in de dingen van het Koninkrijk Gods en in die van het rijk der duisternis. Hij toonde hun hoe een mens verlost wordt van duivelse machten en overgezet wordt in het rijk van het licht. Jezus wees de weg tot ontkoming aan het verderf. Bij voorkeur richtte Hij zijn boodschap tot hen die het mees overweldigd waren door de vijand, tot de hoeren, de tollenaars, de zon­daars, de zieken en gebondenen. Hij vergaf hun de schuld en opende voor allen de deuren der gevangenis. Hij dankte de Vader dat dit evangelie voor wijzen en verstandigen verborgen was, maar aan de kinderkens geopenbaard werd. De wetgeleerden en schriftgeleerden verweet Hij dat zij de sleutel der kennis hadden weggenomen. Hun leer kwam met uiterlijk gelaat, met ceremoniën, met ernst en plechtigheid, met overleveringen der voorvaderen en was van de aarde. Van de onzienlijke dingen hadden zij geen weet. Zij hielden alleen rekening met de zichtbare zaken en hun vroomheid bestond in uiterlijk vertoon. Daarom verweet Jezus deze leidslieden dat zij het Koninkrijk der hemelen toesloten voor de mensen. "Immers, gij gaat er niet binnen en die trachten binnen te gaan, laat gij niet toe daarin te komen." (Matth. 23:13) Jezus leerde ons bidden: "Uw wil geschiede in de hemel alzo ook op de aarde". Hij volvoerde deze wil en sprak in de hemelse gewesten tot de stomme en dove geesten en wierp ze uit. Het resultaat werd waargenomen op aarde in het herstel van de zieke en beschadigde mens. Hij ging het land door genezende allen die van de duivel overweldigd waren, want God was met Hem. Hij wierp duivelen uit en sprak: "Indien Ik dit doe, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen." Daarom is Jezus de apostel onzer belijdenis. Hij was de Gezondene des Vaders. Hij kende de geheime­nissen van het Koninkrijk der hemelen en de gedachten des Vaders en heeft ze ons geopenbaard. Wij belijden zijn visie, zijn leer en zijn inzichten. Amen!

 

Wat zijn apostelen?

 

Apostelen zijn mannen die van God kennis ontvangen hebben aangaande het geheimenis van het Koninkrijk. Jezus sprak tot zijn discipelen: "Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun is dat niet gegeven." Het Koninkrijk der hemelen was voor allen die in het oude verbond leefden een onbekende zaak. "Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord." Jezus verkondigde dingen "die van de grondlegging der wereld verborgen waren." (Matth. 13 :11,17 en 35) Er was door de profeten wel over het Koninkrijk gesproken, maar zij hadden het niet verstaan. Voor zijn apostelen opende Jezus de Schriften. De Farizeeën en schriftgeleerden konden ze echter niet verstaan, omdat hun geestelijke oren toegesloten waren en zij met hun innerlijke ogen niet konden zien. Zij waren ongeestelijke mensen en verstonden niet de dingen van het hemelse Koninkrijk. De apostelen hebben de leer van het geheimenis begrepen en verder verkondigd.

 

Ook Paulus rekende zich tot de apostelen, hoewel hij geen leerling van Jezus was. Maar hij schrijft: "Dat mij door openbaring het geheimenis bekend gemaakt is". (Epheze 3:3) Tegenover de "schijnapostelen" in zijn dagen be­roemt Paulus zich op deze openbaringen en gezichten des Heren. In Corinthe waren mannen binnengeslopen, die zich apostelen noemden op grond van hun vleselijke afstamming en hun natuurlijke godsdienstige inzichten. Zij matigden zich gezag aan om de mensen te binden aan allerlei inzettingen en plichten, waarover Paulus niet gesproken had. Op deze wijze misleidden zij de gemeente en voerden haar af van het Konink­rijk der hemelen. Als Paulus zich een apostel noemt, beroemt hij zich niet op zijn vleselijke afkomst of theologische kennis (hoewel hij dit wel zou kunnen), maar op gezichten en openbaringen waardoor hij ingeleid werd in de geheimenissen van het onzichtbare Koninkrijk. (2 Cor. 11 en 12) Hij beriep zich op de bevestiging van zijn evangelie door "tekenen, wonderen en krachten" en op de verdrukking die hij van de zijde van de vijand hierom ondervonden had. Paulus was immers in de derde hemel opgetrokken en had daar in het paradijs de uiteindelijke triomf gezien van het Koninkrijk Gods. De heerlijkheid die door Johannes in gebrekkige beelden moest worden weergegeven, kon Paulus zelfs niet uitdrukken. "Die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken". Hij zag het centrum van de stad Gods, het paradijs met de boom des levens. Hoe wondervol was deze heerlijkheid. God zelf was hiervan niet alleen de bouwmeester, maar ook de kunstenaar en ontwerper. Opnieuw roemend vervolgt hij dan zijn brief aan de Epheziërs: "Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het ge­heimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door den Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten." (3:4 en 5) De tempel Gods is gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus als de grote apostel en profeet zelf de hoeksteen is. Apostelen en profeten zijn geroepen tot een bepaalde functie in de onzienlijke wereld. De profeet is de bovennatuurlijke herder, die met woorden rechtstreeks uit de troon de gemeente bouwt, sticht, bemoedigt, ver­maant en vertroost. Door de profeet "komt het verborgene van het hart aan het licht" en door de apostel de verborgen­heden van het Koninkrijk der hemelen. (1 Cor. 14:25) Het evangelie van Jezus Christus is het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. De onzienlijke, heilige stad, de bruid en de vrouw van het Lam, heeft twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams. (Openb. 21:14)

 

Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat, maar is binnen in ons. (Luc. 17:20 en 21 St. Vert.) Het betreft de innerlijke en onzienlijke mens. De ware aanbidders aan­bidden de Vader in geest en waarheid. In het nieuwe verbond wordt geen waarde gehecht aan uitwendige vormen, aan ceremoniën, aan titels of predikaten, aan gewaden, aan documenten en historische geschriften. Het Koninkrijk Gods is niet verbonden aan aardse grootheid, macht en rijkdom. Het biedt geen enkele status. Het heeft geen attractie voor degenen die aanzien, eer, geld en macht begeren. Jezus wekt ons op om schatten in de hemelen te vergaderen, waar de mot en de roest niet bij kunnen komen. Tegenover dit principe van bovennatuurlijke kracht, luister, wijsheid en kennis stonden de leidslieden van het volk vijandig en vreemd. Zij kwamen met voorschriften, geboden en inzet­tingen van mensen. In hen openbaarde zich de valse kerk, die de schijn verkiest voor het wezen en waar satan zich voordoet als een engel des lichts. In felle bewoor-dingen striemde Jezus dit grote, duivelse tegenspel. De wetgeleerden hadden de sleutel der kennis weggenomen. "Zelf zijt gij niet binnengegaan en hen, die trachten binnen te gaan, hebt gij tegengehouden." (Luc. 11:52) De sleutel der kennis was de sleutel tot het Koninkrijk der hemelen. De geestelijke leidslieden hadden het Koninkrijk Gods tot een aardse zaak gemaakt. Daarom doodden zij de apostelen en profeten, de boodschappers van de onzienlijke wereld. (Luc. 11:49)

 

Ook Paulus kende geen enkele toegeeflijkheid tegenover deze vervalsing van het evangelie van het Koninkrijk. "In­dien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van het­geen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt!" (Gal. 1:9) De veruitwendiging der kerk werd haar ondergang. Paulus noemt zijn tegenstanders, die de aardse glorie, macht en uiterlijke vormen zoeken, bedrieglijke arbeiders, die zich slechts voordoen als apostelen van Christus. (2 Cor. 11:15) Zij predikten niet het evangelie van Jezus Christus, namelijk de boodschap voor de gebondenen, de armen van geest en de gevangenen. Het evangelie dat de apostelen brachten luidde: "Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest de zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit." (Matth. 10:7)

 

Wij begrijpen iets van de gestrengheid waarmede Jezus en de apostelen optraden tegen hen, die het Koninkrijk der hemelen vervingen door een aards surrogaat. In de aards gezinde kerk heerst verwarring. Het is het Babylon dat apostelen en profeten heeft, die niet door God zijn aan­gesteld en daarom verwarring veroorzaken. Paulus schreef: "God heeft sommigen aangesteld in de gemeente: ten eerste apostelen, ten tweede profeten." (1 Cor. 12:28) "Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven." (Epheze 4:11) Deze mannen moeten voldoen aan de eisen, die aan de apostelen en profeten van den beginne gesteld werden. Niet iemand die zichzelf zo noemt of door mensen daartoe ge­kozen wordt in een plechtige vergadering of conclaaf, is een apostel, maar die zijn hemelse roeping bevestigd ziet door tekenen en wonderen. die hem vergezellen. (2 Cor. 12:12) Welk een inzicht hadden Petrus en Johannes niet toen zij in Samaria kwamen (Hand. 8:17) Onmiddellijk zagen zij dat deze half heidense bevolking ook de doop in de Heilige Geest nodig had. Na handoplegging ontvingen de bekeerde Samaritanen de kracht van het Koninkrijk Gods.

 

Wij leven bij de puinhopen van een kerk, die de apostelen en profeten gedood heeft. Maar de tijd van het oordeel komt. De grote en sterke stad, die op aarde gebouwd is en niet in de hemel, wordt verwoest in één uur. "Weest vrolijk over haar, gij hemel en gij heiligen, en gij apostelen en profeten, want God heeft uw rechtzaak tegen haar be­recht." (Openb. 18:20)

 

De sleutels van het hemelrijk

 

Van de leidslieden van zijn dagen zei de Here, dat zij het Koninkrijk der hemelen voor de mensen toesloten. (Matth. 23:13) Zij hadden zelf geen bewustzijn van de onzienlijke wereld en zij konden en wilden ook niet binnengaan. Zij wilden ook niets aanvaarden van hetgeen uit de onzienlijke wereld tot hen kwam. Zij hadden geen boodschap voor de armen van geest, de tollenaren, de zondaren, de hoeren, de zieken en bezetenen. Lijdt onze huidige christenheid niet aan hetzelfde euvel? Zij heeft ook geen evangelie waardoor ge­bondenen en bezetenen de vrede, de gerechtigheid en de blijdschap van het Koninkrijk Gods kunnen ontvangen. Slechts het volle evangelie wil terugkeren tot de woorden en werken van Jezus Christus, tot de boodschap van het Koninkrijk. Ook nu wordt weer tegen deze bijbelse opdracht gewaarschuwd en men zegt: "Zij zijn uitzinnig of het is van de duivel!" (Matth. 12:24)

 

Toen de Here Jezus op deze aarde was, werden vele gebondenen en zieken tot Hem gebracht. Hij hanteerde dan de sleutels van het hemelrijk, trad in de geestelijke wereld en bestrafte en gebood daar de machten van de duisternis. Het gevolg was dat de bezetene vrij werd en de kwalen weken. Hij leerde zijn volgelingen hetzelfde te doen. Hij gaf hun de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Hij gaf hun daarmee inzicht in de structuur en de wetten van de wereld der geesten (de geestelijke wereld). Hij sprak: "Wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen." (Matth. 16:19,20) Pas wanneer de machten der duisternis gebonden en verdreven waren, kon het Koninkrijk Gods over hen komen. (Matth. 12:28) Eerst dan konden zij ervaren wat het betekent om tot het huis­gezin Gods te behoren.

 

Hoe zijn de woorden aangaande de sleutels van het hemel­rijk misverstaan! Jezus sprak: "Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen" (Matth. 18:15) "Indien" houdt in dat zondigen geen normale levenswijze van een broeder is, maar de mogelijkheid dat hij in een strik van satan valt. Wanneer deze broeder tot berouw komt, is het zeer wel mogelijk dat hij toch de zonde niet kan laten. Hij is door de duivel overweldigd en wordt geprest dingen te doen, die hij niet wil. Toch zegt de Heer, dat wanneer zulk een broeder luistert, hij ook gewonnen is. Jezus geeft zijn volgelingen immers de sleutels van het hemelrijk, waar­door zij de machten der duisternis kunnen ontbinden en verdrijven en zo het Koninkrijk der hemelen doen komen over de herwonnen broeder. De sleutels van het hemelrijk worden dus gebruikt om een afgedwaalde opnieuw te brengen in het Koninkrijk Gods. Voor degenen die niet luisteren willen, heeft het evangelie geen boodschap.

 

Is het geen teken van diep verval dat de sleutels van het hemelrijk in de praktijk der kerken alleen gebruikt worden om kinderen Gods in de ban te doen, te excommuniceren of onder censuur te zetten? Dit meest omdat zij niet instemmen met bepaalde inzichten en uitspraken van concilies en synoden. Ook zondaren worden op deze wijze buiten-gesloten van het heil van het Koninkrijk der hemelen. Men had ze juist door het binden en ontbinden der machten kunnen redden en het Koninkrijk der hemelen voor hen kunnen openen.

 

Jezus wil dat de stem van de sleuteldragers zal door­klinken in de onzienlijke wereld. De machten der duisternis zullen dan gebonden worden en losgemaakt van hun slacht­offers, die zij door zonde en ziekte geketend hadden. Dit evangelie wordt nu weer in de laatste dagen gepredikt. Het is de tijding die Jezus bracht en die nu weer verstaan wordt. God schenkt weer zijn Geest en deze valt als een spade regen op de gelovigen. Gedoopt met deze Geest kunnen zij de grote opdracht weer gehoorzamen: "In mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen." Indien wij door de Geest van God de onreine geesten uitdrijven, is het Koninkrijk Gods weer over ons gekomen. Daarom: "Weest niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Konink­rijk te geven." (Luc. 12:32)