KvO 28e jaargang nummer 9, 6
november 1964
J.E.van den Brink
HET KONINKRIJK DER HEMELEN
Met grote
blijdschap schrijven wij enkele artikelen over een wereld, die in de laatste
jaren zo
duidelijk aan ons geopenbaard werd. De Here Jezus
sprak over de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen en dat het ons gegeven
is deze te leren kennen. Door de arbeid in het Beukensteinteam
zagen wij ook de realiteit van de geestelijke wereld. Wij kunnen getuigen dat
de boodschap van het volle evangelie ons steeds liever wordt, naarmate wij ook
praktisch meer indringen in de hemelse gewesten. Wij bidden dat de lezer
dezelfde vreugde ervaren mag. Wij willen leven in de wereld, waarin onze
Heiland zich bewoog. Hij was van boven en wandelde en werkte in de hemelse gewesten.
Zijn wonderen en tekenen hier op aarde waren er het resultaat van. Wij danken
de Vader in de hemel dat onze ogen voor dit heil
geopend werden en dat wij reeds jaren lang mogen werken met mannen en vrouwen,
die ook willen wandelen in de voetsporen van Jezus. Wij hebben dezelfde
geestelijke strijd en wij verheugen ons erin één van hart en één van zin met
hen te mogen staan vóór de Zoon des mensen en tegenover de machten der
duisternis die het menselijk leven verwoesten.
Hemel
en aarde
"In
den beginne schiep God den hemel en de aarde."
Deze eerste
tekst in de bijbel toont ons het bestaan van twee werelden: een onzichtbare,
hemelse en een zintuiglijk waarneembare, aardse. Voor vele christenen is de
hemel een verlengstuk van de aarde. Men beschouwt het Gods rijk als een luxe
editie van de aarde. Met de delfstoffen uit de aarde bouwt men zich gouden
straten en paarlen poorten in een hemelstad met
weelderige paleizen, overvloedige plantengroei en bloemengeur. De bijbel
spreekt echter van de hemel als van de onzienlijke wereld en van de aarde als van
de zichtbare en tastbare schepping. De dingen die wij niet zien, zijn
geestelijk en eeuwig en de dingen die wij zien zijn tijdelijk en stoffelijk. De
hemel is de geestelijke schepping met onstoffelijke bewoners, de engelen en de
duivelen. Wie zich met deze geestelijke wereld bezig houdt, jaagt naar het
blijvende. Wie zich alleen concentreert op het stoffelijke en vleselijke,
grijpt naar het voorbijgaande.
In de
hemelse gewesten is een "onoverkomelijke kloof' tussen licht en
duisternis, tussen wat uit God en wat uit de duivel is (Luc. 16:26). In het
Koninkrijk der hemelen is een rijk Gods en er is een koninkrijk van satan
(Matth. 12:26). Er is een Here der heerscharen die de
heilige engelen beveelt en er is sprake van Beëlzebul,
de overste der boze geesten.
Deze
onzichtbare, geestelijke en eeuwige wereld werd vóór de zichtbare, stoffelijke
en tijdelijke wereld geschapen. Tot Job sprak de Here
God: "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Terwijl al de morgensterren tezamen juichten en al de zonen Gods
jubelden?" (38:4,7). De hemelse gewesten zijn bevolkt met ontelbare
wezens, want "door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de
adem zijns monds al hun heer." Het is ook niet
mogelijk de onzienlijke wereld en de zienlijke onder één noemer te brengen.
"De hemelen zijn hoger dan de aarde" (Jes. 55:9). Geen aardse maten
zijn daarom voldoende om beide scheppingen te vergelijken. De hemelen zijn van
een andere orde. Zij behoren tot een andere sfeer en een andere wezensvorm dan
de aarde. Wanneer er dan ook verder staat dat ook Gods gedachten hoger zijn dan
onze gedachten, wijst de profeet erop dat God rekening houdt met de eeuwige en
onzienlijke wereld en wij slechts met de tijdelijke en zichtbare dingen. De mens ziet aan wat voor ogen is."
Als
kinderen Gods hebben wij de opdracht de dingen te zoeken die van boven zijn en
niet die op de aarde zijn. Door zijn natuurlijke leven is de mens met de
zienlijke wereld verbonden, maar hij heeft ook een geest. Daarmede is hij in de
onzienlijke wereld. Zoals in de hemelen een kloof is tussen licht en
duisternis, zo is er ook een schei· ding tussen de kinderen Gods en de kinderen
van deze wereld. De eersten zijn wedergeboren en overgezet in de hemelse
gewesten. Ze zijn geestelijke mensen onder leiding van de Heilige Geest. De laatsten zijn van de aarde en onderworpen aan de
wereldgeesten. Naar de natuurlijke mens zijn wij allen op de aarde, maar de
geestelijke mens is " van boven" en heeft zijn wandel in de hemelen (Efeze 2:6 en Philipp. 3:20). Wij zijn
overgezet uit de duisternis in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde (Coll. 1:13). Daarom gaat een kind van God bij zijn sterven
niet naar de hemel, maar hij wordt dan onttrokken aan de zienlijke wereld en
blijft geestelijk in het Koninkrijk Gods, waarin hij op deze aarde reeds
binnenging en wandelde.
Wij willen
op deze aarde het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid zoeken en ons niet
laten afleiden door aardse beslommeringen als zorgen over eten, drinken,
voedsel of behuizing. Wij weten dat bij het zoeken naar dit geestelijke,
onzichtbare Koninkrijk de belofte geschonken is, dat de stoffelijke dingen
toegeworpen worden. Onze hemelse Vader weet dat wij deze dingen nodig hebben
tot onderhoud van het aarde bestaan. Hij is ook niet karig, maar wil dat zijn
kinderen in dit opzicht onbezorgd kunnen leven.
Verschil
tussen het oude en het nieuwe verbond
Velen
denken dat het nieuwe verbond een voortzetting is van het oude. Zo min echter
de hemel een luxe editie is van de aarde, zomin is het nieuwe verbond een
verbeterde uitgave van het oude. Het oude verbond staat tot het nieuwe als de
aarde tot de hemel. In het eerste verbond was het door de besnijdenis
zintuiglijk waarneembaar dat men er deel aan had, maar in het nieuwe verbond
beslist de besnijdenis van het hart (Coll. 2:12). Het
oude verbond was schaduwen het nieuwe is werkelijkheid. Het oude was tijdelijk
en vergankelijk en het nieuwe is eeuwig en blijvend. Het oude culmineerde in
een tempeldienst, waarin een hogepriester met het bloed van stieren en bokken
tijdelijke verzoening aanbracht. In de nieuwe bedéling
is sprake van een hemelse Hogepriester, Die met zijn eigen bloed (leven) een
eeuwige verzoening verwierf door één volmaakte offerande in het hemelse
heiligdom. In het oude verbond was natuurlijke afstamming beslissend, maar in
het nieuwe de onzichtbare, geestelijke geboorte. In het oude verbond besneed
men de kinderen van het aardse volk Israël en in het nieuwe doopt men de
kinderen Gods, het geestelijke Israël "die niet uit bloed, noch uit den
wil des vlezes, noch uit den wil eens mans, doch uit
God geboren zijn" (Joh. 1:13).
In het oude
verbond had men de wet van de Sinaï met zijn geboden
en inzettingen. Deze waren alle tijdelijk. Maar in het nieuwe verbond is sprake
van "de wet van den Geest des levens, die ons vrij gemaakt heeft van de (Sinaïtische) wet der zonde en des doods" (Rom. 8:2).
In de oude bedéling schreef de Here
de wet op stenen tafelen, maar in de nieuwe in het verstand en in het hart. In
het oude verbond klonk het: "Gij zult niet doodslaan." In het nieuwe
vervalt een ieder die in toorn leeft tegen zijn broeder, aan het gerecht
(Matth. 5:22). Toorn en wrevel liggen in de onzichtbare, geestelijke wereld.
De aardse rechter kan een mens er niet voor straffen. Wie vrij is van toorn en
wrevel, zal echter ook niemand doden. Daarom maakt de wet van de Geest ons vrij
van de wet van de Sinaï.
Sabbat
in het oude en in het nieuwe verbond
In het oude
verbond was het volk verplicht een aardse rustdag te houden. Dit was een inzetting
voor de zienlijke wereld. Men hield op met zijn aardse bezigheden. In het
nieuwe verbond houdt de mens op met zijn werken in de onzichtbare, geestelijke
wereld. "Wij gaan tot de (sabbats)rust in, wij
die tot het geloof gekomen zijn" (Hebr. 4:3). Zoals God rust van zijn
werken door in de nieuwe schepping alles over te geven aan zijn Zoon, Jezus
Christus, zo rusten ook wij van al onze inspanningen door te vertrouwen dat
Jezus het in ons doen zal door zijn Geest. Voor de heiliging van geest, ziel en
lichaam geldt het: "Die u roept, is getrouw; Hij zal het doen!" (1 Thess. 5:23,24). Wie gelooft dat Jezus de levensproblemen
alle oplost, is in zijn rust gegaan. Daarom vieren wij geen Oudtestamentische
sabbat, zoals de adventisten, maar wij hebben de zondag als een blijde
feestdag. Wanneer er in de familiekring een groot feest is, nemen wij allen
een dag vakantie. Zo doen wij dit ook op de zondag, niet uit dwang, maar om met
elkander vrolijk te zijn voor Gods aangezicht in de samenkomst der gemeente. De
adventisten trachten de Oudtestamentische sabbat wat opgepoetst in het nieuwe
verbond te plaatsen. Hun rust is afhankelijk van de scheurkalender en de
agenda. Maar de bijbel stelt de wet van de Sinaï voor
ons buiten werking: "Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij
daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart is
niet ver van verdwijning" (Hebr. 8:13). Laat het dan ook verdwijnen.
Juist de zevende-dagsadventisten breken de sabbat,
want zij willen nog iets doen om de gerechtigheid te verwerven. Bovendien
worden zij ver-ont-rust door haarkloverijen over wat
men doen of laten moet op de sabbat. Mag men op zaterdag een brief posten of
niet? Mag de huisvrouw dan eten koken of niet? Zo leven zij bij de schaduwen
niet bij de werkelijkheid. Zij sluiten zichzelf buiten het Koninkrijk der
hemelen. "Laat dan niemand ons blijven oordelen op het stuk van de
sabbat, dingen die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moet, terwijl de
werkelijkheid van Christus is" (Coll. 2:16). Het
oude is voorbij, het nieuwe is gekomen!
Natuurlijk
en geestelijk
Het oude
verbond was ingesteld op de natuurlijke mens, maar het nieuwe richt zich op de
geestelijke. In het eerste domineerde het tastbare, maar in het laatste zullen
de ware aanbidders God aanbidden in geest en waarheid. Slechts de kennis van de
geestelijke, hemelse dingen leert ons wat de werkelijkheid is. Wij willen dit
door enkele voorbeelden verduidelijken.
Bij de val
in het Paradijs is sprake van een listige slang, die door zijn spreken de mens
verleidde. Deze slang ontving de vloek: "Op uw buik zult gij gaan en stof
zult gij eten, zolang gij leeft." Verder inzicht in het wezen der zonde
kon het oude verbond niet geven. Het bleef stilstaan bij de uiterlijke dingen.
"Zolang gij leeft" wees op het tijdelijke. In het nieuwe verbond is
sprake van de waarheid en het wezen. De verleider is "de draak, de oude
slang, dat is de duivel en satan." In het licht van het nieuwe verbond
zouden wij kunnen zeggen dat de slang in het Paradijs bezeten was, zoals de
zwijnen van Gadara, waarin het legioen demonen
gevaren was.
In het oude
verbond werd duidelijk getoond dat alle afgoderij de Here
een gruwel is. Maar nergens wordt medegedeeld waarom. Wie de Here diende, deed als Gideon, die het altaar van Baäl afbrak en de gewijde paal die erbij stond, omhieuw. In
het nieuwe verbond wordt de waarheid openbaar vanuit de geestelijke wereld.
Een afgod is niets, maar het offeren eraan betekent gemeenschap hebben met de
demonen. En God wil niet dat wij in gemeenschap komen met de boze geesten (1
Cor. 10:20,21).
Ook is in
het Oude Testament geen sprake van het Koninkrijk der hemelen of het Koninkrijk
Gods, hoewel natuurlijk heen gewezen wordt naar een toekomende tijd, waarin de
heiligen des Allerhoogsten het koningschap zouden
ontvangen (Dan. 7:22). Hoewel zij ernaar zochten, was dit onzichtbare
koninkrijk een afgesloten terrein voor de gelovigen in het oude verbond. Zij
beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op
aarde. Zij zochten de stad Gods met fundamenten, waarvan God de ontwerper en
bouwmeester is. Zij zochten het nieuwe, onzienlijke, geestelijke Jeruzalem.
Maar "in dat geloof zijn deze allen gestorven zonder de belofte verkregen
te hebben" (Hebr. 11:13-16). Mozes moest het volk voorhouden: "De
verborgen (onzienlijke) dingen zijn voor den Here,
onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor
altijd" (Deut. 29:29). In het nieuwe verbond evenwel spreekt de apostel:
"Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten (diepste gedachten)
Gods". En hij voegt er jubelend achter: "Wij hebben deze Geest
ontvangen" (1 Cor. 2:10-12). De mens in het oude verbond kon de geestelijke
dingen niet verstaan en doorgronden. Wij denken bijvoorbeeld aan de lange
redeneringen van Job en zijn vrienden. Dit inzicht was weg-gelegd
voor de geestelijke mens van het nieuwe verbond.
Het
Koninkrijk der hemelen nabij gekomen
Het
evangelie van Marcus vangt aan met de woorden: "Begin van het evangelie
van Jezus Christus." Bij het optreden van Jezus "was de tijd vervuld
en het Koninkrijk Gods nabij gekomen." Dan komt niet in de eerste plaats
de aarde in beweging, maar de onzienlijke wereld. Bij zijn geboorte gaan reeds
de engelen vooraf. Ogenblikkelijk tast Jezus het wezen van alle kwaad en ziekte
aan en toont Hij ons de bron van alle ongerechtigheid. De demonen geraken in
paniek en roepen het uit: "Zijt gij gekomen om
ons te verdelgen? En allen werden zeer verbaasd, zodat zij elkander vroegen,
zeggende: Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag! Ook de onreine geesten geeft
Hij bevelen en zij gehoorzamen Hem" (Marc. 1:23-28).
De wonderen
en tekenen die Jezus deed, geschiedden alle vanuit de onzichtbare, hemelse
gewesten. Daar werden de boze geesten verdreven en vandaar kwam de kracht tot
genezing van zieken. Hij streed niet tegen vlees en bloed, maar tegen de
overheden, de machten en de onreine geesten in de onzienlijke wereld. Iedere
bevrijding, verlossing en genezing was hiervan het gevolg. Petrus getuigde in
het huis van Cornelius: "Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen,
die door den duivel overweldigd waren; want God was met Hem" (Hand.
10:38). De Heiland getuigde van zichzelf: "Ik drijf boze geesten uit en
volbreng genezingen, heden en morgen en op den derden dag ben Ik gereed"
(Luc. 13:32). "En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun
synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte
en kwaal" (Matth. 9:35). Nergens in het Oude Testament worden de zieken de
handen opgelegd en de demonen uitgedreven. Daar was geen evangelie voor hen die
door de duivel overweldigd waren, evenmin als in een christendom van de
voorbijgegane eeuwen. Maria van Magdala, Johanna de
vrouw van Chuzas, de rentmeester van Herodes en Suzanna en vele andere
vrouwen konden Jezus alleen volgen, omdat zijn leer gepaard ging met gezag over
de onreine geesten. Nooit zou de bezetene van Gadara
evangelist geworden zijn, als hem niet het evangelie van het Koninkrijk met
kracht verkondigd was.
Zo bracht
Jezus het Koninkrijk der hemelen nabij. Voor zijn heengaan sprak Hij tot de
discipelen: "Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk mijn Vader het mij
beschikt heeft" (Luc. 22:29). Wie in Hem geloofde zou de werken doen, die
Hij deed en zelfs nog grotere (Joh. 14:12). Voortaan moesten zij uitgaan om dit
evangelie te verkondigen met kracht van tekenen en wonderen, beginnende bij
Jeruzalem en Judea, te Samaria en tot aan de einden
der aarde. Dit hebben de discipelen dan ook gedaan. Philippus
in Samaria, Paulus onder de heidenen en ook de andere apostelen zijn
rondgereisd, predikende het evangelie des Koninkrijks:
"Om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad, door kracht
van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes"
(Rom. 15:19). Paulus voegde er nog aan toe: "Zo heb ik de prediking van
het evangelie van Christus volbracht." Wat in Marcus het begin genoemd
werd, zetten zij voort (Hand. 1:1). Het evangelie van Christus is het evangelie
van het Koninkrijk. "En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele
wereld gepredikt worden en dan zal het einde gekomen zijn!" (Matth.
24:14). Daarom is de minste in het Koninkrijk der hemelen meerder dan
Johannes, dan Mozes, dan Elia (Matth. 11:11).
KvO 28e jaargang nummer 10, 20 november 1964 (II)
J.E.van den Brink
HET
KONINKRIJK DER HEMELEN
In zijn
boek "Sterven ... en dan?" schrijft ds B. Telder over de hemelverwachting van Gods kinderen. Hij
neemt als mottotekst Psalm 115:16: "De hemel is de hemel van den Here, maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen
gegeven." Wanneer hij het begrip hemel omschrijft, merkt hij op: "En
behalve van de wolkenhemel en de sterrenhemel is in de bijbel nog sprake van de
derde hemel, de hemel der hemelen, waar de Here zijn
troon heeft gevestigd. Daar zijn ook de hemelse heerscharen, de tienduizend
maal tienduizenden en duizend maal duizenden van heilige engelen. Deze hemel
der hemelen kan God den Oneindige niet bevatten (1 Kon. 8:27) en wordt
desondanks bij uitnemendheid genoemd de vaste plaats zijner woning. Hierheen
is Christus opgevaren "in de hoogte" en hierin is Paulus eenmaal in
geestverrukking opgetrokken geweest. Die hemel is dan ook volgens de Schrift
niet maar een zalige toestand, maar een bepaalde plaats in de geschapen wereld,
waaromtrent wij ons verder geen voorstelling kunnen vormen."
De
drie hemelen
Voor ds Telder is er een wolkenhemel,
een sterrenhemel en vervolgens nog een hemel der hemelen, de derde hemel. Deze
laatste zou dan de plaats zijn waar God woont. Deze onderscheiding vindt geen
grond in Gods Woord. Wij geloven dan ook niet dat deze voorstelling de juiste
is. De onzienlijke wereld wordt op deze wijze in het verlengde van de zienlijke
gebracht en zou daarom ons voorstellingsvermogen te boven gaan. Wij vragen ons
ook af waar Gods troon was, voordat de wereld geschapen was. God is alomtegenwoordig.
Hij woont niet alleen in de hemel, maar ook is de aarde de voetbank zijner
voeten. "Steeg ik ten hemel - Gij zijt daar, of
maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde
Gij zijt er." (Ps. 139:8) Wanneer in het
oude verbond opgemerkt wordt dat God troont op de lofzangen van zijn volk,
betekent dit niet anders dan dat ons hart een tempel is van de levende God.
Immers hieruit komt de lof en prijs voort van Gods volk.
De vorige
maal merkten wij op dat het Oude Testament zich tot het Nieuwe Testament
verhoudt als de aarde tot de hemel of als het tastbare tot het onstoffelijke.
Het Oude Testament is de schaduw van de werkelijkheid. God werkt juist andersom
als de mens. Deze maakt eerst een maquette van een groot bouwwerk en dan komt
de werkelijkheid. God maakte eerst het blijvende en eeuwige, de onzienlijke
wereld, en dan geeft Hij daar een beeld van in de natuurlijke wereld. Wij
kunnen de stoffelijke wereld niet op één lijn stellen met de onstoffelijke. De
geestelijke wereld is van een hoger plan dan de natuurlijke. Wanneer een
kunstenaar een prachtig schilderij vervaardigt, heeft hij er eerst in de geest
een voorstelling van gehad. In zijn fantasie ziet hij de dingen die hij tot
uitdrukking brengen wil. Het stoffelijke schilderij staat wel in verband met de
geestelijke voorstelling, maar behoort toch tot een geheel andere dimensie. Bij
de schepping wordt medegedeeld: "God noemde het licht dag en de duisternis
noemde Hij nacht." De dag en de nacht behoren tot de zichtbare wereld en
tot het voorbijgaande. Als in het nieuwe verbond het Koninkrijk der hemelen
naar de aarde komt, lezen wij, dat het waarachtige licht
komende was in de wereld. God noemde het licht dag en noemde de duisternis
nacht, omdat zij beelden waren van de geestelijke werkelijkheid en opdat wij
uit het zienlijke het onzienlijke zouden kunnen verstaan. Zo ook noemde de Here God het uitspansel hemel. Deze hemel was een beeld van
de werkelijkheid, maar niet de werkelijkheid zelf. Zoals het uitspansel
"bevolkt" is door ontelbare sterren in groepen en stelsels, zo geven
zij een beeld van de werkelijke hemel, bevolkt met zijn tienduizenden engelen
in hun rangen, groeperingen en sterkte. Wanneer wij waarachtig geestelijke
mensen geworden zijn, zullen ook wij onze plaats innemen in de hemelse gewesten
en blinken als de sterren des hemels. "De verstandigen
zullen stralen als de glans van het uitspansel en die velen tot gerechtigheid
hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos." (Dan. 12:3) De
hemelse heerscharen zijn niet op een bepaalde plaats, zoals ds
Telder beweert, maar deze heilige engelen Gods zijn
allen uitgezonden ten dienste van degenen die de zaligheid beërven. Zij
omringen ons in de onzienlijke wereld.
De
mottotekst van ds Telder
"De hemel is van den Here, maar de aarde heeft
Hij den mensenkinderen gegeven" geldt voor de mens in het oude verbond.
Het is een Oudtestamentische voorstelling, maar in het nieuwe verbond is het
Koninkrijk der hemelen over ons gekomen. Het nieuwe verbond leert duidelijk dat
de hemel voor ons is. Bij de wedergeboorte wordt de mens "van boven"
geboren, zoals er letterlijk in Johannes 3:3 staat. Hij wordt in de onzienlijke
wereld geboren. Vandaar dat de zichtbare besnijdenis van het oude verbond
vervangen werd door de onzienlijke besnijdenis des harten. "Wij zijn nu
burgers van een rijk in de hemelen." (Philip. 3:20) Wij hebben er onze
wandel. Paulus schrijft niet, dat de aarde aan ons gegeven is "maar waartoe
laat gij u, alsof
gij
in de wereld leefdet, geboden opleggen" (Col.
2:20). "Bedenkt de dingen die boven zijn (van de onzienlijke wereld), niet
die op de aarde zijn." (Col. 3:2) Onze gehele strijd en overwinning ligt
in deze onzienlijke wereld. (Eph. 6:12) Wij moeten
weer de weg van Jezus bewandelen. Hij was "van boven en niet van deze
aarde." Ook wij moeten ons bewust zijn, dat God "ons mede opgewekt
heeft en ons mede een plaats gegeven heeft in de hemelse gewesten, in Christus
Jezus." (Eph. 2:6) Dit is het geheimenis of de
verborgenheid van het Koninkrijk der hemelen. Vandaar dat wij door middel van
de Heilige Geest en zijn gaven de kracht en de toerusting ontvangen voor deze
onzienlijke wereld. De uitingen des Geestes die
Paulus in 1 Corinthe 12:4-11 noemt, liggen alle op
dit terrein.
Voor ons is
de eerste hemel die van het Oude Testament: het uitspansel met de sterrenhemel.
De tweede hemel zijn de hemelse gewesten, het Koninkrijk der hemelen, waarin
licht en duisternis gevonden worden. De derde hemel is de vernieuwde hemel,
waarin evenals op de vernieuwde aarde, alleen gerechtigheid woont. "Daar
zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon
van node." (Openb. 22:5)
Er staat
dat Jezus, de Zoon van God, alle hemelen is doorgegaan. Dit betekent dat Hij
door de dood onttrokken aan de zichtbare wereld, in de geestelijke wereld
gegaan is door licht en duisternis. In het Koninkrijk des lichts bracht Hij
zijn leven als offer op het hemelse altaar. In het rijk der duisternis heeft
Hij de satan onttroond en de sleutels van dood en dodenrijk in ontvangst
genomen. Daarna is Hij ook in de zichtbare wereld ten hemel gevaren, ten
aanschouwen van al zijn discipelen. Dit laatste was het beeld dat Hij in de
onzichtbare wereld zijn plaats op de troon van God ging innemen als de eerste
van de nieuwe schepping.
De
doodslaap
Zoals in de
oude bedeling het aardse Jeruzalem in het beloofde land lag, zo ligt de stad
Gods, het nieuwe Jeruzalem in de onzienlijke, hemelse gewesten. Volgens de
Hebreeënschrijver zijn wij genaderd tot deze berg Sion, waarop de stad van de
levende God ligt. Zij is de heilige stad, de bruid en de vrouw des Lams. (Hebr.
12:23 en Openb. 21:9) Dit is geen ontvolkte stad,
maar wie binnen haar muren gekomen is, wordt er niet meer uit verbannen, ook
niet bij het sterven. Wij zijn burgers van deze stad. Velen denken dat zij bij
hun dood deze stad zullen binnengaan, maar deze gedachte vindt geen steun in
de bijbel. "De onverwelkelijke erfenis die in
den hemel voor ons is weggelegd" ontvangen wij nu reeds door het geloof.
Anders en duidelijker gezegd, wij gaan niet bij ons sterven naar de hemel, maar
wij zijn in deze onzienlijke wereld gekomen door onze wedergeboorte.
In de
bijbel wordt op verschillende plaatsen de toestand van de mens na het sterven
vergeleken bij de slaap. Wanneer wij dit beeld even vasthouden merken wij op
dat in de slaaptoestand het lichaam ophoudt bewust te werken. Slaap is het
ophouden van arbeidsperioden. De innerlijke mens wordt aan de wereld rondom hem
onttrokken. Hij kan denken, angst hebben, examen doen, ontmoetingen hebben,
maar alles gaat buiten zijn lichaam om. Slechts sterke bewogenheid en krachtige
prikkels kunnen de normale slaap verstoren, zodat geest en ziel het contact met
het lichaam gedeeltelijk weer opnemen. Dan gaat het lichaam zich bewegen en wij
spreken van een onrustige slaap. Ook bij het sterven komt er scheiding tussen
het lichaam enerzijds en de ziel met de geest anderzijds. Oral
Roberts gebruikte in een van zijn toespraken het
beeld van een hand, die in een handschoen gestoken was. De handschoen verbeeldt
het lichaam, waarin de inwendige mens leeft. Wanneer de hand eruit getrokken
wordt, valt het omhulsel vormeloos ineen. De innerlijke mens blijft waar hij
zich bevindt, namelijk in de onzienlijke wereld. Bij het sterven verliest de
mens dus het contact met de materiële, stoffelijke wereld, maar hij leeft
voort. De zielen die onder het altaar zijn, kunnen in de geestelijke wereld
geen verbinding krijgen met mensen, maar zij kunnen roepen tot God die geest
is. (Openb. 6:9) De geest des mensen kan niet
uitgeschakeld worden. Hij slaapt niet. Van God, die geest is, wordt gezegd:
"De Hoeder Israëls slaapt noch sluimert." Ook de engelen en duivelen
kennen geen rustperioden. Van allen kan gezegd worden: "Zij hadden dag
noch nacht rust." (Openb. 4:8) "De engelen
zien altijd." (Matth. 18:10)
Het is ook
opmerkelijk dat alle bewijzen voor een onbewuste toestand van de mens na de
dood uit het Oude Testament genomen zijn. De sterkste voorstanders van de
zogenaamde zielenslaap vindt men onder hen, die het Oude Testament als
maatgevend nemen. Dat de zevende-dagsadventisten de
sabbat der Joden houden en de zielenslaap leren, is niet toevallig. Zij missen
de blik op het Koninkrijk der hemelen. Zij zien niet het ontzaglijke verschil
tussen schaduw en werkelijkheid. Wanneer de Prediker in het vierde hoofdstuk
zegt: "Het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja
eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen", dan is
dit de wijsheid van de mens onder de zon. Wat wist de mens in het oude verbond
van het geheim van het Koninkrijk der hemelen? Wat van een erfenis in de
hemelen? Wat van een burgerschap in de stad Gods? Jezus sprak tot zijn
discipelen: "Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk
der hemelen' te kennen, maar hun is dat niet gegeven," (Matth. 13:11) Dit
geheimenis was alle eeuwen verborgen gebleven in God, de Schepper van alle
dingen, ook de onzienlijke. Opdat thans in de nieuwe bedeling door middel van
de gemeente aan de overheden er. de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige
wijsheid Gods bekend zou worden. (Eph. 3:9 en 10)
Wanneer de Prediker mededeelt dat de doden nimmer deel hebben aan iets dat
onder de zon geschiedt, is dit waar.
"Maar
Paulus deelde ons mede, dat wij overgezet zijn in de hemelse gewesten, in het Koninkrijk van de
Zoon zijner liefde. Weliswaar hebben wij bij het sterven geen deel meer aan de
zichtbare wereld, maar wij houden wel terdege deel aan het leven in het
Koninkrijk Gods.
De
dood onttroont
Voor de
doden die in de Here ontslapen, geldt de uitdrukking
van het Hooglied: "Ik sliep, maar mijn hart waakte." Wie in Jezus
gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. (Joh. 11:26) Wanneer dan wel de uitwendige
mens vergaat, zal de inwendige mens eeuwig voortleven. Jezus heeft de dood
teniet gedaan (2 Tim. 1:10 St. Vert.). Of zoals de Engelse Bijbel zo
opmerkelijk zegt: "Hij heeft de dood afgeschaft." "Opdat wij,
hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven." (1 Thess. 5:10) De belofte van onze Heer is, dat de poorten
van het dodenrijk zijn gemeente niet zullen overweldigen. De poorten of de
toegang van het dodenrijk is het sterven. Jezus nu heeft de sleutels van dood
en dodenrijk. Voor Gods kinderen geldt, dat de duivel het geweld des doods had en niet
meer heeft. De duivel is onttroond. (Hebr. 2:14) Jezus stelt vast wanneer wij
onze voleinding bereikt hebben. Jezus en zijn heilige engelen kennen ons als
behorende tot degenen "die ingeschreven zijn in de hemelen" en Hij
zal ons ook de plaats wijzen, die wij in mogen nemen tussen "de geesten
der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben", dus die ook
ontslapen zijn. (Hebr. 12:23) Wij worden daar door hen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.
(Luc. 16:9)
Wij zijn
eenmaal gestorven naar de geest en wederom geboren. Daarom zullen wij de dood
niet meer aanschouwen in der eeuwigheid. Wij zullen hem voorzeker niet smaken.
(Joh. 8:51 en 52) Daarom betekent sterven voor ons: "ontbonden worden en
met Christus zijn." (Phil. 1:23 St. Vert.) Sterven is promotie maken, want
het brengt ons gewin.
Het
Paradijs Gods
Het was
Paulus eenmaal vergund een blik te werpen in het hemelse Paradijs, waarvan het
aardse een schaduw was. Hier zag de apostel het uiteindelijke doel van Gods gedachten
met de mens. Het was een nieuwe hemel die corresponderen zou met een nieuwe
aarde, waar geen duisternis en geen werken der duisternis meer waren, maar waar
God alles in allen is. Hier zag hij het voltooide lichaam van Christus (de
gemeente) zijn door God bedoelde plaats innemen en de taak verrichten die God
voor haar had weggelegd. Deze voltooide werkelijkheid was zo heerlijk, dat
geen aardse woorden haar beschrijven konden. (2 Cor. 12:1-10)
Is het wonder dat Paulus heen wijzende naar de openbaring van het geheimenis
dat hij ontvangen had, schrijft: "Daarnaar kunt gij bij het lezen u een
begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus." (Eph.3:3
en 4) Ook Johannes zag door openbaring dezelfde dingen en hij gaf ze weer in
beelden. Hij zag het Paradijs liggen midden in de heilige stad, want daar zag
hij het geboomte des levens. (Openb. 2:7 en 22:2) In
deze onzichtbare wereld konden zij slechts binnentreden met de innerlijke mens.
Zij zagen en hoorden ook met de innerlijke mens. Hun lichaam was
uitgeschakeld: "Of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik
niet." Zeker is dat wat hij gehoord en gezien had een krachtige stimulans
was om verder te prediken en zich bewust te zijn van de zekerheid der dingen,
waarvan hij sprak. Bij de opstanding zal het nieuwe Jeruzalem en het Paradijs
Gods nederdalen uit de hemel naar de aarde. Dan zal het onzienlijke weer
zienlijk worden en de inwendige mens met een geestelijk lichaam bekleed zijn,
opdat hemelen aarde verenigd zullen zijn.
KvO, 28e
jaargang nummer 11, 4 december 1964
(III)
J.E.van den Brink
HET
KONINKRIJK DER HEMELEN
Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk
der hemelen." (Mattheüs 16:19)
De
apostel onzer belijdenis
Ontegenzeggelijk
nemen de apostelen een bijzondere plaats in tussen degenen die geroepen zijn om
het evangelie van Jezus Christus op aarde te verkondigen. In verschillende richtingen
en groeperingen heeft men onder de geestelijke functionarissen weer mensen die
men apostelen noemt. De roomse kerk erkent de paus als apostel in de plaats van
Petrus. Er zijn apostolischen die wij als onze
broeders erkennen en hersteld-apostolischen die zeer
moeilijk als christenen te aanvaarden zijn. Ook in kleinere bewegingen merkt
men bij nadere bestudering van hun leer plotseling, dat een of andere broeder
als apostel beschouwd wordt en een bijzondere plaats in zijn gemeenschap
inneemt.
In Mattheüs 16:9 lezen wij dat Jezus aan Petrus en met hem aan
de andere discipelen de sleutels geeft van het Koninkrijk der hemelen. De
bedoeling van de Meester was dat zijn apostelen de arbeid voort zouden zetten,
die Hijzelf op aarde verrichtte. Jezus ging door het land om het evangelie
Gods te prediken en Hij zei: "De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is
nabij gekomen." (Marc 1:15) Jezus predikte over de onzichtbare wereld, die
zintuiglijk niet waarneembaar is en niettemin zeer reëel is. Jezus openbaarde
door zijn prediking de Vader, diens wil, diens bedoelingen en diens wezen:
"Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld
gegeven hebt". Hij openbaarde ons de bewoners van de onstoffelijke wereld,
hun werkwijze en de wetten, waaraan zij onderworpen zijn. Hij sprak van de
engelen die uitgezonden zijn ten dienste van degenen die de zaligheid beërven
en als wachters altijd zien het aangezicht van de hemelse Vader. Hij stelde de
machten der duisternis onder aanvoering van satan openlijk ten toon. Hij wees
hen aan als de vijanden van God en van de mensen, als de bewerkers van alle
ongerechtigheid. Hij verlegde daarmede de strijd van het aardse toneel naar de
hemelse en onzienlijke gewesten. Zo sprak Hij over de verborgenheden (zintuiglijk
niet waarneembare zaken) van het Koninkrijk der hemelen. "Het goede zaad
zijn de kinderen van het Koninkrijk; het onkruid zijn de kinderen van den
boze; de vijand die het gezaaid heeft, is de duivel." Jezus bracht een
nieuwe leer, die der onzienlijke dingen, en Hij ondersteunde die met gezag,
want de boze geesten waren Hem onderworpen. Zijn leer was geen voortzetting van
het oude verbond, maar zij was als een nieuw kleed dat zich met het oude niet
liet verbinden. Deze nieuwe wijn kon niet in de zakken van het oude verbond
gedaan worden.
Jezus
onderrichtte zijn discipelen aangaande de geestelijke wereld, dat is die van de
geesten. Na zijn opstanding onderwees Hij hen veertig dagen lang "over al
wat het Koninkrijk Gods betreft". (Hand. 1:3) Jezus had de ware theologie
en de ware dogmatiek. Hij stelde geen belijdenisgeschriften op, maar hanteerde
de sleutels van het Koninkrijk. Wie Hem volgde, kreeg kennis, inzicht en
verstand van de hemelse zaken. De Here onderwees zijn
discipelen in de dingen van het Koninkrijk Gods en in die van het rijk der
duisternis. Hij toonde hun hoe een mens verlost wordt van duivelse machten en
overgezet wordt in het rijk van het licht. Jezus wees de weg tot ontkoming aan het verderf. Bij voorkeur richtte Hij zijn
boodschap tot hen die het mees overweldigd waren door de vijand, tot de hoeren,
de tollenaars, de zondaars, de zieken en gebondenen.
Hij vergaf hun de schuld en opende voor allen de deuren der gevangenis. Hij
dankte de Vader dat dit evangelie voor wijzen en verstandigen
verborgen was, maar aan de kinderkens geopenbaard
werd. De wetgeleerden en schriftgeleerden verweet Hij dat zij de sleutel der
kennis hadden weggenomen. Hun leer kwam met uiterlijk gelaat, met ceremoniën,
met ernst en plechtigheid, met overleveringen der voorvaderen en was van de
aarde. Van de onzienlijke dingen hadden zij geen weet. Zij hielden alleen
rekening met de zichtbare zaken en hun vroomheid bestond in uiterlijk vertoon.
Daarom verweet Jezus deze leidslieden dat zij het Koninkrijk der hemelen toesloten
voor de mensen. "Immers, gij gaat er niet binnen en die trachten binnen te
gaan, laat gij niet toe daarin te komen." (Matth. 23:13) Jezus leerde ons
bidden: "Uw wil geschiede in de hemel alzo ook op de aarde". Hij
volvoerde deze wil en sprak in de hemelse gewesten tot de stomme en dove
geesten en wierp ze uit. Het resultaat werd waargenomen op aarde in het herstel
van de zieke en beschadigde mens. Hij ging het land door genezende allen die
van de duivel overweldigd waren, want God was met Hem. Hij wierp duivelen uit
en sprak: "Indien Ik dit doe, dan is het Koninkrijk Gods over u
gekomen." Daarom is Jezus de apostel onzer belijdenis. Hij was de
Gezondene des Vaders. Hij kende de geheimenissen van het Koninkrijk der
hemelen en de gedachten des Vaders en heeft ze ons geopenbaard. Wij belijden
zijn visie, zijn leer en zijn inzichten. Amen!
Wat
zijn apostelen?
Apostelen
zijn mannen die van God kennis ontvangen hebben aangaande het geheimenis van
het Koninkrijk. Jezus sprak tot zijn discipelen: "Omdat het u
gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te verstaan, maar
hun is dat niet gegeven." Het Koninkrijk der hemelen was voor allen die in
het oude verbond leefden een onbekende zaak. "Vele profeten en
rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet
gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord." Jezus
verkondigde dingen "die van de grondlegging der wereld verborgen
waren." (Matth. 13 :11,17 en 35) Er was door de profeten wel over het Koninkrijk
gesproken, maar zij hadden het niet verstaan. Voor zijn apostelen opende Jezus
de Schriften. De Farizeeën en schriftgeleerden konden ze echter niet verstaan,
omdat hun geestelijke oren toegesloten waren en zij met hun innerlijke ogen
niet konden zien. Zij waren ongeestelijke mensen en verstonden niet de dingen
van het hemelse Koninkrijk. De apostelen hebben de leer van het geheimenis
begrepen en verder verkondigd.
Ook Paulus
rekende zich tot de apostelen, hoewel hij geen leerling van Jezus was. Maar hij
schrijft: "Dat mij door openbaring het geheimenis bekend gemaakt is".
(Epheze 3:3) Tegenover de "schijnapostelen"
in zijn dagen beroemt Paulus zich op deze openbaringen en gezichten des Heren.
In Corinthe waren mannen binnengeslopen, die zich
apostelen noemden op grond van hun vleselijke afstamming en hun natuurlijke
godsdienstige inzichten. Zij matigden zich gezag aan om de mensen te binden aan
allerlei inzettingen en plichten, waarover Paulus niet gesproken had. Op deze
wijze misleidden zij de gemeente en voerden haar af van het Koninkrijk der
hemelen. Als Paulus zich een apostel noemt, beroemt hij zich niet op zijn
vleselijke afkomst of theologische kennis (hoewel hij dit wel zou kunnen), maar
op gezichten en openbaringen waardoor hij ingeleid werd in de geheimenissen van
het onzichtbare Koninkrijk. (2 Cor. 11 en 12) Hij beriep zich op de bevestiging
van zijn evangelie door "tekenen, wonderen en krachten" en op de
verdrukking die hij van de zijde van de vijand hierom ondervonden had. Paulus
was immers in de derde hemel opgetrokken en had daar in het paradijs de
uiteindelijke triomf gezien van het Koninkrijk Gods. De heerlijkheid die door
Johannes in gebrekkige beelden moest worden weergegeven, kon Paulus zelfs niet
uitdrukken. "Die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken". Hij
zag het centrum van de stad Gods, het paradijs met de boom des levens. Hoe
wondervol was deze heerlijkheid. God zelf was hiervan niet alleen de
bouwmeester, maar ook de kunstenaar en ontwerper. Opnieuw roemend vervolgt hij
dan zijn brief aan de Epheziërs: "Daarnaar kunt
gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van
Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de
kinderen der mensen, zoals het nu door den Geest geopenbaard is aan de
heiligen, zijn apostelen en profeten." (3:4 en 5) De tempel Gods is
gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus
als de grote apostel en profeet zelf de hoeksteen is. Apostelen en profeten zijn
geroepen tot een bepaalde functie in de onzienlijke wereld. De profeet is de
bovennatuurlijke herder, die met woorden rechtstreeks uit de troon de gemeente
bouwt, sticht, bemoedigt, vermaant en vertroost. Door de profeet "komt
het verborgene van het hart aan het licht" en door de apostel de verborgenheden
van het Koninkrijk der hemelen. (1 Cor. 14:25) Het evangelie van Jezus Christus
is het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. De onzienlijke, heilige stad,
de bruid en de vrouw van het Lam, heeft twaalf fundamenten en daarop de twaalf
namen van de twaalf apostelen des Lams. (Openb.
21:14)
Het
Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat, maar is binnen in ons. (Luc.
17:20 en 21 St. Vert.) Het betreft de innerlijke en onzienlijke mens. De ware
aanbidders aanbidden de Vader in geest en waarheid. In het nieuwe verbond
wordt geen waarde gehecht aan uitwendige vormen, aan ceremoniën, aan titels of predikaten, aan gewaden, aan documenten en historische
geschriften. Het Koninkrijk Gods is niet verbonden aan aardse grootheid, macht
en rijkdom. Het biedt geen enkele status. Het heeft geen attractie voor degenen
die aanzien, eer, geld en macht begeren. Jezus wekt ons op om schatten in de
hemelen te vergaderen, waar de mot en de roest niet bij kunnen komen. Tegenover
dit principe van bovennatuurlijke kracht, luister, wijsheid en kennis stonden
de leidslieden van het volk vijandig en vreemd. Zij kwamen met voorschriften,
geboden en inzettingen van mensen. In hen openbaarde zich de valse kerk, die
de schijn verkiest voor het wezen en waar satan zich voordoet als een engel des
lichts. In felle bewoor-dingen striemde Jezus dit
grote, duivelse tegenspel. De wetgeleerden hadden de sleutel der kennis
weggenomen. "Zelf zijt gij niet binnengegaan en
hen, die trachten binnen te gaan, hebt gij tegengehouden." (Luc. 11:52) De
sleutel der kennis was de sleutel tot het Koninkrijk der hemelen. De
geestelijke leidslieden hadden het Koninkrijk Gods tot een aardse zaak gemaakt.
Daarom doodden zij de apostelen en profeten, de boodschappers van de
onzienlijke wereld. (Luc. 11:49)
Ook Paulus
kende geen enkele toegeeflijkheid tegenover deze vervalsing van het evangelie
van het Koninkrijk. "Indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van
hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt!" (Gal. 1:9) De veruitwendiging der kerk werd haar ondergang. Paulus noemt
zijn tegenstanders, die de aardse glorie, macht en uiterlijke vormen zoeken,
bedrieglijke arbeiders, die zich slechts voordoen als apostelen van Christus.
(2 Cor. 11:15) Zij predikten niet het evangelie van Jezus Christus, namelijk de
boodschap voor de gebondenen, de armen van geest en
de gevangenen. Het evangelie dat de apostelen brachten luidde: "Het
Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest de zieken, wekt doden op, reinigt
melaatsen, drijft boze geesten uit." (Matth. 10:7)
Wij
begrijpen iets van de gestrengheid waarmede Jezus en de apostelen optraden
tegen hen, die het Koninkrijk der hemelen vervingen door een aards surrogaat.
In de aards gezinde kerk heerst verwarring. Het is het Babylon
dat apostelen en profeten heeft, die niet door God zijn aangesteld en daarom
verwarring veroorzaken. Paulus schreef: "God heeft sommigen aangesteld in
de gemeente: ten eerste apostelen, ten tweede profeten." (1 Cor.
12:28) "Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven." (Epheze 4:11) Deze mannen moeten voldoen aan de eisen, die
aan de apostelen en profeten van den beginne gesteld werden. Niet iemand die
zichzelf zo noemt of door mensen daartoe gekozen wordt in een plechtige vergadering
of conclaaf, is een apostel, maar die zijn hemelse roeping
bevestigd ziet door tekenen en wonderen. die hem vergezellen. (2 Cor. 12:12)
Welk een inzicht hadden Petrus en Johannes niet toen zij in Samaria kwamen
(Hand. 8:17) Onmiddellijk zagen zij dat deze half heidense bevolking ook de
doop in de Heilige Geest nodig had. Na handoplegging ontvingen de bekeerde
Samaritanen de kracht van het Koninkrijk Gods.
Wij leven
bij de puinhopen van een kerk, die de apostelen en profeten gedood heeft. Maar
de tijd van het oordeel komt. De grote en sterke stad, die op aarde gebouwd is
en niet in de hemel, wordt verwoest in één uur. "Weest
vrolijk over haar, gij hemel en gij
heiligen, en gij apostelen en profeten, want God heeft uw rechtzaak
tegen haar berecht." (Openb. 18:20)
De
sleutels van het hemelrijk
Van de
leidslieden van zijn dagen zei de Here, dat zij het
Koninkrijk der hemelen voor de mensen toesloten. (Matth. 23:13) Zij hadden zelf
geen bewustzijn van de onzienlijke wereld en zij konden en wilden ook niet
binnengaan. Zij wilden ook niets aanvaarden van hetgeen uit de onzienlijke
wereld tot hen kwam. Zij hadden geen boodschap voor de armen van geest, de
tollenaren, de zondaren, de hoeren, de zieken en bezetenen. Lijdt onze huidige
christenheid niet aan hetzelfde euvel? Zij heeft ook geen evangelie waardoor gebondenen en bezetenen de vrede, de gerechtigheid en de
blijdschap van het Koninkrijk Gods kunnen ontvangen. Slechts het volle
evangelie wil terugkeren tot de woorden en werken van Jezus Christus, tot de
boodschap van het Koninkrijk. Ook nu wordt weer tegen deze bijbelse
opdracht gewaarschuwd en men zegt: "Zij zijn uitzinnig of het is van de
duivel!" (Matth. 12:24)
Toen de Here Jezus op deze aarde was, werden vele gebondenen en zieken tot Hem gebracht. Hij hanteerde dan de
sleutels van het hemelrijk, trad in de geestelijke wereld en bestrafte en
gebood daar de machten van de duisternis. Het gevolg was dat de bezetene vrij
werd en de kwalen weken. Hij leerde zijn volgelingen hetzelfde te doen. Hij gaf
hun de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Hij gaf hun daarmee inzicht in
de structuur en de wetten van de wereld der geesten (de geestelijke wereld).
Hij sprak: "Wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen
en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen."
(Matth. 16:19,20) Pas wanneer de machten der duisternis gebonden en verdreven
waren, kon het Koninkrijk Gods over hen komen. (Matth. 12:28) Eerst dan konden
zij ervaren wat het betekent om tot het huisgezin Gods te behoren.
Hoe zijn de
woorden aangaande de sleutels van het hemelrijk misverstaan! Jezus sprak:
"Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. Indien hij
naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen" (Matth. 18:15)
"Indien" houdt in dat zondigen geen normale levenswijze van een
broeder is, maar de mogelijkheid dat hij in een strik van satan valt. Wanneer
deze broeder tot berouw komt, is het zeer wel mogelijk dat hij toch de zonde
niet kan laten. Hij is door de duivel overweldigd en wordt geprest dingen te
doen, die hij niet wil. Toch zegt de Heer, dat wanneer zulk een broeder
luistert, hij ook gewonnen is. Jezus geeft zijn volgelingen immers de sleutels
van het hemelrijk, waardoor zij de machten der duisternis kunnen ontbinden en
verdrijven en zo het Koninkrijk der hemelen doen komen over de herwonnen
broeder. De sleutels van het hemelrijk worden dus gebruikt om een afgedwaalde
opnieuw te brengen in het Koninkrijk Gods. Voor degenen die niet luisteren
willen, heeft het evangelie geen boodschap.
Is het geen
teken van diep verval dat de sleutels van het hemelrijk in de praktijk der
kerken alleen gebruikt worden om kinderen Gods in de ban te doen, te excommuniceren
of onder censuur te zetten? Dit meest omdat zij niet instemmen met bepaalde
inzichten en uitspraken van concilies en synoden. Ook zondaren worden op deze
wijze buiten-gesloten van het heil van het Koninkrijk
der hemelen. Men had ze juist door het binden en ontbinden der machten kunnen
redden en het Koninkrijk der hemelen voor hen kunnen openen.
Jezus wil
dat de stem van de sleuteldragers zal doorklinken in de onzienlijke wereld. De
machten der duisternis zullen dan gebonden worden en losgemaakt van hun slachtoffers,
die zij door zonde en ziekte geketend hadden. Dit evangelie wordt nu weer in de
laatste dagen gepredikt. Het is de tijding die Jezus bracht en die nu weer
verstaan wordt. God schenkt weer zijn Geest en deze valt als een spade regen op
de gelovigen. Gedoopt met deze Geest kunnen zij de grote opdracht weer
gehoorzamen: "In mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen." Indien wij
door de Geest van God de onreine geesten uitdrijven, is het Koninkrijk Gods
weer over ons gekomen. Daarom: "Weest niet
bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader
behaagd u het Koninkrijk te geven." (Luc. 12:32)■