Er zijn korte verhalen en verhaaltjes. Verhaaltjes kunnen verstaan uit honderd woorden, of enkele zinnen. Het is maar net waar je zin in hebt. Korte verhalen kunnen al bestaan uit slechts honderd woorden tot maximaal 12.500 woorden. Vanaf dan spreekt men van lange verhalen. Iedereen is verschillend dus er bestaan diverse genres. Mijn voorkeur gaan naar Science Fiction en Fantasy, het liefst zelfs een combinatie van de twee genres (die overigens makkelijk samen gaan).
HIJ.
Wonderbaarlijk als ze is
verrast ze me iedere dag.
Sterk als een eik,
maar breekbaar als glas.
Langzaam groeit ze op
tot een prachtige bloem.
Ze zal ooit geplukt worden,
maar ik vermoord degene die haar vertrapt.
Het meisje achter de balie lijkt een beetje gestresst. Ze moet zeven dingen tegelijk doen. Mij helpen, telefoon aannemen, vraag van een collega beantwoorden die duidelijk haast heeft. Zodra ze me de sleutel geeft en mij een fijn verblijf in het hotel heeft wenst, loopt ze snel achter me langs en verdwijnt door een deur aan het eind van de gang. Terwijl ik mijn rugzak van de grond pluk zie ik haar haastig een grote, witte wasmand pakken en met twee grepen in de machine heeft ze de was eruit. Het is laagseizoen, dus minimale bezetting van personeel. Het doet mij goed een hardwerkend meisje te zien. Ze heeft iets humoristisch, maar neemt haar werk zeer serieus. Iemand die kan relativeren. Heb je nodig in deze wereld.
Volgens de sleutel moet ik naar kamer vijfentwintig. Ik loop door een saaie, lange gang. De muren zijn grauwwit en er ligt een grijze vloerbedekking die al even aan vervanging toe is. Ik zie vijf deuren aan mijn rechterzijde open staan en gluur in het voorbijgaan even naar binnen. Alle kamers zijn toch hetzelfde, dus ik ben nieuwsgierig wat voor kamer ik krijg.
De kamer is leeg, de muren zijn kaal en zelfs de gordijnen zijn weggehaald. Met walging kijk ik naar de vloerbedekking. Ik hoop oprecht dat die vervangen wordt, want dit is gewoonweg spuuglelijk. Bloemetjesmotief in donkeroranje bruin en piesgeel. Zo ontzettend…bláh. Te lelijk gewoon. Mijn moeder had vroeger, in midden jaren zeventig, behang in dit motief en toen vond ik het al vreselijk. Maar ja, over smaak valt te twisten.
De tweede kamer is eender maar in de derde kamer hebben ze de vloerbedekking inderdaad weggehaald. Nou, dat geeft hoop. Ik loop langs de vierde open deur. Een zucht van opluchting ontsnapt mij. Een gemêleerde vloerbedekking met beige en crème. Veilige kleuren, ziet er toch chique uit en is niet al te duur. De eerste schilderijtjes hangen al. Hmm, die heb ik eerder gezien. Daarvan kun je er duizend en één aanschaffen in de Ikea. De laatste kamer met de open deur doet mij deugd en ik hoop dat mijn kamer, aan de linkerkant van de gang, er net zo uitziet. Een blik naar het bed leert mij dat het uit hetzelfde filiaal komt als de schilderijen. Een laag beuken bed, gemodelleerd naar Japanse stijl. Laag met brede platte randen. Tegen de muur staat een beuken driedeurs kledingkast met een spiegel in het midden. Leuk voor stelletjes die zichzelf graag bezig zien in bed.
Hmm, zou de directeur daar bewust over hebben nagedacht? Waarschijnlijk niet. De tv staat op een beuken tv-kast, met lege vakken waar je de Dvd-speler kwijt kan. Aan de zijkanten kun je de DVD’s kwijt. Leuk kastje. Een donkergroene tweezitsbank en dito stoel moeten de gast een woonkamergevoel geven. Donkerrode gordijnen zorgen voor een donkere kamer als het buiten licht is. Ja, leuke kamer.
Ik loop verder en doe de sleutel in het slot. Mijn teleurstelling is groot wanneer ik mijn kamer door de kleine hal zie. Hier zijn ze nog niet geweest. Rieten bank met kussens, rieten stoel met kussens, lelijke poepbruine gordijnen, zwaar eikenhouten bed wat je nog niet kunt optillen met drie man.
Een mini-tv op een muurstandaard en een kledingkast die elk moment kan instorten als je er te hard tegen leunt. Mijn God, wat stinkt het hier naar rook. Als ik ergens een hekel aan heb dan is het wel tabakslucht. Ach ja, het past bij mijn humeur. Ik ben hier niet om het hotel of de omgeving te bewonderen. Ik heb een afspraak. Ik leg mijn rugzak op bed. Nu is het wachten. Wachten op vanavond, want dan zal ik mijn genoegdoening krijgen.
Het eten van het hotel-restaurant is goed. Beter dan ik had verwacht. De biefstuk was werkelijk heerlijk. Dit gecombineerd met gebakken aardappeltjes, vlaamse frieten en sperziebonen is het een lekkere maaltijd. Ik ben eerder klaar dan het gezin twee tafels van mij vandaan.
‘Stefan, Casper, doe eens rustig,’ hoor ik hun vader berispend zeggen. De ondeugendste glimlach die je als ouder doet smelten wordt toegeworpen naar hun vader. Kinderen van tien weten heel goed wat te doen. Zijn vrouw ziet er werkelijk schitterend eruit. Beide zijn niet ouder dan veertig maar de tijd lijkt nog geen vat op haar te hebben. Lang blond haar wat er goed verzorgd uitziet. Fijn gezicht, kleine en nog altijd jeugdige neus. Ze heeft soepele, slanke vingers maar het is te zien dat ze gewend is haar handen uit de mouwen te steken. Merel is haar naam. Haar dochter, niet ouder dan zeventien, lijkt sprekend op haar moeder. Haar naam is Ellen. De vader, speelt met de ene hand wat met zijn krulsnor terwijl hij met de andere zachtjes door de haren van één van de jongens woelt. Een steek gaat door mijn hart. Dit gezin heeft geen zorgen. Zijn gelukkig.
Bij mij en de andere man die in zijn eentje zit word als eerste het ijs als toetje gebracht. Een Coup Dame Blanche. Terwijl ik een hap neem kijk ik naar hem. Het gezin, hij en ik zijn de enige gasten die hier deze avond in het hotel zijn. Hij is de reden dat ik hier ben.
Zesentwintig jaar, één meter negentig. Donkerblond haar, lichtgroene ogen, ruwe handen met korte vingers. Heeft maat zesenveertig, moedervlek ter grootte van een mandarijn op zijn linkerschouder. Gek op nutella-chocoladepasta en boerenkool met worst. Favoriete film Pulp Fiction en huurt iedere zaterdag harde porno. Zijn vaardigheden zijn tekenen en wiskunde. Dom is hij niet. Werd ontmaagd op zijn zestiende in zijn eigen huis. Heeft een normale jeugd gehad. Goede, zorgzame ouders. Hij heeft geen strafblad, maar dat is deels te danken aan zijn intelligentie en stom geluk.
‘Mam, ik ga even een wandeling maken buiten,’ hoorde ik Ellen tegen haar moeder zeggen. De gemoedelijke sfeer is meteen verdwenen en ik voel een kille band om mijn hart trekken. Ik wil naar het meisje schreeuwen… zeggen dat ze hier moet blijven.
‘Moet je geen ijs dan?’ vraagt haar vader. Ik zie Ellen naar mijn ijs kijken en ze glimlacht even. Ik forceer een glimlach terug en richt mijn blik weer op mijn ijs.
‘Nee, even geen zin in. Komt de volgende keer wel. Ik moet er even uit, even alleen zijn.’ Haar ouders kijken elkaar aan. Ik zie verdriet in haar ogen. Misschien liefdesverdriet?
‘Maak het niet te lang. De jongens moeten ook op tijd naar bed.’
‘Ah, pap.’ ‘Ah, mam,’ wordt er tegelijk door de twee jongens geroepen. ‘We hebben vakantie. Moet dat nou?’
‘Jongens, hier hebben we het al over gehad,’ zegt Merel. In haar stem hoor ik dat ze geen discussie duld en de twee jongens blijven stil. Aardig onder de duim.
‘Geniet maar lekker van de koude lucht en de sterren,’ zegt de vader tegen Ellen. ‘Maar kijk uit dat je onderweg niet vastvriest.’
‘Ja, pap. Zal ik doen. Doei.’
Snel kijk ik naar hem. Als een roofdier die zijn prooi heeft ontdekt kijkt hij naar haar. Ik zie hoe zijn blik haar volgt tot ze door de deur verdwijnt. Even later komt ze weer voorbij, nu met haar jas aan en zijn blik volgt haar naar buiten. Zo, vuile gluiperd. Mijn spieren spannen zich aan. Ik heb gezworen zo’n moment nooit meer mee te willen maken. De gelegenheid ontstaat voor zijn neus en als een wild dier handelt hij. Herinneringen overspoelen mij en een drang van moordlust lijkt me te overmeesteren.
Het duurt niet lang eer hij opstaat en hij laat zijn ijs voor de helft staan. Zodra hij naar buiten loopt pak ik mijn rugzak en jas die ik express onder mijn stoel had liggen en verlaat eveneens het restaurant. Ik zie hem richting de straat gaan. Rustig kijkt hij om zich heen, er zich van verzekerend dat niemand te dicht in de buurt is. Het is half zeven en iedereen is thuis of onderweg naar huis. Het is etenstijd dus erg rustig. Op een eiland is het toch al gauw rustig wanneer het donker is. Hij kijkt mijn kant op maar ziet mij niet. Het zou ook knap zijn om mij te zien wanneer ik niet gezien wil worden. Vanachter een muur zie ik hem in een spiegel.
Zodra hij weg is loop ik naar buiten. Het is niet moeilijk te raden welke kant hij opgaat. De dijk met een prachtig uitzicht op zee is vlakbij. Je moet een flink stuk lopen om bij het strand te komen, maar de maan en de sterren zorgen voor een goed zicht.
Links van de dijk is een industrieterrein. Ik zie haar lopen richting de kust. Het licht van de Brandaris verlicht Ellen voor een kort moment. Hem zie ik ook. Hij nadert haar redelijk snel maar langzaam genoeg om niet op te vallen. Mooi. Ik ga onder de dijk lopen terwijl hij erbovenop loopt. Ik doe mijn rugzak af en haal mijn pistool eruit. Rustig blijf ik staan, richt op mijn doel en wacht het juiste moment af. Hoeveel meter zal het zijn? Tweehonderd? Tweehonderd en twintig? Nee, iets minder. Ik wacht, adem rustig in en uit. Ja, daar is mijn moment. Een tel later zakt hij ineen en rolt naar beneden het weiland in. Precies zoals ik had gehoopt. Daar is het stikdonker en een lichaam plat in het gras valt niet op. Gauw ga ik naar beneden en schuil bij een houten paal.
Ellen heeft niets gezien. Ik wacht tot ze besluit terug te gaan. ik heb de tijd. Na tien minuten loopt ze weer langs en wanneer ze boven mij loopt zie ik even haar gezicht. In het donker lijkt ze sprekend op mijn dochter. Er zijn veel redenen waarom ik naar haar kijk. De belangrijkste is misschien een soort goedkeuring van mezelf. Zodra ze bij de straat is en oversteekt loop ik naar hem.
Een zielig hoopje mens, inééngefrommeld als een zak wasgoed. Ik buk over hem heen en voel in zijn jaszakken. Zijn sleutel blijkt in zijn binnenzak te zitten. Ik pak mijn led-lampje en kijk goed om mij heen of hij niets heeft laten vallen. Nee, niets. Ik schijn op zijn gezicht. De neiging is groot om mijn koord te pakken en hem te wurgen. Ik zou hem natuurlijk ook kunnen laten liggen. Het vriest minimaal vijftien graden vannacht. Minimaal. Het scheelt heel veel moeite. Nauwkeurig bekijk ik zijn gezicht. Een hevige tweestrijd woedt in mijn ziel.
Ik wil hem dood. Dat is wat ik doe. Mensen doden. Waarom hij dan niet? Ik kwam hier met een doel. Dat mag ik niet vergeten. Ik kom voor gerechtigheid en niet alleen voor mezelf.
Ik haal mijn pijltje uit zijn nek, til hem op en gooi hem over mijn schouder. Hij weegt vijfentachtig kilo. Een behoorlijk gewicht, maar ik kan het hebben. Zelf ben ik behoorlijk groot en stevig gebouwd. Ik ben blij dat het niet sneeuwt. Sporen kunnen héél vervelend zijn. Het hotel is vijf minuten lopen maar met hem op mijn schouder duurt het wat langer en ik ben blij wanneer ik aan kom. Er is niemand buiten maar voor de zekerheid wacht ik even tot een wolk voor de maan schuift. Vanuit de hotelkamer kan je zo het grasveld op. Snel doe ik de buitendeur open en leg hem zachtjes op zijn bed. Zodra de deur weer op slot is doe ik de gordijnen dicht en ga naast hem zitten. Het is tijd voor de volgende spuit.
Een leuk mengsel wat ik zelf maak. Het haalt hem weer uit de verdoving maar al zijn spieren blijven slap. De verdovingsvloeistof is ook aangepast aan dit mengsel. Je bent bijna niet meer in staat te bewegen. Het mengsel zorgt ervoor dat je de kracht ervoor mist. Je oogspieren kun je nog bewegen. Die vergen zeer weinig lichaamskracht. Wat er na de “ondervraging” gebeurd is vrij uiteenlopend. De één blijft leven, de ander sterft en de ander al dan niet invalide. Het is maar net hoe de opdracht luid die ik heb gekregen.
Ik haal mijn hoofdlamp uit mijn rugzak en nadat ik hem aan heb gedaan zoek ik een spuit en neem het flesje. Vijf cc is voldoende. Als ik hem inspuit is het slechts een minuut wachten tot hij wakker wordt.
De blik in zijn ogen wanneer mijn slachtoffer merkt dat hij niet kan bewegen heb ik al tientallen keren gezien. Deze keer voelt het anders. Het windt mij op. Woede, haat en verdriet komen als een beukende golf naar boven en krijgen eindelijk hun afrekening.
De angst in zijn ogen doet mij goed. Ik draai mijn hoofdlamp wat feller om zijn gezicht beter te zien. Oké, het is een beetje pesterij maar het heeft een belangrijk psychisch doel. Hij kan mij niet zien maar weet dat zijn lot bij een ander ligt. Het verhoogt zijn angst en gevoel van hulpeloosheid. Mooi, heel mooi. Mijn zwijgen doet hem ook niet goed. Ik streel hem over zijn wang en langs zijn zij. Eventjes beroer ik zijn kruis. Dat vind hij niet leuk.
‘Zo, klootzak, lig je lekker.’ Ik kijk naar zijn kruis en zie dat hij in zijn broek heeft geplast. Logisch, want die spieren missen hun kracht. Toch sneller dan ik had verwacht. Zijn ademhaling versnelt. Hij is bang. Heel bang.
‘Je vraagt je zeker af waarom je er hier zo bij ligt. Ik had op zich graag met je gepraat maar geloof me, het had je overlevingskansen drastisch vermindert. Zeer waarschijnlijk had je allerlei smoezen verzonnen, redenen die je daden goedspraken. De slechte jeugd die je had… Wat overigens niet waar is. Ik heb het gecheckt. Allemaal dingen die mij een reden geven om je te doden. Ik ben namelijk een niet al te aardige man. Mensen doden is mijn beroep. Ik wordt ingehuurd om mensen op te sporen, te ondervragen en eventueel te doden. Ik doe dit werk al vijfentwintig jaar.
Nu vraag je jezelf zeker af, wie zoekt mij? Niemand weet wat ik gedaan heb. Daar ga je nu de fout in. Zoals je hebt gemerkt heb ik jou gevonden, maar niemand heeft mij ingehuurd voor deze klus. Het is waar, je wordt gezocht door de politie in het hele land. Al hebben ze geen idee wat de identiteit is van de serieverkrachter die ze zoeken.
Heel veel ouders willen graag de dader op hun bord, want hij heeft hun dochters als een bruut verkracht. Maar zoals ik al zei, ik ben niet ingehuurd.
Ik zal je wat vertellen over mezelf. Misschien… vind je dat prettig. Behalve dat ik een huurmoordenaar ben, ben ik ook echtgenoot en vader van een zeventienjarige dochter.
Aaah, nu heb ik je aandacht. Dan weet je vast wel waarom ik hier ben?’
Ik zweeg en dimde het licht. De stilte moest voor hem vreselijk zijn. Zijn ogen staarden me wild aan. Waaraan zou hij nu denken? Deze éénzijdige ondervraging had zijn nadelen. Ik aaide langs zijn oren en streek met mijn vingers door zijn haar. Precies zoals hij het met al die meisjes had gedaan. Precies zoals bij mijn dochter. Mijn handen gaan naar om zijn nek en houden hem enkele minuten zo vast. Ik wordt innerlijk heen en weer geslingerd door mijn drang hem om te brengen en mijn geweten. Wanneer ik hem los laat hoor ik hem opgelucht zuchten. Ik kijk hem met al mijn haat aan en ik zie hem in zijn schulp wegkruipen. Hij kan mijn gezicht amper zien maar dit voelt hij wel.
‘Helaas voor jou heb je de pech een meisje verkracht te hebben die de dochter is van een beroepsmoordenaar. Mijn dochter. Vroeg in de ochtend kwam mijn kleine meid thuis. Stil, trillend als een muis die door niemand aangeraakt wilde worden. Haar lichaam en geest gebroken. Het ergste was dat ze alles opnieuw moest beleven bij de politie. Tot in detail moest ze alles vertellen. Lichamelijke onderzoeken waren nodig om bewijzen te vinden die gebruikt konden worden. Maar het is een eerste stap tot verwerking. Een verwerking die voor haar, en voor haar ouders, tientallen jaren zal duren, misschien wel levenslang.
Jij geniet van macht, hmm? Of sta je er niet bij stil wat je aanricht?’ ongemerkt verhef ik mijn stem na al die tijd gefluisterd te hebben. Mijn stem trilt van intens ingehouden woede en haat. Het is belangrijk dat ik mij niet laat overmeesteren door mijn emoties. Ik heb express mijn revolver in mijn kluis gelaten. Ik besef dat ik anders fouten kan maken. Fouten die ik van mezelf niet permitteer. Mijn drang om hem te vermoorden is groot, heel erg groot. Hij heeft mij tot in het diepst van mijn ziel getroffen.
‘Morgenochtend komt de politie. Waag het niet een “poging” te doen het hotel te verlaten. Doe je dat toch, dan ben je voor de dag om is dood. Ik geef je dan geen snelle dood. Het zal allesbehalve pijnloos zijn. En niemand, maar dan ook niemand zal je ooit nog vinden.
Zodra ik de kamer verlaat ga je slapen en morgen ga je rustig mee. Geloof me wanneer ik je zeg dat je geluk hebt. In ieder ander geval was je al lang dood geweest. Maar jij hebt het persoonlijk gemaakt. Je hebt een vader en een moeder in hun ziel getroffen, en ik wil genoegdoening voor al die andere vaders en moeders.
Knipper twee maal met je ogen wanneer je me hebt begrepen.’ Twee maal knipperde hij zeer snel met zijn ogen. Zweetdruppels parelden langs zijn oren en kaak.
‘Goed. Het middel zal over, pak hem beet, een uur uitgewerkt zijn. Sluit de deur zodra je ertoe in staat bent’ Ik doe mijn hoofdlamp uit, open de deur naar het grasveld en doe hem achter me dicht.
De rest van de nacht blijf ik wakker en hou de geluiden naast me goed in de gaten. Het is toevallig dat hij in de kamer naast me zit. Zoiets kun je niet regelen. De boodschap is goed doorgekomen, daar ben ik zeker van. Als hij toch iets probeert, dan is dat jammer. Ik heb mijn best gedaan. Het is dat ik zelf vader ben, anders was hij al dood geweest.
Ik heb een aantal ouders gesproken, al zullen ze me nooit herkennen. Hier ook niet overigens. Mijn zogenaamde kale kop, pet en rugzak maken me een heel andere man. Eén van mijn vele vermommingen. Ik eet nu mijn ontbijt. Het gezin geniet van hun verblijf en maken plannen wat ze gaan doen vandaag.
De politie loopt nu met hem naar buiten. Verbaasde blikken. Nu is het uit mijn handen. Ik voel mij vreemd genoeg leeg, maar toch voldaan. Ik heb me veel moeite moeten doen om me in te houden. Mensen doden is mijn vak. Dit is persoonlijk, te persoonlijk. Maar nu ligt het achter me. Hij is meegenomen. Tijd om terug te gaan naar huis.