Bahasa Indonesia

 De Indonesische taal

 

Het grammaticale gedeelte is verhuisd naar

 

<< http://www.salindo.com/bahasa/ >>

 

Dit is een lijst van stamwoorden (of grondwoorden) die in de actieve vorm geen me + -kan of me- + -i behoeven of ook geen ber-.
Deze stamwoorden kunnen dus zonder voor- of achtervoegsel gebruikt worden.

Zij zijn onovergankelijk (er is geen lijdend voorwerp) en een zin bestaat dus uit een onderwerp - werkwoord + bepalingen.

Hun betekenis verandert echter wel, wanneer zij met een voor- of achtervoegsel gebruikt worden.

Voorbeelden:

Dia ada di sini - hij is hier.
Dia mengadakan pesta - hij organiseert een feest
(= laten/doen plaatsvinden, laten/doen zijn, tot stand brengen.
Een Jakartaan zou zeggen "ngadain").

Laku - gewild, gretig aftrek vinden
Melakukan - doen, verrichten, uitvoeren

Bangun - wakker worden
Membangunkan - wekken, oprichten

Dapat  - kunnen (vgl. bisa)
Mendapat - verkrijgen, vinden
Mendapatkan - bezoeken, opzoeken
Mendapati - bevinden, aantreffen

Tinggal - blijven, vertoeven
Meninggal - verlaten
Meninggal dunia - sterven (de wereld verlaten)

Grondwoorden (grondwoordelijke werkwoorden)

ada aanwezig zijn, zich bevinden
balik terugkeren
bangkit oprijzen
bangun wakker worden
baring liggen
benci haten
boleh kunnen, mogen
buka open
cinta liefhebben
dapat kunnen
datang komen
diam stil zijn, zwijgen; wonen
duduk (di) zitten (op)
gagal (dalam) falen
gugur afvallen
habis beëindigen, eindigen
harap hopen
harus moeten
hendak willen, verlangen
hidup (di) wonen (te), leven
hilang verloren gaan, verdwijnen
hinggap neerstrijken
ingat (pada) (zich) herinneren
ingin graag willen
jadi groeien, gedijen
jaga wakker worden
jatuh (ke) vallen (in)
karam vergaan, schipbreuk lijden
kasih liefhebbeen
keluar (dari) naar buiten gaan (van)
kenal (dengan) (her)kennen (van)
kembali (ke) terugkeren (van), teruggaan
lahir (di) geboren zijn (in), geboren worden
kawin (dengan) trouwen (met)
laku gewild, in trek zijn
lalu voorbijgaan
lari hardlopen
lenyap verdwijnen
lupa vergeten
maju vooruitgaan
makan eten
mandi baden
masuk (ke) binnengaan
mati sterven
mau willen
mesti moeten
minum driknken
mundur achteruitgaan
naik klimmen, naar boven gaan
nyanyi zingen
percaya vertrouwen
pergi gaan
pikir denken
pindah verhuizen
pulang naar huis gaan
rebah omvallen, neerstorten
roboh instorten
runtuh instorten
sampai aankomen, komen tot
sayang begaan zijn (met)
singgah aanleggen
suka (akan) lusten, houden van
tahu weten
takut bang zijn
tampil naar voren komen
tenggelam zinken, ondergaan (zon), verdrinken
terbang vliegen
terbit opkomen
terjun afspringen
tiba (di) aankomen
tidur (di) slapen
timbul opkomen, aan e oppervlakte komen
tinggal blijven, verblijven (wonen)
tumbuh groeien
tunduk bukken, buigen
tunggu wachten
turun uitstappen, naar beneden gaan
turut meedoen aan, meegaan

Tiap-tiap hari matahari terbit / tenggelam (terbenam). Elke dag gaat de zon op / onder.
Kami mandi empat kali sehari. Wij baden vier maal per dag.
Harga barang² di pasar turun / naik. De prijzen van de goederen op de markt zijn gedaald / gestegen.
Nanti pukul 8 saya pergi ke stasiun. Straks om acht uur ga ik naar het station.
Saya tinggal di Denpasar. Ik woon in Denpasar.
Pencuri itu lari, lalu dia jatuh. De dief rende weg, vervolgens viel hij.
Anak itu mau bermain di jalan. Dat kind wil op straat spelen.